homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

30 MEI 2008

GROEI LEIDT TOT GROTE BIODIVERSITEITSVERLIEZEN

Zonder wijzigingen in het beleid ter behoud van biodiversiteit zullen gestelde doelen - stoppen van het verlies in 2010 - niet gehaald worden. De fysieke, sociale en economische verliezen hiervan zullen enorm zijn. Dat staat in een rapport dat Alterra deze week presenteerde voor de Europese Commissie. Er is bijvoorbeel veertien procent extra grond nodig voor de landbouw, om alle monden op de wereld te kunnen voeden, wat ten koste zal gaan van natuurlijke ecosystemen.
Onderzoekers van Alterra onderzochten in opdracht van de Europese Commissie het verlies van biodiversiteit in heden, verleden en toekomst. Uit de studie blijkt dat de internationale doelstellingen - een significante afname van het jaarlijkse verlies en het stoppen van de achteruitgang in 2010 - niet worden gehaald zonder extra beleid. Zelfs niet in 2050.
Bij gelijkblijvende ontwikkelingen zal de bevolkingsgroei verder toenemen tot 9,1 miljard mensen in 2050. Om de monden te kunnen voeden is minstens een verdubbeling van de landbouwproductie nodig. Hiervoor is zeker veertien procent aan extra grond nodig. Dit gaat ten koste van natuurlijk ecosystemen. Schattingen komen uit op 1300 miljoen hectare natuur dat zal verdwijnen tussen 2000 en 2050, om plaats te maken voor intensieve landbouw, biofuels en asfalt. Ook zal het energieverbruik verder toenemen, met gevolgen voor het klimaat. Verder zal de zee worden leeggevist.
Dit alles heeft grote fysieke gevolgen, verwachten de onderzoekers. Biodiversiteit, producten en diensten die ecosystemen leveren gaan voor een groot deel verloren. De regelende, bufferende en beschermende werk van ecosystemen, zoals vastlegging van CO2 en waterzuivering, nemen in grote mate af. Door de afname in hoeveelheid producten die ecosystemen leveren zullen de financiële verliezen in 2050 zijn opgelopen tot 14.000 miljard euro per jaar, oftewel 7 procent van het dan verwachte Bruto Wereld Product.
De sociale gevolgen van dit alles zullen ‘dramatisch’ zijn, voorspelt Alterra. Miljarden mensen zullen kampen met tekorten aan voedsel en water. Met name in ontwikkelingslanden, waar de afhankelijkheid van de ecosysteemdiensten voor de dagelijkse overleving zeer groot is. Maar ook de rijke westerse landen zullen niet aan de sociale gevolgen ontkomen. De aanhoudende afname aan fossiele brandstofvoorraden zal tot een confronterende afhankelijkheid van ecosysteemdiensten leiden.

Informatie: www.alterra.wur.nl


Zie ook: rapport

lees meer
29 MEI 2008

SPECHT INDICATIE VOOR VOGELRIJKDOM

Als er veel spechten voorkomen in een bos, zal dat bos ook rijk zijn aan andere bosvogelsoorten. Dat blijkt uit Canadees onderzoek, gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Biological Conservation. Daarmee kan de specht dienen als een makkelijk en betrouwbaar te monitoren indicator voor de vogelrijkdom in bossen.
Het was al bekend dat spechten op de schaal van landschappen een aanwijzing zijn voor het voorkomen van andere bosvogels. Canadese biologen ontdekte na onderzoek in British Columbia dat dat ook geldt voor kleinschaligere bospercelen.
De vogelrijkdom is af te lezen aan het voorkomen van spechten in de bospercelen. Tenzij er een insectenplaag is. Spechten reageren anders op de aantasting van bossen door insecten, dan andere bosvogels: de aantasting van pijnbomen door pijnboomkevers bleek negatief uit te werken voor de specht, terwijl andere vogels er geen last van hadden
Bossen met veel boomsoorten blijken veel bosvogels te trekken, maar is de dichtheid aan naaldbomen hoog, dan neemt de vogelrijkdom af. Dat betekent dat ook het bosbeheer een invloed heeft op de vogelrijkdom.

Bron: Boomblad 2, april 2008

lees meer
27 MEI 2008

NEDERLANDSE NOORDZEEKUST 'ONGEREPT'

De helft van de wereldzeeën is aangetast door de mens, maar de Nederlandse Noordzeekust is relatief ongerept, concludeerden onderzoekers in Science. Zeebiologen van het NIOZ zijn verbaasd.
De aantasting van de wereldzeeën is ernstig. Bijna de helft is aangetast en in bijna veertig procent is sprake van een ernstige aantasting van het ecosysteem. Dat concluderen marien biologen uit Amerika en Canada na modellering van de gevolgen van zeventien menselijke activiteiten, zoals visserij, scheepvaart, oliewinning, klimaatverandering en afvallozing, op de kwaliteit van de wereldzeeën. Ze publiceerden hun analyse in Science op 15 februari.
Opvallend is dat de Nederlandse kust relatief ongerept is. Volgens Ben Halpern van de Universiteit van California, projectleider van de studie, komt dat doordat de opwarming van het water een belangrijke factor is in de modellering, terwijl dat in de Noordzee vanwege de geringe diepte en de zanderige bodem juist niet zo belangrijk is.
Nederlandse experts van het NIOZ betwisten de resultaten voor de Noordzee. De scheepvaartroute langs de Noordzeekust is een van de drukste ter wereld, er wordt druk gevist, en de stijging van de watertemperatuur heeft juist grote gevolgen voor de visstand. Deze factoren zijn onderbelicht in het onderzoek uit Science, vinden de onderzoeker van het NIOZ.

Bron: Boomblad 2, april 2008

lees meer
26 MEI 2008

VERDROGING MINDER ERNSTIG DAN GEDACHT

De verdroging in Nederland is minder erg dan gedacht. De grondwaterstand wordt vaak te laag ingeschat, omdat er met de verkeerde meet- en rekentechnieken wordt gewerkt. Hydrologen van Alterra werken nu aan nieuwe rekenmethodes. Dat betekent echter niet dat de verdroging niet ernstig is. Wel kunnen lokale maatregelen om verdroging tegen te gaan minder noodzakelijk, minder effectief of te duur zijn.
Al in 2006 publiceerden drie hydrologen van Alterra in het vaktijdschrift H20 de opzienbarende conclusie dat de verdroging minder erg is dan gedacht, omdat er met de verkeerde meet- en rekentechnieken werd gewerkt. Later rekenden zij uit dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand en de gemiddelde laagste grondwaterstand globaal respectievelijk 30 en 45 centimeter te laag zijn geschat, al blijken die verschillen overal in Nederland anders uit te vallen.

Nu blijkt dat deze te lage inschatting ingrijpende gevolgen kan hebben. Buffergebieden rondom natuurgebieden hoeven bijvoorbeeld dankzij de hogere grondwaterstand minder groot te zijn, terwijl hydrologische maatregelen om gebieden te vernatten minder rigoureus hoeven te zijn. Ook kan het gebeuren dat het effect van waterwinning op de grondwaterstand verkeerd wordt geschat, wat gevolgen heeft voor de compensatie die boeren daarvoor krijgen.

De te lage inschatting van de grondwaterstand komt doordat er te weinig rekening is gehouden met de gelaagdheid van de bodem. Die is in Nederland overal anders, waardoor de te lage inschatting van de grondwaterstand overal anders uitvalt. De hydrologen van Alterra werken aan nieuwe rekenmethodes die de invloed van de bodem wel meenemen. Daarmee kan meer doelgericht en efficiënt worden gewerkt aan de verdroging, dus ook rekening houdend met de lokale omstandigheden.

Informatie: www.alterra.wur.nl
Bron: Boomblad 2, april 2008

lees meer
22 MEI 2008

ACHTERUITGANG BIODIVERSITEIT STOPT NIET IN 2010

Nederland kan de Europese afspraak om het verlies aan biodiversiteit te stoppen in 2010 hoogstwaarschijnlijk niet nakomen. 15 tot 45 procent van de soorten komt daarvoor nog leefruimte tekort, ondanks dat de laatste twintig jaar de afname aan natuurgebieden is gestopt, door beschermende maatregelen.
De lidstaten de Europese Unie zijn overeengekomen de achteruitgang van de biodiversiteit per 2010 te stoppen. Het Planbureau voor deLeefomgeving heeft nagegaan welke voortgang Nederland daarin heeft gemaakt. De achteruitgang in biodiversiteit neemt in Nederland de laatste jaren geleidelijk af, doordat het milieu- en natuurbeleid vruchten begint af te werpen. Zo blijkt verminderde vermesting en verzuring een positief effect te hebben op het verlies aan biodiversiteit.

Desondanks neemt het aantal bedreigde soorten toe, en veel soorten die internationaal van belang zijn nemen af. Het gaat vooral om soorten die afhankelijk zijn van grote gebieden. De versnippering is het hevigst in moerasgebieden, beken en meren. Dat blijkt uit het rapport Halting biodiversity loss in the Netherlands, dat het Planbureau voor de Leefomgeving op dinsdag 20 mei presenteerde tijdens de ‘9th Conference of the Parties (COP 9) to the Convention on Biological Diversity (CBD)' in Bonn.

Vooral de minder kwetsbare plant- en diersoorten gaan vooruit, maar de meest kwetsbare gaan juist achteruit. Het aantal soorten op de Rode Lijst is toegenomen. Vooral in heide, grasland en landbouwgebied gaat de biodiversiteit nog achteruit. Bossen en duinen laten verbetering zien.

Informatie: www.pbl.nl


Zie ook: rapport

lees meer
21 MEI 2008

PREDATIE LEIDT TOT LICHAMELIJKE AANPASSINGEN

Predatiedruk leidt bij kanoeten en steenlopers – en daarmee vermoedelijk bij meer steltlopers- tot lichamelijke veranderingen. De dieren passen de verhouding vliegspier/lichaamsgewicht zodanig aan, dat ze makkelijker kunnen ontkomen. Dat blijkt uit promotieonderzoek van Piet van den Hout aan de Rijksuniversiteit Groningen.
De kanoet Calidris canutus canutus verblijft ´s winters in Mauritanië. Een deel van de kanoeten, vooral jonge dieren, foerageert er dicht bij de kust. Daar worden zij belaagd door valken, die verrassingsaanvallen doen vanuit de heuvels rondom de wadplaten. Van den Hout ontdekte dat deze belaagde dieren schichtiger én lichamelijk anders zijn, dan de dieren die verder landinwaarts foerageren en niet belaagd worden. De dieren hebben in verhouding tot hun lichaamsgewicht een grotere vliegspier dan de oudere.

Om te achterhalen of dat inderdaad het gevolg is van de predatiedruk, deed de promovendus bij het NIOZ op Texel een proef met kanoeten en steenlopers. Een week lang liet hij elke dag één keer een opgezette roofvogel over de vogels vliegen. Voor en na de week werden gewicht en vliegspiergrootte gemeten. De kanoet had zijn vliegspier niet sterk vergroot, maar was lichter geworden, terwijl de steenloper hetzelfde gewicht had gehouden maar de vliegspier vergroot.

Het verschil in aanpassing tussen kanoet en steenloper is verklaarbaar. De kanoet moet het hebben van groepsgewijze ontsnappingen, door als één dichte, wendbare bal door de lucht te scheren. Rovers pakken de dieren die net buiten de ‘bal’ komen doordat ze minder wendbaar zijn. Gewicht gaat ten koste van de wendbaarheid.
Steenlopers zijn meestal op zichzelf aangewezen; snel accelereren is dan het slimst en daarvoor is een grote vliegspier nodig.

Bron: Boomblad 2, april 2008

lees meer
20 MEI 2008

‘OVERAL WEIDEVOGELS BESCHERMEN IS ZINLOOS'

‘Overal een beetje aan weidevogelbescherming doen heeft geen zin.’ Dat zegt weidevogelexpert Hans Schekkerman, op basis van onderzoek waarop hij binnenkort promoveert. ‘Concentreer het weidevogelbeheer in open gebieden die landschappelijk verder ook voor weidevogels in orde zijn. Doe het dus op een kleiner oppervlak, maar dan wel intensiever.’
Het onderzoek van Hans Schekkerman naar het afnemende broedsucces van grutto’s wijst uit dat dit met name veroorzaakt wordt door een sterk toegenomen kuikensterfte. Eenvoudige maatregelen als nestbescherming en het uitstellen van maaidatums blijken niet meer voldoende om hun overlevingskansen te vergroten. De maatregelen voor weidevogelbeheer moeten daarom flink wat intensiever én veelomvattender worden, concludeert Schekkerman. Hij promoveert op 26 mei 2008 aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Gecombineerde beheersmaatregelen, zoals later maaien op meer percelen, het beperken van de mestgift, zodat het gras niet te dicht wordt en een hogere waterstand, waardoor de grasgroei niet te vroeg op gang komt, kunnen de overlevingskans van foeragerende kuikens vergroten. Maar deze maatregelen zijn moeilijk te verenigen met de moderne melkveehouderij. Schekkerman pleit daarom voor intensief beschermingsbeheer op kansrijke percelen.

Veranderingen in het klimaat verergeren die problematiek . Schekkerman: ‘Sinds de jaren tachtig wordt het merkbaar warmer in de winter en het voorjaar. De boeren kunnen in het voorjaar hun eerste snede gras twee tot drie weken eerder binnenhalen dan tevoren. Zodoende valt de eerste maaibeurt nu vaak precies samen met het moment - ergens half mei - dat gruttokuikens uit hun ei kruipen. En in niet-gemaaid land zitten nou eenmaal al gauw twee tot drie keer zoveel insecten,’ aldus Schekkerman. Die zijn cruciaal voor het gruttokuiken. Grutto’s behoren tot de zogenaamde nestvlieders, en scharrelen vanaf dag één zelf hun eten bij elkaar. Door zo’n actieve manier van opgroeien hebben de kuikens ongeveer veertig procent meer voedsel nodig dan vogeljongen die door hun ouders in het nest worden gevoerd.
‘In de praktijk zie je kuikens dan ook meteen naar ongemaaid land verhuizen, als dat er is tenminste.’ Opvallend genoeg hebben grutto’s hun broedmoment de afgelopen twintig jaar niet aangepast aan de klimaatverandering. Veel niet-gemaaid grasland is daardoor al te hoog en dicht geworden om in te foerageren, wanneer de kuikens uitkomen.

Zie ook het artikel over het onderzoek van Hans Schekkerman in Boomblad:
De vrije val van de grutto
Meer Boombladnieuws over de grutto
Grutto te redden met kuikenland
Grutto wordt bleker

Informatie: www.rug.nl

lees meer
19 MEI 2008

MINDER BOSSOORTEN DOOR GEBREK AAN RUIMTE

Het is onmogelijk het biodiversiteitverlies in de Nederlandse bossen tegen te gaan, vanwege een gebrek aan ruimte voor de belangrijkste diersoorten die in het Nederlandse bos thuishoren. Alleen als er op grote schaal ruimte wordt geschapen voor natuurlijk bosherstel in Nederland, kan Nederland aan de Europese afspraken voldoen, stellen de schrijvers van het evaluatierapport van de Global Forest Coalition.
Nederland is volgens het internationale Biodiversiteitsverdrag verplicht zich in te zetten voor herstel van natuurwaarden in zijn bossen. Het evaluatierapport concludeert dat Nederland zich weliswaar inspant om aan de verplichtingen van het Biodiversiteitsverdrag te voldoen, maar dat de biodiversiteit van de bossen desondanks nog zwaar bedreigd is. Volgens het rapport zal het bij ongewijzigd beleid onmogelijk zijn om aan de in Europees kader gemaakte afspraak te voldoen om per 2010 verder biodiversiteitverlies te stoppen. Met name het gebrek aan ruimte voor de belangrijkste diersoorten is daar debet aan.

Het afbouwen van de landbouwsubsidies in het kader van de hervorming van het Europees landbouwbeleid zou ruimte kunnen scheppen voor grootschalig herstel van het Nederlandse bos op voormalige landbouwgronden. Voorstellen om op grote schaal biobrandstoffen te gaan produceren zouden de ruimte voor bos echter drastisch inperken.

Het rapport is één van de 22 landenevaluatierapporten die tijdens de komende Biodiversiteitconferentie door de Global Forest Coalition worden gepresenteerd. De rapporten concluderen dat er over het algemeen nog te weinig besef is van het belang van natuurwaarden in bossen. Bossen worden nog steeds op grote schaal vervangen door boomplantages en monoculturen voor onder meer de productie van biobrandstoffen. Er zijn ook veelbelovende ervaringen met bosbehoud, met name in bossen die door inheemse volkeren beheerd worden. Inheemse volkeren worden echter nog nauwelijks bij nationaal en internationaal bosbeheer betrokken.

Informatie: www.globalforestcoalition.org, www.wix.nl
Bron: WIX, GFC

lees meer
15 MEI 2008

EIKENPROCESSIERUPS IN 2020 IN HEEL NEDERLAND

Deze eikenprocessierups, die nu alleen nog in het zuiden en midden van Nederland voorkomt, zal waarschijnlijk in 2020 in het hele land voorkomen. Dit blijkt uit onderzoek van Wageningen Universiteit voor De Natuurkalender. In 2020 is de zomertemperatuur in het noorden van het land geschikt voor de rups, die zich met de klimaatverandering uitbreidt naar het noorden.
De processierups werd in 1991 voor het eerst in het zuiden van Brabant aangetroffen en breidt zich sindsdien verder uit naar het noorden. Deze uitbreiding komt overeen met de verschuiving die bij veel warmteminnende soorten is waargenomen in de afgelopen jaren.
Alexander Oudenhoven van Wageningen Universiteit onderzocht als afstudeervak in hoeverre weersomstandigheden de veranderingen kunnen verklaren heeft. Hiervoor heeft hij waarnemingen van Alterra, De Natuurkalender en De Vlinderstichting geanalyseerd, en de weersomstandigheden in de gebieden waar de rups is aangetroffen, vergeleken met de omstandigheden in de gebieden waar de rups niet gemeld is.

Uit het onderzoek blijkt dat de temperatuur in de maanden april, mei, juni, juli, september en oktober significant hoger ligt in de gebieden waar de rups is aangetroffen. Dit zijn vooral de maanden waarin de rupsen uit de eieren komen en zich ontwikkelen. In september en oktober vliegen de motten uit en vindt de voortplanting plaats. Verder blijkt dat de neerslag in september in de gebieden waar de rups wordt aangetroffen beduidend lager ligt dan in de overige gebieden. Veel regen gedurende de vliegperiode heeft blijkbaar een negatief effect op de voortplanting.

De gemiddelde zomertemperatuur waarbij de eikenprocessierups voorkomt is 17,6 graden Celsius. Uit vier klimaatscenario’s van het KNMI blijkt dat het klimaat in het noorden van het land in 2020 geschikt wordt voor de eikenprocessierups. Dan zal de gemiddelde zomertemperatuur naar verwachting uitkomen tussen de 16,6 en 17,6 graden.
Momenteel ligt de gemiddelde zomertemperatuur in het noorden van het land op 16,7 graden, in 2050 komt de gemiddelde zomertemperatuur, afhankelijk van het scenario, uit tussen de 17,0 en 19,0 graden. Op basis van de klimaatscenario’s lijkt het dus zeer waarschijnlijk dat de eikenprocessierups in de komende tien jaar in het hele land zal voorkomen. Gemeenten in het noorden van het land dienen de komende jaren dus ook alert te zijn.


Dit jaar start de Natuurkalender met een test om het informatiesysteem beschikbaar te maken voor gemeentelijke groenbeheerders. Zodra een melding van een eikenprocessierups wordt gedaan binnen een gemeentegrens, krijgt de groenbeheerder automatisch een melding per email. Er kunnen dit jaar tien tot twintig gemeenten meedoen.
Indien u eikenprocessierupsen ziet dan verzoekt De Natuurkalender u de melding door te geven via
www.natuurkalender.nl/inloggen.asp

Informatie: www.natuurbericht.nl
Bron: De Natuurkalender

lees meer
14 MEI 2008

VOGELBESCHERMING PLEIT VOOR KERNGEBIEDEN

Vogelbescherming Nederland wil dat er kerngebieden voor weidevogels worden aangewezen, om een einde te maken aan de ernstige achteruitgang van de weidevogelstand. De organisatie doet verder een dringend appel aan overheid en terreinbeheerders om bewuster te kiezen voor het behoud van de weidevogels.
Hoewel de overheid zich in 2006 tot doel stelde de achteruitgang van de weidevogels in 2010 gestopt en gekeerd te hebben, lopen de weidevogelaantallen twee jaar voor deze deadline nog steeds terug, stelt Vogelbescherming Nederland. De organisatie roept daarom de overheid en terreinbeheerders op de weidevogel centraal te stellen in hun beleid en sterker te sturen op resultaten.

Vogelbescherming wil bovendien dat er kerngebieden voor weidevogels worden aangewezen. Dit zijn gebieden waar de wensen van de weidevogels maatgevend zijn voor het beheer en waar nog grote aantallen weidevogels aanwezig zijn. De overheid zal de boeren in deze gebieden financieel moeten helpen, zodat de bedrijfsvoering die optimaal op weidevogels is afgestemd rendabel wordt. Daarnaast zullen boeren en terreinbeheerders op gebiedsniveau moeten samenwerken aan een ideaal weidevogellandschap.

Weidevogels horen van oudsher bij het Nederlandse landschap, maar de aantallen zijn de afgelopen jaren sterk teruggelopen, aldus de organisatie. Vooral de grutto, kievit en veldleeuwerik hebben het moeilijk. Het aantal grutto’s halveerde in dertig jaar tijd, het aantal veldleeuweriken nam zelfs met negentig procent af. Ook in andere landen gaat het niet goed met de weidevogels. Omdat Nederland een sleutelpositie heeft – zeventig procent van de grutto’s broedt in Nederland – draagt Nederland internationaal een grote verantwoordelijkheid om de vogels te beschermen.

Zie ook:
Botanisch beheer biedt kansen voor weidevogels
Weidevogel wil hoge waterstand
Grutto te redden met kuikenland

Informatie:
Brochure: Appèl Kiezen voor weidevogels

lees meer
13 MEI 2008

WEINIG BELANGRIJKE SOORTEN IN LAAGVEEN

Het Nederlandse laagveengebied bevat weinig internationaal belangrijke soorten. Dat is opmerkelijk, want het landschapstype is internationaal bijzonder zeldzaam. Dat meldt het Milieu- en Natuurcompendium, op basis van cijfers van FLORON, SOVON, VZZ, De Vlinderstichting en EIS-Nederland.
De laagveengebieden zijn alleen voor libellen en sprinkhanen van belang uit internationaal oogpunt. Verwacht zou worden dat er meer internationaal belangrijke soorten zoals hogere planten, vogels, zoogdieren, dagvlinders en krekels aanwezig zouden zijn. Ook zeekleigebieden hebben betrekkelijk weinig internationaal belangrijke soorten. Uitzondering zijn enkele delen die voor broedvogels van belang zijn.

De concentratie internationaal belangrijke soorten is het hoogst in de duingebieden en op de hogere zandgronden in Zuid-Limburg, en in mindere mate ook in het rivierengebied. Dit geldt het meest voor hogere planten en andere diergroepen dan broedvogels.

Soorten zijn internationaal belangrijk als ze zijn opgenomen in de bijlagen van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn of de IUCN-Rode Lijst van Europa, of als Nederland een belangrijke positie inneemt binnen het verspreidingsgebied van de soort.

Informatie: www.milieuennatuurcompendium.nl

lees meer
9 MEI 2008

SCHADEBEDRAG WINTERGANZEN TOEGENOMEN

De schade die overwinterende ganzen in ons land aan landbouwgewassen veroorzaken is in 2007 gestegen. Dit komt volgens het Faunafonds onder andere door hogere drogestofprijzen en de stijging van de graanprijzen. Mogelijk is ook het aantal ganzen toegenomen, meldt het Faunafonds in zijn jaarverslag over 2007.
In totaal heeft het Faunafonds voor zes miljoen euro aan tegemoetkomingen in de schade door beschermde diersoorten uitbetaald. Hierbij is inbegrepen een bedrag van ruim 788.000 euro dat in het kader van de ganzenopvangregeling voor overwinterende ganzen als schadecomponent is uitgekeerd.
44 procent van de overwinterende ganzen verblijft in de aangewezen foerageergebieden. Of 80.000 ha opvanggebied voldoende is valt op basis van één onderzoeksjaar nog niet in te schatten, stelt het Faunafonds.

Om de schade binnen de perken te houden doen de Directie Kennis van LNV, Alterra en Sovon onderzoek naar overwinterende kolganzen en grauwe ganzen. Uit een tussenrapportage blijkt dat ganzen een ‘lerend’ vermogen hebben. Door actieve verjaging te combineren met rustgebieden concentreren de ganzen zich in de opvanggebieden, stelt het Faunafonds. Met deze aanpak, zo meent LNV, kan de landbouwschade worden beperkt en wordt tevens voldaan aan de internationale verplichting om de duurzame instandhouding van ganzen en smienten te garanderen. Verder wordt met dit beleid beoogd de polarisatie tussen boeren en jagers enerzijds en natuurorganisaties anderzijds over jacht, beheer en schadebestrijding te verkleinen.
Uit de tussenrapportage blijkt volgens het Faunafonds dat het draagvlak redelijk is, maar aanmerkelijk verschilt over het land. In het noorden is de deelnamebereidheid ongeveer 95 procent, terwijl in de zuidwestelijke provincies die bereidheid 65 procent is.

Opvallend is verder dat uit het jaarverslag blijkt dat de schade door edelherten op de Veluwe plaatselijk sterk is gestegen, doordat het aantal edelherten lokaal sterk is toegenomen. Ook de schade die damherten in Zeeland en Gelderland veroorzaken hoger dan in 2006. De stijging van het bedrag dat aan tegemoetkomingen voor schade door wilde zwijnen is uitbetaald, wijt het Faunafonds aan het overgangsbeleid dat in zogenoemde nulstandsgebieden is toegepast.

Informatie: www.faunafonds.nl


Zie ook: rapport

lees meer
8 MEI 2008

MINDER KORHANEN OP SALLANDSE HEUVELRUG

Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer hebben dit voorjaar twaalf korhanen en minimaal twaalf hennen geteld in Nationaal Park De Sallandse Heuvelrug. Dat betekent een lichte daling ten opzichte van voorgaande jaren. Na de piek van 23 hanen in 2006, werden in 2007 15 hanen geteld. De geringe daling van 2008 is wat teleurstellend, maar het past in de fluctuaties van de afgelopen decennia, aldus Natuurmonumenten.
Doordat de populatie nog steeds klein is, is de invloed van het weer bijvoorbeeld groot in de periode dat de kuikens opgroeien. Er is dan ook geen aanleiding om te wanhopen volgens de natuurorganisatie. Uit onderzoek in 2007 door Alterra blijkt dat de Sallandse populatie korhoenders vitaal is, maar kwetsbaar blijft, aldus Natuurmonumenten. Daarom gaan de natuurorganisaties hun heidebeheer beter afstemmen op de behoeftes van het korhoen.

Korhoenonderzoeker Paul ten Den heeft er vertrouwen in dat het toegespitste heidebeheer vruchten af zal werpen. De belangrijkste maatregelen zijn het vergroten van de variatie in het heidegebied door een kleinschalige aanpak. Hoe meer afwisseling van hoge, oude heidestruiken en lage, jonge heideplantjes, des te meer insecten er in het gebied kunnen leven. Korhoenkuikens eten de eerste weken uitsluitend insecten. Ruigere stukken en ook kruiden zijn van belang als voedselbron voor volwassen korhoenders en voor de kuikens vanaf twee weken oud. Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer gaan daarom kleinschalig te werk. Plaggen bijvoorbeeld gebeurt niet meer in grote stroken, maar met enkele vierkante meters tegelijk. De scherpe overgangen tussen bos en heide worden geleidelijker gemaakt. Behalve het korhoen profiteren ook boomleeuwerik, nachtzwaluw, roodborsttapuit, vlinders en libellen, zandhagedis, gladde slang en ree van deze aanpak.

Naast het specifieke heidebeheer, is het van groot belang te werken aan verdere uitbreiding van het leefgebied van de korhoenders, menen de gebiedsbeheerders. Volgens buitenlandse korhoenonderzoekers is dat een absolute voorwaarde voor instandhouding van de populatie.

Zie ook:
Het laatste bastion
Kansen voor Nederlandse korhoen

Informatie: www.natuurmonumenten.nl
Bron: Natuurmonumenten

lees meer
6 MEI 2008

GROTERE WINDMOLENS VERSTOREN LANDSCHAP

De overheid wil de Nederlandse energievoorziening ‘vergroenen’ door de hoeveelheid windenergie te verdubbelen. De invloed van extra windmolens op het Nederlandse landschap zou daarbij zo beperkt mogelijk moeten zijn. Maar de nieuwste generatie windturbines valt ruim boven de normaal in het landschap voorkomende hoogten, wat de landschapsbeleving verstoort.
Het aantal windturbines is sinds 1986 sterk gestegen van bijna nul tot meer dan 1800. De nieuwste generatie windturbines is veel hoger dan de eerste generatie. Het voordeel daarvan is dat ze niet meer dicht bij zee geplaatst hoeven worden. De hoeveelheid wind is in hogere luchtlagen voldoende om windmolens ook in het binnenland rendabel te maken. Ook hebben de nieuwe, hoge windmolens een veel groter vermogen dan eerdere types. Groot nadeel van de hoge windmolens is echter dat je ze tot op grote afstand kunt zien.

De meeste objecten in ons landschap zijn niet veel hoger dan ongeveer 25 meter. Alleen flats, hoogspanningsmasten en fabrieksschoorstenen zijn hoger. De windturbines die op dit moment in Nederland geplaatst worden, hebben een masthoogte van 70 meter met een rotordiameter van 90 meter, en leveren een vermogen van 2,5 MegaWatt. De nieuwste generatie windturbines valt ruim boven de 'normaal' voorkomende hoogten in het landschap. Op dit moment zijn er al windturbines op de markt met een ashoogte van 120 meter en een rotordiameter van 124 meter. Omgevingswetenschappers stellen dat windturbines die 100 meter of hoger zijn 'schaalverwarring' veroorzaken. Omdat de waarnemer de afstand en de hoogte niet goed in kan schatten, leveren opstellingen van windturbines snel een een chaotisch beeld op.

Het ministerie van VROM denkt er momenteel over windturbines te concentreren in windmolenparken met daaromheen open landschap. Naast effecten op het landschap zijn er echter ook effecten op vogels te verwachten. Vogelsterfte kan oplopen door aanvaringen met windmolens, of vogels moeten omvliegen, omdat ze een windmolenpark als barrière zien. Omdat er nog veel onduidelijk is over de precieze effecten is het de bedoeling dat de effecten op vogels van het windmolenpark Eemshaven, Emmapolder intensief gemonitord worden. Aangezien het windmolenpark nog in aanbouw is, kan het nog wel even duren voordat er gegevens over zijn.

Zie ook:
Windturbines geen Hollands glorie
Beleving windmolens onbekend

Informatie: www.milieuennatuurcompendium.nl, www.waddenvereniging.nl
Bron: Milieu- en NatuurCompendium en Waddenvereniging

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk