homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

28 JULI 2008

TOENEMENDE RECREATIEDRUK IN WETLANDS

Eén van de meest actuele problemen binnen de Nederlandse wetlands is de toenemende recreatiedruk. Dat blijkt uit het Nederlandse Wetlandrapport 2004 - 2007, het verslag van Vogelbescherming Nederland en de WetlandWachten voor wetlandbescherming.
Vogels zijn grote delen van het jaar erg verstoringgevoelig. Moderne vormen van recreatie, zoals kitesurfen en strandrijden, worden steeds populairder, maar brengen ook de grootste verstoring met zich mee. Dit kan leiden tot uitval en sterfte, en daarmee een vermindering van de populatie.

De Vogelbescherming pleit voor 'zonering in tijd en ruimte' en wil samenwerken met de recreatiesector. Tijdszonering zou ertoe moeten leiden dat gebieden worden afgesloten voor recreanten tijdens periodes waarin er veel vogels zijn. Op de Wadden mag kitesurfen alleen in juni, juli en augustus. Ruimtezonering zou gebieden moeten verdelen in zones waar recreanten mogen komen en zones waar de natuur afgeschermd wordt. Ook doet Vogelbescherming een beroep op betere handhaving en toezicht in de beschermde gebieden.

Informatie: www.vogelbescherming.nl
Bron: Vogelbescherming Nederland

lees meer
22 JULI 2008

KRITISCH STIKSTOFNIVEAU TE HOOG

De norm voor de toegestane concentraties stikstof in de natuur moet op sommige plaatsen mogelijk verder naar beneden bijgesteld worden. Dat stelt Alterra na de ontwikkeling van een verbeterde methode om het effect van stikstof op een ecosysteem vast te stellen.
De berekening van de maximaal toelaatbare belasting voor een ecosysteem is tot nu toe gebaseerd op de voedselrijkdom van de bodem. Die wordt geschat aan de hand van aanwezige plantensoorten, die volgens het Ellenbergsysteem een indicatie geven van de hoeveelheid stikstof die in de bodem beschikbaar is.
Veel deskundigen twijfelen echter aan de betrouwbaarheid van deze methode, omdat daadwerkelijk gemeten concentraties van beschikbare stikstof ontbreken. Bovendien wordt op deze manier geen rekening gehouden met andere factoren die groeibeperkend zijn voor de flora, zoals de beschikbaarheid van fosfaat en kalium.
Onderzoekers van Alterra hebben nu een methode ontwikkeld, waarbij het effect van stikstof op de natuur voorspeld wordt op basis van daadwerkelijk waargenomen lokale bodemfactoren. Dit leverde volgens de onderzoekers verrassende resultaten op.
Op graslanden waar fosfaat beperkend is voor de groei neemt de groei sneller toe als er meer stikstof beschikbaar is, dan op graslanden waar stikstof beperkend is. Op deze fosfaatgelimiteerde plaatsen is dus minder stikstof nodig voor dezelfde mate van groei. Dit zou betekenen dat op graslanden waar fosfaat de beperkende factor is, het kritische stikstofniveau lager zou moeten komen te liggen om te voorkomen dat het ecosysteem verandert.
De onderzoekers benadrukken dat deze beleidsconsequentie voortkomt uit een onderzoek op beperkte schaal. Bovendien is het nog maar de vraag of de resultaten bruikbaar zijn voor de praktijk. ‘In de praktijk halen we al niet de huidige kritische stikstofdeposities’, zegt onderzoeker Rolf Kemmers van Alterra. ‘Voor het beleid is het misschien wel goed om voorlopig één depositiefactor aan te houden en eerst die zien te realiseren, voordat we de doelen verder aanscherpen.’

Bron: Bron: Boomblad 3, juni 2008

Zie ook: rapport

lees meer
15 JULI 2008

NAALDBOMEN STOTEN STIKSTOF UIT

Naaldbossen die de toevloed van stikstof uit de atmosfeer niet verwerkt krijgen, stoten ammoniak uit via de huidmondjes. Dit fenomeen was al bekend bij landbouwgewassen en bemeste graslanden, maar is nu ook aangetoond in naaldbossen, meldt het Belgische Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.
De uitstoot van ammoniak wordt groter bij hoge temperaturen en bij lage concentraties van ammoniak in de atmosfeer. Het uitstoten gebeurt bijna continu gedurende het groeiseizoen. In normale omstandigheden wordt er in een naald evenveel ammonium aangeleverd als er nodig is voor de stofwisseling. De hoge afzetting van stikstof uit de atmosfeer door de luchtvervuiling in de laatste decennia leidde echter tot hoge stikstofgehaltes in de naalden. Daardoor ontstond een teveel aan ammoniak, opgelost in de vloeistoflaagjes onder de huidmondjes. Wanneer de concentratie aan ammoniak in de naalden groter wordt dan de concentratie in de lucht, stoten de naalden ammoniak uit via de huidmondjes. Ook geven bomen het onverwerkte stikstof via nitraatuitspoeling door naar het ondiepe grondwater.

Toch blijft de hoeveelheid ammoniak die wordt uitgestoten via de huidmondjes klein ten opzichte van de hoeveelheid ammoniak die wordt afgezet vanuit de atmosfeer op het hele kroonoppervlak. Deze grote fractie wordt door de regen van het kroonoppervlak gewassen en komt op de bosbodem terecht. Daarbij wordt de bodem verrijkt met stikstof en wordt bodemverzuring versneld.

Informatie: INBO nieuwsbrief, www.inbo.be
Bron: INBO

lees meer
14 JULI 2008

NATUURWETGEVING VEREENVOUDIGD

De wetgeving voor de bescherming van de natuur wordt sterk vereenvoudigd door de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet te integreren. Aanleiding hiervoor is de evaluatie van de natuurwetgeving in Nederland. Daaruit blijkt dat de Nederlandse natuurwetten te ingewikkeld zijn en transparanter kunnen.
Het kabinet wil de regeling van de soortenbescherming in de Flora- en faunawet vereenvoudigen en snijden in de uitvoeringsregelingen. Ook zal opnieuw worden gekeken naar de inheemse dieren en planten die echt wettelijke bescherming nodig hebben. Het gevolg is dat een aantal nader te bepalen niet bedreigde soorten van de lijst zal verdwijnen. In de praktijk betekent dit dat een ontheffingsaanvraag achterwege kan blijven als op een bouwterrein bijvoorbeeld bruine kikkers of veldmuizen voorkomen.

Het kabinet wil meer natuurtaken naar de provincies overhevelen. De provincies gaan in de toekomst over de ontheffingsverlening voor ruimtelijke ingrepen, met uitzondering van projecten die de provinciegrens overschrijden, de beoordeling van een kapmelding of kapverbod en de taken die nu aan het Faunafonds zijn opgedragen. Het algemene jachtverbod in natuurgebieden wordt opgeheven. In plaats daarvan beoordeelt de terreinbeheerder per natuurgebied of jacht is toegestaan.

Voor de korte termijn heeft de minister van LNV al een aantal acties in gang gezet die moeten zorgen voor een betere uitvoering en handhaving van de natuurwetgeving. Zo wordt er gewerkt aan een vereenvoudiging van de uitvoering van de internationale regels voor beschermde planten en dieren, de zogeheten CITES-regelgeving, en komen er proeven met een regeling voor tijdelijke natuur die ontstaat op braakliggende bouwterreinen.

Informatie: www.minLNV.nl
Bron: Ministerie van LNV

Zie ook: rapport

lees meer
11 JULI 2008

GROEISEIZOEN WORDT SNEL LANGER

De stijging van de temperatuur vervroegt de start van het voorjaar en vertraagt die van de herfst. Daardoor is de lengte van het groeiseizoen nu al een maand langer dan voor 1990. Dat blijkt uit het promotieonderzoek aan Wageningen Universiteit van Arnold van Vliet van De Natuurkalender. Van Vliet noemt dit een ‘zeer significante en snelle verandering’.
Van Vliet heeft van honderden plantensoorten het moment van bloei, bladontplooiing en vruchtrijping geanalyseerd, en van herfstkleuring en bladval. Door de gestegen temperatuur in de afgelopen decennia bloeien planten gemiddeld twee weken eerder dan twintig jaar geleden. Ook bladontplooiing en vruchtrijping gaan eerder van start dan in de jaren tachtig. Uit zijn studie blijkt dat alle kenmerken significant hun timing begonnen te veranderen aan het eind van de jaren tachtig.
De kans is groot dat de veranderingen in timing van planten doorwerken naar de hogere niveaus in een ecosysteem. Processen zoals bestuiving zullen niet altijd meer goed op elkaar aansluiten. In het warme voorjaar van 2007 bleek dat planten en dieren zich gemiddeld meer dan twintig dagen eerder ontwikkelden dan in het koude 2006. De fenologie van korteafstandtrekvogels en standvogels verschoof echter maar elf dagen en de langeafstandtrekkers kwamen in 2007 maar drie dagen eerder terug dan in 2006. De verstoring van de synchronisatie heeft grote invloed op de productiviteit, reproductie en overleving van soorten, verwacht Van Vliet.

Bron: Boomblad 3, juni 2008

lees meer
10 JULI 2008

VLAAMSE ZALM DOOR NEDERLAND NAAR NOORDZEE

Volwassen zalmen kunnen België weer bereiken vanuit de Noordzee, nu sinds vorig jaar de obstakels in de Nederlandse rivieren zijn verdwenen. De eerste volwassen zalmen zijn al in Wallonië gesignaleerd, waar ze zich kunnen voortplanten. Onderzoek van het Vlaamse INBO heeft nu aangetoond dat jonge zalmen ook weer terug kunnen zwemmen naar de Noordzee, waar ze kunnen opgroeien tot volwassen zalmen.
Door de obstakels in de Nederlandse rivieren konden volwassen zalmen tot vorig jaar de rivieren in Vlaanderen en Wallonië, die belangrijk zijn voor hun voortplanting, niet bereiken. Sinds 2008 zijn alle migratiebarričres in het Nederlandse deel van de Maas opnieuw opengemaakt voor vis die de rivier optrekt. Met succes, want de eerste volwassen zalmen zijn al opgemerkt in Wallonië.

Nu de volwassen zalmen het benedenstroomse deel van de Maas weer kunnen optrekken, wilde het Vlaamse Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) ook weten of de jonge zalmen ook weer naar de Noordzee terug konden komen. Om dat te achterhalen werden in maart 36 jonge zalmen gezenderd en uitgezet in de Berwijn bij Berneau. De eerste zalmen vertrokken al enkele dagen na hun uitzetting. Enkele weken later bereikten tien zalmen het Haringvliet. Zes hiervan zwommen de Noordzee in, waar ze kunnen opgroeien tot volwassen zalmen.

De Atlantische zalm is een vissoort die een belangrijk deel van zijn leven in zee doorbrengt, maar voor zijn voortplanting de rivier optrekt. De jonge zalmen verblijven hun eerste levensjaren in onze rivieren en trekken na enkele jaren terug naar zee.

De zalm is in de meeste Europese rivieren tussen de 18e en 20e eeuw sterk achteruitgegaan of zelfs verdwenen. Belangrijke redenen hiervoor zijn de toenemende industrialisatie en de toename van het aantal barričres voor migratie op de grote rivieren. Ook op de Maas waren er veel barričres. De verschillende migratieknelpunten bemoeilijken niet alleen de intrek van volwassen zalmen, maar ook de uittrek van jonge zalmen.

Zie ook het artikel Bypasses voor de riviervis in Boomblad 4, september 2006

Informatie: INBO nieuwsbrief, www.inbo.be

lees meer
8 JULI 2008

TEKORT AAN RECREATIEGROEN

Er is een groot tekort aan groen in de zones tussen de grote steden. Dat stelt de Stichting Recreatie na een analyse. Door de bevolkingsgroei en de klimaatverandering zal het – stijgende -aanbod achterblijven bij de toenemende vraag naar groen.
Sinds 1958 heeft Nederland negen rijksbufferzones, groene buffers tussen de grote steden in met name de Randstad, maar ook twee in Zuid-Limburg. De zones bestaan voor ruim zestig procent uit landelijk gebied en voor een kwart uit natuur, water of recreatiegebied. Het gaat dus niet om stadsparken.
De Stichting Recreatie onderzocht in opdracht van de ministeries van VROM en LNV het gebruik van de bufferzones. Daaruit blijkt dat stedelingen gemiddeld veertig keer per jaar het groen rondom de stad opzoeken. Het meest om te wandelen, gevolgd door fietsen en recreëren aan het water.
De geplande aanleg van 6700 hectare recreatiegebied in de bufferzones, aangevuld met diverse andere groenplannen van rijk en provincie, is niet genoeg om aan de stijgende vraag te voldoen. Volgens de stichting zijn er slimme en betaalbare oplossingen, zoals verhoging van de opvangcapaciteit per gebied. Bijvoorbeeld door aanleg van meer wandelpaden over boerenland en natuur waarin zowel fietsers als wandelaars terecht kunnen, met ligweides voor ontspanning.

Zie ook 'Groene zone tussen Arnhem en Nijmegen van rijksbelang'.

Bron: Boomblad 3, juni 2008

Zie ook: rapport

lees meer
7 JULI 2008

NATUURBRAND VEELBELOVENDE MAATREGEL

Vuur is een veelbelovende opkomende maatregel in het natuurbeheer. Branden van de natuur zou de soortenrijkdom moeten terugbrengen. De verwachtingen zijn hoog. En niet onterecht, volgens de wetenschap. De maatregel lijkt het ideale middel voor het verjongen van de natuur, en bovendien goedkoop, meldt Boomblad in een achtergrondartikel in het juninummer.
Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer zijn dit jaar van start gegaan met het experimenteel branden van natuur, met als doel meer variatie te krijgen in de heidestructuur. Drie percelen heide op de Sallandse Heuvelrug zijn in januari gecontroleerd afgebrand. De oude heidestruiken branden af, waardoor jonge heide en andere plantensoorten weer de ruimte krijgen.
‘Je kunt ook een nieuwe heidevegetatie krijgen door te plaggen, maar de vegetatie die je dan krijgt vormt een dichte begroeiing met weinig soorten’, vertelt Jos Schouten van Natuurmonumenten. ‘Brand stimuleert een nieuwe heidevegetatie vanuit een heel ander beginstadium, omdat de rijke humuslaag blijft liggen. Nieuwe planten groeien op de rijke oude bodem.’

Volgens vuurecoloog Claudius van de Vijver van Wageningen Universiteit is branden een beloftevolle maatregel om de Nederlandse natuur te versterken. ‘Het is effectief en goedkoop, en vuur hoort bij de natuur. Branden houdt de vegetatie open.’ Dat effect is van steeds groter belang voor Nederland. ‘Veel van de landbouwgrond die is omgezet in natuur, en waar grazers zijn ingezet, kampt met verstruiking.’

Verjongen met vuur is overigens geen nieuwe ingeving, zegt Jap Smits van Staatsbosbeheer ‘Boeren brandden van oudsher de heide, om hun schapen van proteďnerijk voedsel te kunnen voorzien.’ En op de Strabrechtse heide, waar Smits beheerder is, wordt nog steeds gebrand. ‘Jaarlijkse branden we kleine plekjes her en der door het gebied. We creëren een steppeachtig landschap, waar typische heidesoorten van profiteren, zoals de veldleeuwerik en de tapuit. Die lopen het liefst op heel korte heide.’

Overigens laten de ervaringen op de Strabrechtse Heide zien dat er maar weinig dagen zijn dat vuur gebruikt kan worden, zonder ongewenste schade aan te richten. Smits: ‘De bodem moet bevroren zijn, zodat de warmte niet de bodem intrekt. Dieren die daar overwinteren, blijven zo gespaard. Ook blijven dan de slapende knoppen op de wortelhals van struikheide heel, zodat deze na de brand weer snel kan opkomen.’ Verder moeten de planten en de bodem droog zijn. In de praktijk betekent dit dat er gemiddeld op een paar dagen in de maand februari gebrand kan worden.

Bron: Boomblad 3, juni 2008

lees meer
4 JULI 2008

NIEUWE INDELING NATUUR EN BEHEER

Eind april werd een eerste versie van de Index Natuur Landschap en Recreatie gepresenteerd, een nieuw instrument om de natuur in Nederland eenduidig mee te benoemen. De Index NLR hanteert een nieuwe typologie en indeling, en brengt bovendien de kosten van het beheer in beeld.
Het natuurdoeltype Eikenhaag-beukenbos van zandgronden heet bij Staatsbosbeheer het subdoeltype Loofbossen op klei- en zavelgronden. Bij Natuurmonumenten heet het natuurtype Kalkhellingbos, en het Programma Beheer heeft het over het beheer van Omvormingsbos/Bos met verhoogde natuurwaarden.

Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen, de Unie van Bosgroepen en de Federatie Particulier Grondbezit hebben in overleg met het ministerie van LNV en het Interprovinciaal Overleg (IPO) nu een nieuwe indeling ontwikkeld, de Index NLR. Hierin wordt de natuur opgedeeld in achttien types, waarvoor 58 soorten beheer mogelijk zijn. Ook vijf vormen van recreatie zijn meegenomen.
Eikenhaag-beukenbos van zandgronden heet bijvoorbeeld in de Index natuurtype Vochtige bossen met een beheertype Haagbeuken- en essenbos.

De Index zal in de toekomst de basis vormen voor een nieuw, meer decentraal georganiseerde financiering van het natuurbeheer.
De index zal nog verder uitgewerkt en verfijnd worden door het IPO, het ministerie en de samenwerkende terreinbeherende organisaties.

Informatie: www.landschappen.nl
Bron: Boomblad 3, juni 2008

lees meer
3 JULI 2008

JACHTVRIJ GEBIED VOOR ZWIJNEN

Natuurmonumenten wil een proef doen waarbij op een deel van de Veluwe niet op zwijnen wordt geschoten. Volgens de organisatie is het helemaal niet nodig jaarlijks duizenden dieren af te schieten. Als de jacht wordt gestaakt bepalen voedselaanbod en weersomstandigheden grotendeels de ontwikkeling van de zwijnenpopulatie.
Op 1 juli is de jacht op de wilde zwijnen van de Veluwe weer begonnen. Maar wat Natuurmonumenten betreft kunnen er veel minder wilde zwijnen worden geschoten dan nu gebeurt, als meteen bij de opening van het jachtseizoen op 1 juli begint met het afschot. Nu gebeurt dat in de meeste gevallen pas aan het eind van het jachtseizoen. Mede daardoor is het aantal wilde zwijnen op de Veluwe de afgelopen jaren flink toegenomen. Het zijn er waarschijnlijk tussen de zes- en twaalfduizend.

Een proef met een gebied zonder afschot kan duidelijkheid geven over de gevolgen ervan op de populatie en de natuur. Zo’n aanpak past bij het natuurlijke beheer dat Natuurmonumenten voert op in haar natuurgebieden op de Veluwe, stelt de organisatie. Om die reden wordt bijvoorbeeld ook in het Deelerwoud aan de zuidkant van de Veluwe sinds 2001 niet mee op edelherten gejaagd.

Als onderdeel van de proef moeten maatregelen worden genomen om aanrijdingen en landbouwschade zo veel mogelijk te voorkomen. De natuurorganisatie wil dit realiseren door snelheidsbeperkingen en goede rasters om en wildroosters bij recreatieterreinen, landbouwenclaves en dorpen. Als zwijnen dan toch nog schade veroorzaken moet de eigenaren daarvoor een goede compensatie krijgen, vindt Natuurmonumenten.

Zie ook in Boomblad:
Dossier everzwijn

Informatie: www.natuurmonumenten.nl

lees meer
2 JULI 2008

BEDREIGDE JENEVERBES HERSTELT

Staatsbosbeheer heeft op de Veluwe de afgelopen maanden meer dan honderd jonge kiemplanten en struiken gevonden van de jeneverbes. Dat is opmerkelijk, want de Nederlandse populatie vergrijst al jaren. Over de oorzaak tasten ecologen in het duister.
Twee jaar geleden was er nog sprake van een vergrijzende populatie van de Juniper communis en stonden ecologen voor een raadsel. Vorig jaar ondekten onderzoekers de eerste tekenen van verjonging in het Overijsselse Springendal, waar een hoge dichtheid jeneverbessen opkwam. Nu volgt daarop de vondst van Staastbosbeheer op de Veluwe. Volgens Staatsbosbeheer zorgt het schonere milieu ervoor dat bepaalde, voor de jeneverbes essentiele schimmels kunnnen overleven.

De jeneverbes staat op de Rode Lijst en komt voor op arme zandverstuivingen en heidevelden. Luchtverontreiniging zorgde er in de jaren 70, 80 en 90 voor dat jonge jeneverbeskiemen niet konden overleven, waarschijnlijk doordat de noodzakelijke schimmels in de bodem waren verdwenen, meldt Staatsbosbeheer. Jeneverbes en schimmels leven van en met elkaar en leveren elkaar de nodige suikers en zouten. De fijne schimmeldraden kunnen voedingsstoffen opnemen die de struik met de dikke wortels nooit kan opnemen.

Het lijkt erop dat de schimmels weer overleven als gevolg van een schoner milieu, en dat de jeneverbes weer kan kiemen en groeien. De gevonden jeneverbessen zijn in een dicht grastapijt ontkiemd, zonder herstelmaatregelen als plaggen of maaien.
Staatsbosbeheer heeft samen met de vrijwilligers van het IVN en de KNNV de jeneverbessen geteld en ontzet van woekerende bomen.


Meer artikelen over de jeneverbes in Boomblad:
Konijnenvirus redt jeneverbes
Organismen als graadmeters van het milieu/ de jeneverbes

Informatie: www.staatsbosbeheer.nl

lees meer
1 JULI 2008

PLANTEN KLIMMEN HOGEROP

Planten verhuizen vanwege de opwarming van de aarde niet alleen naar hogere breedtegraden, maar ook naar hoger gelegen gebieden. Dat blijkt uit Frans onderzoek, gepubliceerd in Science. In de Franse bergen is tweederde van de planten hogerop gegaan, met gemiddeld 29 meter per 10 jaar, om in de optimale temperatuur te blijven verkeren. Door het verschil in snelheid waarmee verschillende planten opschuiven, verandert de samenstelling van de begroeiing.
De Franse biologen vergeleken de leefhoogte van 171 soorten in zes Franse berggebieden in de laatste twintig jaar met die in de periode 1905-1985. Zij concluderen in Science dat de planten gemiddeld 64,8 meter naar boven zijn opgeschoven.

De planten stegen gemiddeld 29 meter per 10 jaar, maar kleinere soorten zoals varens schoven met hun korte reproductiecyclus het snelst op. Planten met een lange reproductiecyclus, zoals bomen, lieten geen duidelijke opschuiving zien. Door hun lange levenscyclus kunnen ze zich minder snel aanpassen aan hogere temperaturen. Daardoor worden volgens de onderzoekers langlevende planten meer bedreigd door klimaatverandering dan planten die snel reproduceren.

Door het verschil in snelheid waarmee de planten opschuiven naar hoger gelegen delen verandert de samenstelling van de begroeiing. Grassen die voorheen in lagere gebieden voorkwamen, staan nu bij bomen op hoger gelegen delen. Dit kan volgens de onderzoekers van invloed zijn op het gehele ecosysteem, vooral op dieren die afhankelijk zijn van specifieke planten.

Informatie: Scientific American, www.klimaatnieuws.nl
Bron: Scientific American

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk