homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

30 JUNI 2008

AMMONIAK BEWEZEN SLECHT VOOR NATUUR

We kunnen er niet meer omheen: de hoge uitstoot van ammoniak is zonder twijfel slecht voor de natuur. Dat staat in een rapport van Alterra, Radboud Universiteit en het Planbureau voor de Leefomgeving, met de resultaten van twintig jaar onderzoek naar het effect van een stikstofoverschot op heide, bossen en graslanden.
Onder de noemer van zure regen was er in de jaren tachtig al veel aandacht voor de invloed van hoge ammoniakconcentraties in de lucht op de natuur. Het heeft vergraste heidevelden, dichtgegroeide vennen en de opmars van braam en brandnetel in de bossen tot gevolg. Beleid sindsdien heeft ertoe geleid dat de uitstoot van ammoniak flink is gedaald. Maar nog lang niet ver genoeg, stellen onderzoekers in het rapport.
Door de hoge uitstoot van ammoniak slaat in veel natuurgebieden een overschot aan stikstof neer. Hierdoor verdrijven stikstofminnende plantensoorten de flora die karakteristiek is voor stikstofarme gebieden. Al in de jaren tachtig signaleerden onderzoekers de eerste veranderingen. Halverwege de jaren negentig maakten ze een tussenbalans op. Nu, tien jaar later, staat ammoniak weer volop in de belangstelling, zegt onderzoeker Hans Kros. ‘Door de aanwijzing van Natura 2000-gebieden zijn we nieuwe verplichtingen aangegaan. Wij wilden daarom een overzicht geven van de huidige stand van zaken en vooral van wat we meer weten dan in 1995.’
Daarbij is de het belangrijkste resultaat dat het harde bewijs eindelijk is geleverd. ‘We weten nu echt zeker dat een teveel aan ammoniak de soortensamenstelling van planten zo verandert dat de biodiversiteit achteruit gaat’, vertelt Kros. Tegelijkertijd is in twintig jaar aangetoond dat maatregelen zoals plaggen of begrazing van heide en uitbaggeren van vennen sommige ecosystemen kan doen herstellen. ‘Maar dit moet wel gecombineerd worden met maatregelen om de uitstoot van ammoniak terug te dringen. Anders is het dweilen met de kraan open’, zegt Kros.
Dat veehouders en sommige politici nog steeds twijfelen aan het nut van maatregelen om de ammoniakuitstoot terug te dringen en de schadelijke effecten tegen te gaan, is dan ook volledig onterecht, stellen Kros en zijn collega’s in het rapport.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

Zie ook: rapport

lees meer
26 JUNI 2008

DALENDE RIVIERBODEM BEDREIGT MOERASNATUUR

De rivierbodem is op sommige plekken in de Gelderse Poort zo ver uitgediept dat de moerasnatuur daar sterk achteruitgaat. Dat blijkt uit een inventarisatie van de Stichting Flora- en Faunawerkgroep Gelderse Poort. Zonder maatregelen zal de voortschrijdende erosie van de rivierbodem lijden tot een blijvend sterke verdroging van de uiterwaarden. Herstel van de moerassige natuurwaarden zal een lastige klus zijn, stelt de stichting.
Sinds de start van de natuurontwikkeling in de Gelderse Poort aan het begin van de jaren negentig is de natuur in de uiterwaarden zowel kwalitatief als kwantitatief vooruitgegaan, concluderen de betrokken onderzoekers in het rapport 'Beschermde habitats In het Natura 2000-gebied Gelderse Poort'.

De grootschalige omzetting van landbouwgronden en het toelaten van de rivierdynamiek heeft geleid tot een gevarieerd en dynamisch natuurgebied, met veel natuurlijke overgangen tussen habitats. ‘Het gebied is volop in beweging, en de ontwikkelingen lijken voor veel habitattypen positief te verlopen’, stelt het rapport. De grootschalige omzetting van landbouwgronden en het toelaten van de rivierdynamiek heeft geleid tot een gevarieerd en dynamisch natuurgebied, met veel natuurlijke overgangen tussen habitats. ‘Het gebied is volop in beweging, en de ontwikkelingen lijken voor veel habitattypen positief te verlopen’, stelt het rapport.

Maar niet voor allemaal. De rivierbodem is in de afgelopen eeuw circa twee meter lager komen te liggen als gevolg van erosie. De oorzaak daarvan is dat het water de afgelopen eeuw in een vast stramien is gelegd en niet meer mocht overstromen. In plaats van kades te eroderen en andere natuurlijk processen die plaatsvinden als het water de vrije loop heeft, moet het water binnen de grenzen blijven, met erosie van de bodem tot gevolg.

Bij ongewijzigd beleid zal de rivierbodem in de komende tachtig jaar nog een meter lager komen te liggen. ‘Als dit proces doorzet in de komende decennia ziet het er slecht uit voor de moerasgebieden in de Gelderse Poort’, stelt de Flora- en Faunawerkgroep.

Op sommige plaatsen, waar het rivierpeil niet hoog genoeg meer is om voor een overstroming te zorgen, is de toevoer van voedselrijk rivierwater daardoor al geruime tijd uitgebleven. Bovendien is door het zakkende waterniveau van de rivier de drainerende werking op uiterwaardplassen en binnendijks gelegen wateren in de afgelopen decennia steeds groter geworden.

Door deze verandering gaat het huidige habitattype moeras snel achteruit. Hoewel het areaal nog groot is, is de soortensamenstelling kwalitatief laag. De watervegetaties zijn in het overgrote deel matig tot slecht ontwikkeld. Alleen de minst kritische waterplanten zijn nog aanwezig. Indicatoren voor kwel en helder, matig voedselrijk water, bijvoorbeeld de Waterviolier, zijn nog maar slecht vertegenwoordigd in de Gelderse Poort.

Een verbetering van de moerasgebieden zou gunstig zijn voor verschillende Habitatrichtlijnsoorten, zoals de grote modderkruiper, de bittervoorn en de kamsalamander. Maar voor behoud en ontwikkeling van dit habitattype zijn grote inspanningen nodig. Gezien het grote belang van de Waal en de Rijn voor de scheepvaart en andere economische activiteiten, achten de onderzoekers de kans echter groot dat de ontwikkelingen onomkeerbaar zijn. Dit maakt ‘het vrijwel onmogelijk om wateren met krabbenscheer en fonteinkruiden duurzaam te ontwikkelen’, waarschuwt de Flora- en Faunawerkgroep.

Informatie: www.geldersepoort.net
Bron: Gelderse Poort

Zie ook: rapport

lees meer
25 JUNI 2008

BIOMASSA EUROPESE BOSSEN VERDUBBELD

Sinds 1950 verdubbelde de biomassa van planten en bomen in Europa. Daarmee hebben de Europese bossen zich in de afgelopen vijftig jaar ontwikkeld tot opslagplaatsen van koolstof. Dat komt doordat het beheer ervan veel duurzamer is geworden, zeggen Europese onderzoekers. Zij doen verslag van een grootschalig onderzoek daarnaar in het wetenschappelijk tijdschrift Nature Geoscience.
Sinds 1950 verdubbelde de staande biomassa in alle lidstaten van de EU. Deze onverwachte groei kan worden toegeschreven aan een combinatie van factoren: herstel van het Europese bos na overexploitatie voor en in de Tweede Wereldoorlog, aanplant van bos, duurzaam bosbeheer en stikstofdepositie. Ook het bemestingseffect door de toegenomen atmosferische CO2-concentratie en de langere groeiseizoenen hebben bijgedragen aan deze spectaculaire groei. Anderzijds bleef de houtoogst relatief constant waardoor de bossen grote hoeveelheden koolstof opslaan.

De Europese bossen nemen een substantieel deel op van de CO2-emissies in Europa, ondanks dat ze intensief gebruikt worden,voor recreatie, bescherming van grondwater, bescherming tegen lawines en houtproductie.
De onderzoekers verwachten dat de relatief jonge Europese bossen de komende decennia nog veel meer koolstof kunnen opnemen, als de houtoogst op het huidige peil blijft.

De afgelopen jaren absorbeerden deze bossen meer dan tien procent van de CO2-emissies in Europa. Als de toegenomen vraag naar biobrandstof leidt tot een intensiever gebruik van de bossen, kan de natuurlijke opslag van koolstof afnemen, waarschuwen de onderzoekers.

Het omvangrijke onderzoek omvatte een analyse van de gegevens van nationale bosinventarisaties over de afgelopen vijftig jaar. In een bosinventarisatie worden op duizenden proefvlakken de diameter en hoogte van de bomen opgemeten. Deze inventarisaties worden elke tien jaar herhaald en stellen onderzoekers in staat om de houtproductie en biomassa te schatten. Aan het onderzoek deden onderzoekers mee uit Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Noorwegen, Finland, Italië, Roemenië en de VS.

Informatie: Persbericht Wageningen UR

lees meer
24 JUNI 2008

OPVALLENDE BLOEM CRUCIAAL VOOR AKKERRAND

Niet ieder bloemmengsel is geschikt voor gebruik ik de bloeiende akkerranden die plagen bestrijden. Dat blijkt uit een publicatie van Alterra in Biological Control. Onmisbaar zijn nectarhoudende bloemen die van een afstandje herkenbaar zijn. Die helpen de natuurlijke vijanden van plaaginsecten, zoals sluipwespen, overleven.
Telers die zonder chemische middelen rupsen, luizen en andere plagen in hun gewassen willen bestrijden, zijn daarbij afhankelijk van de natuurlijke vijanden van de plaaginsecten. De bloemen langs de akkers kunnen die natuurlijke vijanden, zoals sluipwespen, helpen. ‘Ze fungeren als tankstation’, zegt Felix Bianchi van Alterra.
Sluipwespen die vaak nectar kunnen eten tussen het vliegen door, leven langer en parasiteren meer plaaginsecten dan sluipwespen die in een omgeving leven met weinig nectarbronnen, zoals een gangbare akker zonder bloemenstroken. ‘Sluipwespen zullen daar eerder sterven en dat gaat ten kost van de biologische bestrijding.’
Bianchi onderzocht met een simulatiemodel hoe verschillende typen bloemen de biologische bestrijding door sluipwespen in de akker beïnvloeden. ‘We moeten ons realiseren dat het veel uitmaakt welke bloemen er gebruikt worden.’ Hij laat met zijn simulatie zien dat de beschikbaarheid van nectar belangrijk is. ‘Een sluipwesp heeft niks aan een bloem met nectar waar hij niet bij kan.’ De vorm van de bloemen speelt hierbij een grote rol. ‘Sommige bloemen hebben een smalle hals, andere een brede. De architectuur van de bloem bepaalt zo of een sluipwesp bij de nectar kan.’
Daarnaast moet een sluipwesp de bloem kunnen vinden. ‘Voor een succesvolle toepassing van biologische bestrijding is de herkenbaarheid van planten op een afstand van enkele meters zeer belangrijk. Als sluipwespen het tankstation van grote afstand kunnen herkennen is er minder kans dat ze verhongeren in de akker’, verklaart Bianchi.
Bloemen die van grote afstand zijn waar te nemen, zijn zelfs doorslaggevender voor het succes van de bestrijding dan bloemen met veel nectar, concludeert hij. Dit pleit volgens Bianchi voor lokbloemen in een akkerrand. ‘Al is het zelfs maar in een lage dichtheid. Als er vervolgens ook bloemen zijn met veel nectar, vinden ze die wel.’
Welke bloemen precies als lokkertjes kunnen werken, moet nog blijken uit veldproeven. Wel denkt Bianchi dat geur cruciaal is. ‘Sluipwespen gebruiken geur ook om hun gastheren te vinden. Als rupsen van de planten eten, scheiden de planten een stofje af. Zo weten sluipwespen waar de rupsen zich bevinden.’

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
23 JUNI 2008

EIKEN SCHUIVEN OP BIJ HOOGWATER

Doordat de grote rivieren steeds meer water te verwerken krijgen, zullen harde boomsoorten zoals de eik, es en beuk, opschuiven naar drogere gebieden, verder van de rivieren af. Zij blijken slecht bestand tegen water. Onderzoekers van Alterra publiceerden deze bevinding onlangs in Forest Ecology and Management.
Landen in West- en Centraal-Europa zoeken naar ruimte voor het rivierwater, dat door veranderingen in het klimaat steeds vaker buiten de oevers treedt. Omdat de uiterwaarden niet voldoende zijn voor extreme piekmomenten, denkt ook Nederland aan het noodscenario om agrarisch land of natuurgebieden onder water te zetten.
‘Maar de toewijzing van deze retentiegebieden stuit op veel maatschappelijke weerstand’, vertelt Koen Kramer van Alterra. Onder andere omdat de gevolgen voor het landschap in veel gevallen nog onbekend zijn. In samenwerking met Duitse en Franse onderzoekers onderzocht Kramer het effect van overstroming langs de Rijn op de overlevingskansen van verschillende boomsoorten.

In mei 1999 trad de Rijn ver buiten haar oevers in de omgeving van Keulen. ‘Dat was een uitgelezen kans om te zien wat het effect is op verschillende boomsoorten’, zegt Kramer. ‘Soorten met zacht hout, zoals de wilg en de populier, blijken resistent tegen overstromingen. Ook als het water extreem hoog staat.’ Harde boomsoorten daarentegen zijn minder goed bestand tegen het hoge water. ‘Eiken, essen en beuken lopen vooral tijdens het groeiseizoen schade op door overstroming.’ Hierdoor neemt hun kans op sterfte van de bomen toe.
Voor veel van de boomsoorten geldt dat hoe langer de overstroming duurt, hoe groter de schade is. Bij de es en de tamme kastanje blijkt echter vooral de hoogte van de waterstand voor problemen te zorgen. De stroomsnelheid doet er voor geen van de boomsoorten veel toe.

Waardoor de bomen precies sterven, is nog onbekend. ‘We zien vaak dat de bast scheurt. Hierdoor krijgen ziektekiemen en schimmels kans om binnen te dringen.’ Maar er zijn ook andere waarnemingen gedaan, zoals een afname in groei. ‘We weten niet of dit een stressreactie is, of juist een functionele aanpassingsstrategie.’
Ook lopen niet alle boomsoorten met hard hout evenveel schade op. ‘Als kiemplant kan de es beter tegen het water dan de eik, maar als de eik zich eenmaal heeft gevestigd is die wel goed tegen overstroming bestand.’

Door het verschil tussen boomsoorten in reactie op overstroming, treedt er een zonering op langs rivieren. ‘Dichtbij de rivier staan vooral de wilgen en populieren. Verder weg de eik, essen en helemaal bovenop de oeverwal de beuk. Met de klimaatverandering zal deze zone opschuiven’, voorspelt Kramer. ‘De wilg en populier nemen toe langs de rivieren, de hardhoutsoorten nemen af.’

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
20 JUNI 2008

INTENSIEF BEHEER NEKT VELDLEEUWERIK

De oorzaak van de snelle achteruitgang van de veldleeuwerik is terug te voeren naar het intensieve beheer van gras- en akkerbouwlanden. Dat blijkt uit een veldonderzoek van de Vogelbescherming. Legsels gaan vaak verloren door maaien, waardoor de vogels niet toekomen aan de noodzakelijke derde leg. Het totale broedsucces van de veldleeuwerik blijft daardoor ver achter bij dat van zijn soortgenoten in de extensief benutte graslanden, concludeert de Vogelbescherming.
De veldleeuwerik is de laatste jaren sterk achteruit gegaan en staat nu zowel in binnen- als buitenland op de Rode Lijst. Van alle weidevogels is het zelfs de soort die het snelst in aantal achteruit gaat. Om de vogel beter te kunnen beschermen onderzocht de Vogelbescherming de oorzaken en het effect van maatregelen.
Uit het onderzoek blijkt dat extensief beheerde reservaatgebieden de meeste veldleeuweriken herbergen. Daar beginnen de vogels ook al vroeg met broeden, in de eerste week van april, met de piek aan het eind van april. Begin juni is de tweede eilegpiek en laatste legsels starten nog in begin juli.
In de intensief beheerde graslanden en de akkerbouwgebieden komt de eileg later op gang en blijft het aantal broedpogingen bij twee. Er komen ook minder nesten voor in intensieve graslanden, omdat hun nesten worden weggemaaid.

Ook vermoedt de Vogelbescherming dat de jonge vogels in de intensief beheerde graslanden met minder goede voedselomstandigheden te maken hebben, gezien de grotere afstand die oudervogels moeten afleggen om voer voor hun jongen te zoeken. In extensieve graslanden zijn de afstanden van voedselvluchten gemiddeld korter. De kans is groot dat hierdoor de voedselsituatie voor jongen beter is. Dit verschil was echter niet significant voor graslanden. Wel blijkt in extensief beheerde akkerbouwgebieden de conditie van de jongen hoger te zijn dan intensief beheerde gebieden.

De provincies Groningen en Zeeland experimenteren sinds 2006 met de aanleg van veldjes in graanvelden speciaal ter bescherming van de veldleeuweriken. Uit het onderzoek naar het effect van deze leeuwerikveldjes in graanvelden blijkt echter dat de vogels die graanpercelen niet meer gebruiken dan graanvelden zonden de veldjes. De leeuwerikveldjes vervullen dus geen functie voor broeden of foerageren.
Daarentegen leiden graanpercelen met akkerranden waarin diverse bloemen en planten staan, wel tot grotere aantallen leeuweriken. De gebieden met een aanzienlijke oppervlakte aan faunaranden herbergden de hoogste dichtheden aan veldleeuweriken. De meeste voedselvluchten vonden bovendien juist daar plaats. Overigens laten andere vogelsoorten daar geen verandering zien. De kans is dan ook klein dat zij meeprofiteren van beheersmaatregelen voor de veldleeuwerik.

Informatie: www.sovon.nl
Bron: SOVON Vogelonderzoek Nederland

Zie ook: rapport

lees meer
18 JUNI 2008

ZOMERGANS PROBLEEM VOOR NATUURBEHEER

De zomergans is een probleem geworden voor het natuurbeheer. Het oorspronkelijke gejuich bij de terugkeer van de grauwe gans als broedvogel is verstomd. Want behalve aan het boerenland brengen de broedende ganzen ook schade toe aan de natuurgebieden zelf. Dat blijkt uit het artikel ‘De ganzeninvasie’, in het juninummer van Boomblad.
De daling van het aantal rietvogels in Naardermeer en het Vechtplassengebied lijkt het gevolg te zijn van rietvretende ganzen. In De Wieden veroorzaken ganzen aan de vegetatie in het kerngebied, waardoor de zeldzame plantensoorten van diverse verlandingsstadia verdwijnen. In de Baardwijkse Overlaat wordt de sterke achteruitgang van de vinpootsalamander en de speerwaterjuffer vermoedelijk veroorzaakt door de grote Canadese gans, en in de polders nabij de Reeuwijkse Plassen verminderen de schrale vegetatie en de weidevogels, vermoedelijk door de aanwezigheid van honderden broedende brandganzen.
Het zijn maar enkele voorbeelden van de invloed van ganzen op de natuur en de weidevogels. Hard wetenschappelijk bewijs of duidelijke verklaringen zijn er nog nauwelijks. Daarom worden er vele onderzoeken gedaan naar de effecten van het razendsnel groeiende aantal overzomeraars.
Vanwege de schade die optreedt, lijkt ingrijpen tegen de ganzen een logisch gevolg. Eieren prikken of dieren doden is voor natuurorganisaties echter nauwelijks aan de achterban te verkopen. Gevraagd naar hun opvattingen hierover reageren de organisaties dan ook geprikkeld, of blijven stil. Maar duidelijk wordt in het artikel in Boomblad dat de organisaties niet in alle gevallen afwijzend staan tegenover eieren rapen of eieren prikken. Het wordt dan ook in de praktijk op grote schaal toegepast.
Toch is ingrijpen nauwelijks effectief, zelf niet als het gaat om vangen en doden of afschot van de ganzen. Meer perspectief bieden duurzame maatregelen als het ongeschikt maken van het broedgebied en vooral het opsluiten van de jongen. Als de jongen met een raster in het broedgebied gehouden worden zolang ze nog niet vliegvlug zijn, neemt de populatiegroei beduidend af.
Vele lopende onderzoeken moeten antwoorden geven op de vraag welke invloed de grote aantallen zomerganzen hebben op de flora en fauna in Nederland, en op welke manier er met het probleem-zomergans moet worden omgesprongen.

Meer over dit onderwerp in Boomblad 3, juni 2008; De Ganzeninvasie – zomerganzen groeiend probleem voor natuurbeheer

Bron: Boomblad 3, juni 2008

lees meer
17 JUNI 2008

EEN ENKELE HAVIK FRUSTREERT UITZETACTIE

Zeker 5 van de 29 uitgezette korhoenders zijn nog in leven, 10 maanden na het uitzetten in Het Nationale Park De Hoge Veluwe. De sterfte door predatie was met 11 vogels het grootst direct na de uitzetactie in september 2007. Een enkele havik - de toppredator van korhoenders - heeft vermoedelijk geprofiteerd van de uitzetting.
Omdat een groot deel van de gepredeerde korhoenders in de directe omgeving van de uitzetren is gevonden, is er een grote kans dat een enkele havik verantwoordelijk is voor de gedode vogels. Dat blijkt uit de voortgangsrapportage 2007 over de herintroductie van het korhoen.

Waarschijnlijk heeft het uitzetten van verschillende kleine groepjes eerstejaars het predatierisico vergroot. De kleine groepjes zijn voor de havik letterlijk behapbaar.
Veel van de gedode vogels waren nauwelijks opgegeten en enkelen zelfs nauwelijks geplukt. Het lijkt erop dat deze havik rondom de uitzetkooien heeft gewacht om toe te slaan. De ervaringen van het afgelopen jaar zullen leiden tot een iets andere uitzettactiek.

In april 2008 werd een vermoedelijke baltsplaats gevonden waar twee hanen en drie hennen bij elkaar werden gezien. Projectleider Bart Boers noemt de eerste resultaten van het uitzetten van korhoenders positief. De vrees van Faunabescherming dat de gefokte vogels een voor de natuur ongeschikt darmkanaal hebben, blijkt volgens De Hoge Veluwe ongegrond. De Hoge Veluwe hoopt een zichzelf in stand houdende broedpopulatie op te bouwen door het uitzetten een aantal jaren vol te houden met minimaal evenveel vogels als in 2007.

Informatie: www.hogeveluwe.nl


Zie ook: rapport

lees meer
16 JUNI 2008

ALTERNATIEVE EHS GEEFT LYNX RUIM BAAN

Wouter Helmer, directeur van ARK Natuurontwikkeling, wil met het project Missing Lynx een samenhangend netwerk van natuurgebieden realiseren, waardoor alle planten- en diersoorten kunnen meebewegen met het veranderende klimaat. Het netwerk is een alternatief voor de Ecologische Hoofdstructuur, die volgens Helmer zo ver is uitgehold dat hij niet meer zal werken. Helmer wil met zijn project de lynx, met in zijn kielzog vele andere soorten, ruim baan bieden in de Nederlandse natuur.
Helmer stond twintig jaar geleden met de oprichting van Stichting ARK aan de basis van duizenden hectares nieuwe natuur in Nederland, waar bezoekers vrij kunnen rondstruinen. Daarvoor krijgt hij op 24 juni de Natuurprijs 2007 uitgereikt van de Stichting Edgar Doncker. Een klein deel van de prijs, - 25.000 euro - reserveert Helmer voor de Gelderse Poort, de rest - 125.000 euro- stopt in het project Missing Lynx.
Met het project Missing Lynx wil Helmer weer leven blazen in een groen wegennetwerk waarvoor overheid, natuurorganisaties, bedrijfsleven en particulieren gezamenlijk zouden moeten optrekken om het te realiseren. ‘Hoewel we nog niet precies weten hoe groot de gevolgen van klimaatverandering zijn voor de Nederlandse delta, doen we er verstandig aan om alvast te beginnen met de bouw van een hedendaagse ark’, stelt Helmer in zijn projectvoorstel.
Twintig jaar geleden is al een eerste schatting van de benodigde omvang gemaakt. Een samenhangend netwerk van natuurgebieden met een oppervlakte van ongeveer 750.000 hectare, zou een aardige basis opleveren voor een Nederlandse ark. Het plan voor de EHS was geboren. ‘Sindsdien is er veel gedaan om natuurgebieden te ontwikkelen, met elkaar te verbinden en de kwaliteit van de natuur te verbeteren. Maar er is ook heel veel misgegaan’, stelt Helmer. ‘Een reusachtig deel van de ark is opgeëist voor slechts een beperkt aantal soorten; die van het boerenland. En in plaats van schouder aan schouder samen te werken, vechten de grote terreinbeherende organisaties en particuliere grondeigenaren elkaar de ark uit.’
Met de Missing Lynx wil Helmer de natuur in Nederland een nieuwe impuls geven. ‘Want ons land is niet te klein voor die rijkdom. Integendeel. Juist nu je zo vaak hoort dat er in Nederland geen plaats is voor echte natuur, broeden er voor het eerst sinds mensenheugenis weer oehoes, kraanvogels en zeearenden in ons land en leven hier weer wilde katten.’
Het boegbeeld van het project - de lynx - bevindt zich al op een dagmars afstand van Nederland en zal naar Helmers verwachting binnen afzienbare tijd de grens overstappen. Helmer wil zich ervoor inzetten om de lynx, met in zijn kielzog vele andere soorten, ruim baan te bieden in de Nederlandse natuur. Grote predatoren zijn in zijn ogen bij uitstek een geschikte metafoor om af te rekenen met het statische systeem van natuurdoeltypen, waarin een benepen natuurbeeld zichzelf bevestigt. ‘Ze storen zich niet aan landsgrenzen, laat staan aan die tussen natuurorganisaties en particuliere grondeigenaren.’

Informatie: www.donckerstichting.nl, www.ark.eu

lees meer
13 JUNI 2008

OOK NATUUR BEPERKT OPENHEID LANDSCHAP

In sommige gebieden in Nederland is de openheid van het landschap de afgelopen decennia flink afgenomen. Dit komt niet alleen door woningbouw. Ook de aanleg van nieuwe natuur en veranderingen binnen de agrarische sector zijn hier debet aan. Dat meldt het Planbureau voor de Leefomgeving op basis van onderzoek.
In de studie 'Plattelandsontwikkeling en de gevolgen voor het landschap' laten onderzoekers aan de hand van vier casusgebieden zien in hoeverre nieuwe activiteiten op het platteland gevolgen hebben voor de openheid van het landschap. Zij concluderen dat het beleid voor plattelandsvernieuwing - dat nieuwe (economische) activiteiten wil stimuleren - en het beleid gericht op het behoud van het landschap soms op gespannen voet staan met elkaar en op lokaal niveau beter op elkaar kunnen worden afgestemd.

Met name in de overgangszone tussen stad en platteland hebben zich in de afgelopen twintig jaar in de casusgebieden veel veranderingen voorgedaan in (economische) activiteiten, met gevolgen voor het aanzien van het landschap. Maar ook in het resterende buitengebied is de openheid van het landschap soms flink afgenomen. Deze afname wordt niet alleen veroorzaakt door woningbouw maar ook door transformaties binnen de agrarische sector en de aanleg van nieuwe natuur, de zogenaamde 'groene' functies'. Modernisering, schaalvergroting, intensivering en transformatie van de agrarische sector hebben geleid tot onder meer de bouw van grootschalige kassen- en stallencomplexen en de aanleg van boomkwekerijen, en daarmee tot afname van de openheid van het landschap. En de aanleg van nieuwe natuur heeft een grote impact op het aanzien van het landschap omdat de bosschages die hierdoor veelal ontstaan, in de plaats komen van de oorspronkelijke vergezichten.

Vanuit het gezichtspunt van landschapsbehoud is het daarom niet zonder meer te rechtvaardigen dat het landschapsbeleid zich richt op het beperken van rode (woningbouw, bedrijvigheid) en het stimuleren van groene functies (landbouw en natuur). Met het beperken van de rode functies in het landschapsbeleid wordt een mogelijke impuls voor landschapsontwikkeling (door investeringen) over het hoofd gezien.

Informatie: www.ruimtelijkplanbureau.nl
Bron: Planbureau voor de Leefomgeving

Zie ook: rapport

lees meer
12 JUNI 2008

ONDERZOEK PITRUSPROBLEEM GESTART

In veel graslandreservaten overheerst pitrus dermate dat de doelstellingen voor het botanisch beheer en de weidevogels niet worden gehaald. Onderzoeksinstituut Alterra is nu een onderzoek gestart naar de effectiviteit van maatregelen die ongewenste ontwikkeling van pitrus bij natuurontwikkeling voorkomen.
De pitrusproblematiek doet zich met name voor op voormalige landbouwgronden met een overmaat aan fosfaat, stikstof en sulfaat en een gebrek aan ijzer. Om pitrus terug te dringen gaat Alterra in het Geeserstroomgebied drie verschillende inrichtings- en beheersmaatregelen – vernatting, oppervlakkige drainage met begreppeling en afgraving - op hun effectiviteit testen. Het experiment vindt plaats op een areaal van ruim zeshonderd hectare. De ontwikkelingen in de bodem en de vegetatie zullen tijdens het meerjarige experiment worden gevolgd.

Met het experiment hopen de onderzoekers een antwoord te vinden op de vraag onder welke omstandigheden vernatting van voormalige landbouwgronden leidt tot het vrijkomen van ongewenste hoeveelheden fosfaat, wat de effecten zijn van inrichtings- en beheersmaatregelen op de bodemvruchtbaarheid en hoe een ongewenste pitrusontwikkeling kan worden voorkomen.

Onderzoekers van Alterra vermoeden dat pitrus tot kieming komt op voormalige bemeste landbouwgronden met een geringe zuurbuffercapaciteit, wanneer bemesting en bekalking wordt gestopt, bodembeschadiging optreedt, vernatting plaatsvindt en de fosfaatbeschikbaarheid toeneemt. Pitrus zou vervolgens met name door begrazing tot dominantie komen. Maatregelen gericht op verlaging van fosfaatbeschikbaarheid, vergroting van zuurbuffercapaciteit of bekalking, oppervlakkige ontwatering en een frequent maaibeheer zouden pitrusdominantie daarom kunnen voorkomen.

Zie ook het artikel 'In de ban van pitrus – op reportage bij de veldwerkplaats' uit Boomblad 2, april 2008.

Informatie: www.kennisonline.wur.nl
Bron: Alterra

Zie ook: rapport

lees meer
10 JUNI 2008

GPS-MAAIER REDT WEIDEVOGELS

Onderzoekers hebben een GPS-gestuurde grasmaaimachine ontwikkeld, waarmee boeren volledig automatisch om weidevogelnesten heen kunnen maaien. Op 5 juni is een boer in Nijkerk van start gegaan met een prototype. Het streven is om via een vervolgproject binnen vijf jaar een volledig automatische aansturing van zowel trekker als maaimachine in de handel te krijgen.
Voordat de GPS-grasmaaier gebruikt kan worden geeft een vogelvrijwilliger via een palmtop door waar de nesten zich in een weiland bevinden. Ook geeft hij aan om welke weidevogelsoort het gaat en hoe het nest erbij ligt. Als de boer of loonwerker later het gras gaat maaien, krijgt hij via het GPS-apparaat op de trekker een waarschuwing als de maaimachine in de buurt van een nest komt. Ook ziet hij op een schermpje de exacte ligging van het nest.

Het prototype van de machine kan nog niet volledig automatisch de trekker en de maaimachine aansturen. Wel is hiervoor de basis gelegd. De software is zo gemaakt dat in een later stadium een koppeling mogelijk is met een centraal gegevensbestand met weidevogelgegevens van Landschapsbeheer Nederland. Dit heeft voor vrijwilligers die de nestbescherming uitvoeren als voordeel dat gegevens niet nogmaals hoeven worden ingevoerd. Ook is de software zo gemaakt dat in de toekomst een koppeling mogelijk is met het bedrijfsmanagementsysteem van de melkveehouder.

De GPS-gestuurde maaimachine komt voort uit een innovatieproject van het Nationaal Landschap Arkemheen-Eemland. Onderzoekers van Wageningen UR hebben samen met de onderneming Opticrop/Agrovision het idee voor de machineaansturing verder uitgewerkt. De agrarische natuurvereniging Ark & Eemlandschap is nauw betrokken geweest bij de ontwikkeling van de machine.

Informatie: www.stadnijkerk.nl
Bron: De Stad Nijkerk

lees meer
9 JUNI 2008

ENERGIELANDSCHAP LEVERT BIOBRANDSTOF

Groenafval kan dienen als duurzame energiebron, dus waarom planten we dan niet meer bomen? Er zijn landschappen te ontwerpen die meer biomassa opleveren– en dus energie – zonder dat het karakter van het landschap wezenlijk wordt aangetast, laat onderzoeksinstituut Alterra zien. Onderzoekers ontwikkelden daarvoor het model ‘energielandschap’, dat onder meer berekent hoeveel extra energie het aangepaste landschap oplevert.
Om te kunnen voldoen aan de vraag naar groene energie importeert Nederland veel biomassa uit het buitenland. Ondertussen blijven in Nederland strooisel, maaisel en andere restproducten van landschapsonderhoud nutteloos liggen, of worden tegen hoge kosten afgevoerd. ‘Waarom niet van de nood een deugd maken?’, zegt Barry de Vries van Alterra.
De biomassa die vrijkomt uit het onderhoud kan worden gebruikt voor de opwekking van energie. Op dit moment is de vraag naar biomassa nog niet groot genoeg om voor een kostendekkende prijs te zorgen voor landschapsbeheerders. ‘In de toekomst zal de energievoorziening echter in toenemende mate van biomassa afhankelijk zijn’, zegt De Vries.
Het landschap kan het aanbod van duurzame biomassa vergroten, stelt hij met zijn collega’s. Elk groen element kan al bijdragen aan duurzame energie. ‘Zelfs de boom om de hoek.’ Intensiever onderhoud, een extra houtwal of een dubbele rij bomen langs de weg kan de opbrengst aan restproducten verhogen.
De Vries en zijn collega’s maakten een rekenmodel waarmee de gebruiker de extra energie kan berekenen die vrijkomt voor iedere extra aangeplante boom of ander groen landschapselement. Energie à la Carte, noemen ze de methode. Daarmee kunnen straten, landgoederen en erven worden omgezet in ‘energielandschappen’.
De Vries: ‘Het mes snijdt aan twee kanten. Én biomassa voor energie én verfraaiing van het landschap. In een energielandschap haken we zo twee doelstellingen in elkaar.’

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

Zie ook: rapport

lees meer
5 JUNI 2008

NIEUWE WET GEVAAR VOOR EHS

Met de nieuwe wet ruimtelijke ordening die per 1 juli ingaat, loopt de Ecologische Hoofdstructuur gevaar. Dat schrijft het Planbureau voor de Leefomgeving. Gemeenten kunnen per 1 juli namelijk bestemmingsplannen vaststellen die indruisen tegen rijks- en provinciale belangen. Er is geen enkele garantie dat rijk en provincies hiertegen optreden, stelt het planbureau. Strijdige bestemmingsplannen kunnen voortaan alleen nog worden bijgestuurd via de rechter.
Met de nieuwe wet vervalt de provinciale goedkeuring van gemeentelijke bestemmingsplannen. De wet geeft aan dat áls Rijk en provincies hun belangen willen borgen, ze dat op een proactieve wijze moeten doen. Er zijn wel pro-actieve mogelijkheden om strijdige bestemmingsplannen te voorkomen, zoals algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen. Zo kan het Rijk de bescherming van de Nationale Landschappen, in lijn met de Nota Ruimte, borgen via een Algemene Maatregel van Bestuur met daarin een verplichting voor provincies om voor hun Nationale Landschappen een Provinciale Ruimtelijke Verordening op te stellen. Maar het Rijk en de provincies hebben de proactieve instrumenten nog niet gereed, en zullen dat ook niet hebben per 1 juli, stelt het planbureau.
De nieuwe wet op de ruimtelijke ordening maakt overigens een uitzondering voor Natura 2000-gebieden. Voor delen van de EHS die daarmee samenvallen blijft het dus wel mogelijk om aan bestemmingsplannen goedkeuring te onthouden, om Europees beschermde gebieden of soorten te beschermen.

Informatie: www.mnp.nl

lees meer
4 JUNI 2008

WATERKWALITEIT BLIJFT VER ACHTER BIJ DOELEN

De waterkwaliteit in de Nederlandse beken en sloten blijft ver achter bij de doelen. De ecologische doelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water kunnen maar voor de helft worden bereikt in 2027. Dat is veel minder dan tot nu toe werd verwacht. Vooral de meststoffen uit de landbouw blijven het oppervlaktewater zwaar belasten. Dat blijkt uit de onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving.
Door maatregelen als natuurvriendelijk oeverbeheer, aanbrengen van vistrappen en het opnieuw laten kronkelen van beken neemt de ecologische kwaliteit van het water wel degelijk toe. Maar het zal de diversiteit aan waterplanten en vissoorten slechts doen toenemen tot op veertig tot zestig procent van de gestelde doelen. De kwaliteit van -rivieren, grote meren en kanalen – gaat wel voldoende omhoog, mede doordat de rijkswateren ook profiteren van maatregelen die buiten Nederland worden genomen.

Uit de studie blijkt dat het heel moeilijk wordt om meststoffen, vooral fosfaten, in het oppervlaktewater terug te dringen. Door landbouw zijn in het verleden in de bodem grote voorraden opgebouwd, die zelfs na decennia nog langzaam in het water terechtkomen. Dit beïnvloedt de ecologische kwaliteit van het water. Naar verwachting zal in 2027 driekwart van de fosfaten in het oppervlaktewater voortkomen uit landbouwgronden, meldt het rapport.
Zuiveringsmoerassen rond landbouwgebieden kunnen op korte termijn de hoeveelheid fosfaten in het water verlagen, maar hier zijn hoge kosten aan verbonden en de effectiviteit is nog onzeker.

Om te voorkomen dat Nederland door de Europese Commissie in gebreke wordt gesteld, zou Nederland op termijn lagere doelen kunnen formuleren of aanvullende maatregelen treffen, stelt het planbureau. Maatregelen voor de inrichting van beken, vaarten en kanalen blijken daarbij het meest kosteneffectief. Dat geldt ook voor actief visstandbeheer in meren. Voor de rijkswateren zijn de voorgestelde doelen waarschijnlijk wel haalbaar, behalve voor de kustwateren.

Voor het nemen van de bestaande voorgenomen maatregelen is een jaarlijkse stijging van de waterschapslasten met 0,7 procent nodig. Circa een derde van de lastenstijging is het gevolg van extra maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water; de rest volgt uit reeds voorgenomen beleid.

Informatie: www.pbl.nl


Zie ook: rapport

lees meer
3 JUNI 2008

BIOLOGISCHE KLOK KOPPELT TIJD MET PLAATS

Om te overleven moeten zoogdieren weten waar op welk tijdstip voedsel te vinden is, of wanneer op welke plek gevaar dreigt. Hoe dat werkt was nog onbekend. Onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen hebben het vraagstuk doorgrond. Experimenten met genetisch gemodificeerde muizen tonen aan dat een biologische klok een grote rol speelt in de koppeling tussen tijd en plaats. Ze publiceren hun doorbaak op 3 juni in Current Biology.
Om te overleven leren dieren waar ze water vinden in droge tijden, of welke plaatsen ze moeten vermijden, omdat daar bijvoorbeeld gevaar van roofdieren dreigt. Dieren leggen dus een koppeling tussen tijd en plaats. Onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen hadden het vermoeden dat zoogdieren gebruikmaken van een biologische klok om tijd en plaats aan elkaar te koppelen. Het is bekend dat bijen en vogels deze innerlijke klok ook hebben.

Om dit vermoeden te toetsen hebben de onderzoekers muizen in het lab geleerd om tijd aan plaats te koppelen. De onderzoekers gebruikten een constructie met drie gangen, aan het eind waarvan de muizen voedsel konden vinden. Afhankelijk van het tijdstip werd er echter tegelijkertijd met het voedsel een elektrisch schokje toegediend.

De muizen waren al snel in staat om op bepaalde tijden die plaatsen op te zoeken waar voedsel beschikbaar was zonder onplezierige schok. Behalve als hun biologische klok was uitgeschakeld. De onderzoekers hadden bij sommige muizen de genen verwijderd die deze interne klok inschakelen. De genetisch gemodificeerde muizen die het zonder biologische klok moesten stellen, bleken niet in staat om op de juiste momenten in het gangenstelsel hun voedsel te pakken. Daarmee hebben de onderzoekers vastgesteld dat zoogdieren gebruikmaken van de biologische klok bij het tijd-plaats-leren.

Ook mensen leren plaats en tijd te koppelen. Bij heel veel leerprocessen wordt er een onbewuste verbinding gelegd tussen tijd en plaats. De onderzoekers vermoeden dat bij mensen het tijd-plaats-leren op dezelfde manier in zijn werk gaat als bij muizen, omdat beide soorten ruwweg hetzelfde kloksysteem hebben.
Zij willen nu gaan kijken hoe tijd-plaats-leren verandert als muizen ouder worden. Van mensen is bekend dat het vermogen om tijd en plaats te koppelen afneemt als je ouder wordt. Sommige patiënten met alzheimer verliezen op een gegeven moment zelfs geheel hun tijdsbesef. Inzicht in tijd-plaats-leren kan wellicht helpen om dit moment zo lang mogelijk uit te stellen.

Informatie: www.rug.nl

lees meer
2 JUNI 2008

NATUURVRIENDELIJK OEVERBEHEER HELPT KIKKERS

In sloten met natuurvriendelijk oeverbeheer komen meer amfibieën voor dan in ‘gewone’ sloten, blijkt uit onderzoek van de Universiteit Leiden, gepubliceerd in Biological Conservation.
Drie onderzoekers van het Centrum voor Milieuwetenschappen van de Universiteit Leiden onderzochten 42 sloten in het westelijke veenweidegebied, 18 met natuurvriendelijk beheer van slootkanten en 24 zonder. Alle sloten lagen in de buurt van natuurgebieden die rijk waren aan amfibieën zoals groene kikkers. De onderzoekers telden de amfibieën in de sloten en bekeken het effect van het beheer in relatie tot de afstand tot het natuurgebied.
In de natuurvriendelijk beheerde sloten vonden de onderzoekers grotere aantallen en meer soorten amfibieën dan in de controlesloten. Kikkers verspreiden zich vanuit natuurgebieden in het westelijke veenweidegebied makkelijker via sloten met natuurvriendelijk oeverbeheer dan via sloten zonder dit beheer. Natuurgebieden kunnen op die manier een bron zijn voor de biodiversiteit in het omliggende landbouwgebied.

Bron: Boomblad 2, april 2008

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk