homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

29 APRIL 2008

ANIMO AGRARISCH NATUURBEHEER DAALT

Door een hogere melkprijs zullen minder melkveehouders kiezen voor agrarisch natuurbeheer. Het is zelfs de verwachting dat hun deelname aan natuurbeheer met twintig tot veertig procent afneemt als de vergoeding voor landschapsbeheer ongewijzigd blijft. Dit blijkt uit een analyse van onderzoeksinstituut LEI. Melkveehouders vormen de belangrijkste groep agrarische natuurbeheerders.
Boeren nemen op vrijwillige basis deel aan agrarisch natuurbeheer en ontvangen daarvoor vergoedingen, die gebaseerd zijn op inkomstenderving.
Nu de melkveehouders ondanks de stijgende voerprijzen meer kunnen verdienen met de productie van melk, is de animo voor natuurbeheer minder. Bovendien zal ook grond van zoogkoeien- en andere graasdierbedrijven mogelijk gebruikt worden door melkveebedrijven. Aanpassing van de vergoeding voor agrarisch natuurbeheer met circa honderd euro per hectare kan voor een nieuwe balans zorgen.

Informatie: www.lei.wur.nl
Bron: LEI

Zie ook: rapport

lees meer
28 APRIL 2008

INGREPEN VERSTERKEN MAASNATUUR

Dankzij een goede afstemming tussen de buurlanden wordt de Grensmaas maximaal hersteld als natuurlijk riviertraject, binnen de grenzen van de veiligheid, concludeert het Belgische natuuronderzoeksinstituut INBO in een voorspellende effectenstudie. De versterking van de natuurwaarde betekent voor een aantal doelsoorten, zoals de rugstreeppad, vooruitgang. Voor enkele soorten, waaronder de otter, blijft het gebied echter ongeschikt.
Het zuidelijke deel van het Grensmaasgebied ondergaat zowel aan Nederlandse als Belgische zijde flinke ingrepen om het water van de Maas weer meer haar gang te laten gaan. Met het vormen van brede zomerbedden en geleidelijke oevers ontstaat nieuwe natuur. Deze versterkt de reeds bestaande natuurgebieden in grote mate. Dat blijkt uit een effectenonderzoek van INBO.

De versterking van de natuurwaarden betekent voor een aantal doelsoorten vooruitgang, waaronder de rivierdonderpad, kleine plevier, rugstreeppad, zwarte populier, boomkikker, kamsalamander en vingerhelmbloem. Tegelijkertijd blijft het Grensmaasgebied voor een aantal soorten nog onvoldoende geschikt of groot, volgens het INBO. De otter, visdief, paap en bruine kiekendief blijven het moeilijk houden. Voor deze soorten is een goede aansluiting met aangrenzende gebieden in de Maasvallei en de boven- en benedenstroomse Maas van groot belang, concludeert het Vlaamse onderzoeksinstituut.

Het onderzoeksinstituut gebruikt het ecologische voorspellingsmodel ECODYN om voor verschillende scenario's de mogelijke ontwikkeling van vegetaties onder invloed van de rivier en het natuurbeheer vast te stellen. Hierbij worden potenties voor natuurtypen, Europees beschermde habitattypen en doelsoorten binnen het gebied nagegaan.

Met de geplande ingrepen aan Vlaamse en Nederlandse zijde verandert het functioneren van het riviergebied, verwacht het INBO. Dynamische rivierecotopen zoals grindbanken en zandruggen nemen toe, terwijl het winterbed deels minder dynamisch wordt. Uiteindelijk ontstaat er een snoer van waardevolle riviernatuur. De nieuwe natuurlijke oevers verbinden reeds bestaande natuurkernen met elkaar. In totaal ontwikkelt zich er een natuurgebied van vierhonderd hectare groot die onder de Europese beschermde habitat zal vallen.

Informatie: www.inbo.be
Bron: INBO

Zie ook: rapport

lees meer
25 APRIL 2008

INSECTENAANBOD CRUCIAAL VOOR GRUTTOKUIKENS

Ondanks veelvuldig aangepast graslandbeheer liet de gruttostand in Nederland ook vorig jaar geen herstel zien. Onderzoekers van Alterra vermoeden dat het voedselaanbod voor de kuikens een beperkende factor was. Uit inventarisaties blijken de grote insecten in aantal af te nemen juist op het moment dat de gruttokuikens er de grootste behoefte aan hadden.
De overlevingskans van gruttokuikens neemt toe in percelen met hoog gras. In deze percelen vinden de kuikens dekking tegen predatoren terwijl ze zoeken naar voedsel. Gruttovriendelijk beheer is dan ook gericht op uitgesteld maaien en mozaïekbeheer, waarbij elk gruttogezin minstens een hectare lang gras heeft. Maar de effectiviteit van lang gras lijkt tegen te vallen. Want nog steeds laat de gruttostand veel te wensen over.

Op zoek naar oorzaken onderzocht Alterra de beschikbaarheid van insecten binnen percelen die verschillen in beheer, grashoogte en structuur van de grasmat. Begin 2007 inventariseerden onderzoekers de aanwezigheid van insecten op twee tijdstippen. Eerst rondom het tijdstip dat de eieren van grutto’s uitkomen en nogmaals wanneer de kuikens een hoge voedselbehoefte hebben. De onderzoekers bemonsterden verschillende beheertypen: gemaaide en beweide percelen, percelen met uitgesteld maaien bij boeren en binnen reservaten, gangbaar beheerde percelen met lang gras en vluchtstrookpercelen.

Uit de studie blijken ongemaaide perceeltypen met lang gras meer insecten te bevatten dan percelen met kort gras. Optimaal zijn grashoogten tussen de twintig en veertig centimeter. Ook blijken percelen met een hoge variatie in grashoogte meer insecten te herbergen dan weinig gevarieerde graslanden.

Desondanks wisten zelfs op de best beheerde graslanden veel gruttokuikens niet te overleven. Waarschijnlijk door een tekort aan grote insecten van meer dan vier millimeter, het favoriete voedsel van de kuikens. Tijdens het voorjaar van 2007 bleken de hoogste aantallen grote insecten in de Noord-Hollandse veenweidegebieden begin mei nog aanwezig te zijn, maar af te nemen op het moment dat de gruttokuikens er het meest afhankelijk van zijn.

De onderzoekers vermoeden dat het weer hier invloed op heeft gehad. Net voor de bemonsteringsronde was het kouder dan de weken daarvoor. Zeker weten doen de onderzoekers het niet, maar de resultaten wijzen er volgens de onderzoekers in ieder geval wel op dat het voedselaanbod vanaf midden mei voor gruttokuikens de beperkende factor zou kunnen zijn geweest.

Zie ook het artikel De vrije val van de grutto in Boomblad 1, maart 2008.

Informatie: www.alterra.wur.nl, De vrije val van de grutto


Zie ook: rapport

lees meer
24 APRIL 2008

OTTER BEREIKT GRENZEN UITZETGEBIED

Otters hebben met succes de natuurgebieden de Wieden en Weerribben gekoloniseerd. Dat blijkt uit monitoringsonderzoek van Alterra. Voor het eerst zijn er in de afgelopen winter meer dieren aanwezig in het uitzetgebied dan er zijn uitgezet. Het uitzetgebied is volledig gekoloniseerd, toch vestigen de otters zich niet tot nauwelijks in de aangrenzende gebieden.
In 1989 was de otter in ons land uitgestorven. In 2002 is de herintroductie gestart met de uitzetting van 29 dieren in Weerribben en de Wieden. Sindsdien is de otterpopulatie gegroeid, tot ongeveer 35 (bijna) volwassen dieren tijdens de laatste inventarisatie. In de tussentijd zijn ongeveer 30 nakomelingen geboren. De groei van de populatie is niet alleen te danken aan het uitzetten van dieren, maar vooral aan de voortplanting die goed op gang is gekomen. De eerste generatie in het gebied geboren dieren is inmiddels geslachtsrijp en produceert veel nakomelingen.

Afgelopen winter is gebleken dat het gehele uitzetgebied gekoloniseerd is. Kolonisatie van andere potentieel geschikte gebieden buiten het uitzetgebied lijkt langzaam te gaan. Tot op heden werd alleen vestiging aangetoond in het aangrenzende Brandemeer.
Nu het uitzetgebied volledig bezet is zijn vooral de jonge mannetjes op zoek naar een eigen plekje. Aangezien de dominante mannetjes vestiging van andere mannetjes verhinderen, trekken deze noodgedwongen weg. De meeste jonge wijfjes blijven tot op heden binnen het uitzetgebied en weten een eigen plek af te snoepen van de gevestigde wijfjes, waardoor de populatiedichtheid toeneemt.

De populatie in de Weerribben/Wieden is vooralsnog de enige in ons land. De bedoeling is dat de belangrijke moerasgebieden van Noordoost tot Zuidwest-Nederland met elkaar verbonden worden tot ‘de Natte As’. Daarmee wordt het voor de otter mogelijk om naar andere geschikte leefgebieden te trekken. Otters die nu geen plek kunnen bemachtigen in de Weerribben en Wieden krijgen zo meer overlevingskansen.

Om het aantal dieren in het gebied te schatten maakt Alterra gebruik van DNA-technieken. Het DNA komt uit verse uitwerpselen van otters (spraints). Spraints worden meestal op opvallende plekken gedropt om het leefgebied af te bakenen. Op basis van het DNA-profiel kan worden vastgesteld om welk dier het gaat. Zelfs broertjes en zusjes uit eenzelfde nest kunnen op deze wijze worden geïdentificeerd

Informatie: www.natuurbericht.nl, www.otter.wur.nl
Bron: Natuurbericht.nl, Alterra

lees meer
22 APRIL 2008

EFFECT KLIMAAT OP TREKVOGELS VOORSPELD

Met een nieuw model kunnen ecologen nu bepalen welk effect de klimaatverandering heeft op trekvogels. Het model heeft een hoge voorspellende waarde, blijkt uit een publicatie in het in het Journal of Animal Ecology. Daarmee wordt duidelijk welke gebieden langs vogeltrekroutes beschermd moeten worden, zodat de vogels niet ten onder gaan aan het veranderend klimaat.
Trekvogels zijn voor hun voortbestaan afhankelijk van rust- en voedselgebieden die ze onderweg aandoen. Als die pleisterplaatsen door milieuveranderingen wegvallen, bestaat de kans dat de vogels hun broedgebied niet of in slechte conditie bereiken. Op grond van de berekeningen met het model dat nu is ontwikkeld door onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW), kan bepaald worden welke gebieden langs de complete trekroutes betere bescherming verdienen. Internationale afspraken over het beheer van de hele trekroute zouden een oplossing kunnen bieden voor de vogels om zich aan te passen aan het veranderende klimaat.

Onderzoek naar de kleine rietgans wijst uit dat de belangrijkste factor om door te trekken de toestand van de plantengroei op de volgende pitstop is. De ganzen weten als het ware hoe ver het voorjaar een paar honderd kilometer verderop is. Zo komen ze precies aan op het moment dat het voedselaanbod het gunstigste voor hen is. Doordat de aanvang van de lente een van de variabelen is in het rekenmodel, kan voorspeld worden hoe de ganzen reageren als de lente verschuift door de klimaatverandering.

Het bewijs dat het rekenmodel betrouwbare voorspellingen oplevert, is deze week gepubliceerd in het Journal of Animal Ecology. Daarbij is de voorspelling hoe een gans zou reageren op de klimaatveranderingen vanaf de jaren negentig vergeleken met hoe kleine rietganzen in werkelijkheid hun gedrag hebben aangepast tussen 1990 en 2004. Het bleek dat model en werkelijkheid behoorlijk met elkaar overeenkwamen, aldus de onderzoekers. Doordat nu is aangetoond dat het rekenmodel een hoge voorspellende waarde heeft, zou het prima gebruikt kunnen worden door internationale beleidsmakers, aldus het NIOO. Op grond van de berekeningen kan bepaald worden welke gebieden langs de complete trekroutes betere bescherming verdienen. Zo zouden de vogels de kans krijgen om zich aan te passen aan het veranderende klimaat.

Informatie: www.nioo.knaw.nl, www..blackwell-synergy.com
Bron: Het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW)

lees meer
21 APRIL 2008

‘BOER BESCHERMT GRUTTO VOOR DE LOL’

Niet de bescherming van weidevogels door middel van agrarisch natuurbeheer is mislukt, want boeren kunnen en willen het best. Wat mislukt is, is het beleid van LNV dat de bescherming probeert te stimuleren. Dat is veel te algemeen en gaat voorbij aan de kennis en kunde van boeren, meent Paul Swagemakers van Wageningen Universiteit, naar aanleiding van zijn promotieonderzoek.
Swagemakers lanceert met de titel van zijn proefschrift een nieuw begrip: ecologisch kapitaal. Dat begrip staat centraal in het proefschrift en geeft de natuurlijke hulpbronnen van de boer weer, zijn kennis daarover en de manier waarop hij ermee omgaat. Een melkveehouder in de Friese Wouden met ecologisch kapitaal heeft verstand van de bodembiologie en de diversiteit in de soorten gras. Hij weet welk gras zorgt voor gezonde koeien en genoeg melk. En hoewel hij minder kunstmest gebruikt, heeft hij dezelfde melkproductie als een intensievere veehouder, zegt Swagemakers.

Melkveehouders met ecologisch kapitaal hebben ook oog voor vogels, aldus de socioloog. Ze weten waar de weidevogels zitten en wat voor gras ze nodig hebben voor hun voeding en bescherming. ‘Jonge grutto’s bijvoorbeeld vangen vliegjes in lang gras. Bij het maaien ontzien de veehouders de plekken waar de vogels zitten. Ze zitten zelf op de trekker, en niet een loonwerker die geen verstand heeft van weidevogels. Zulke boeren hebben ook zelf jongvee. Dat groeit prima van het langere gras. En dat is dan weer goed voor de weidevogels.’ Deze melkveehouders beschermen volgens Swagemakers de weidevogels niet omdat ze er subsidie voor krijgen, maar omdat ze er aardigheid in hebben. De boeren bestrijden ook de predatoren van weidevogels, door kraaien af te schieten, roofvogeleieren uit nesten te halen of ijsblokjes naast de roofvogeleieren te leggen. Dat vindt niet iedereen even gewenst, maar vanuit de optiek van de boeren is het logisch, zegt Swagemakers. ‘Ze hebben een deel van hun inkomsten opgeofferd voor hun liefhebberij door minder gras te maaien, en dan is het slecht te verteren als kraaien of roofvogels alsnog de eieren of jonge weidevogels roven.’

Swagemakers vindt dat het beleid om weidevogels te beschermen moet uitgaan van deze melkveehouders die oog hebben voor de vogels. Die zitten vaak ook in gebieden waar veel weidevogels voorkomen. In gebiedsgericht beleid zouden die boeren kunnen samenwerken met vrijwilligers en beheerders van Staatsbosbeheer. Daar kan subsidie voor komen, maar dat is niet het belangrijkste, denkt Swagemakers.

Zo’n gebiedsgericht beleid zou volgens Swagemakers veel beter zijn dan de planologische aanpak van het huidige Programma Beheer van LNV voor de bescherming van weidevogels. Na studie van de effecten van het programma concludeerde ecoloog Frank Berendse - in een onderzoek dat werd gepubliceerd in Nature - dat het agrarisch natuurbeheer niet werkte. Swagemakers trekt een andere conclusie. ‘Het agrarisch natuurbeheer werkt wel, maar het Programma Beheer dat het probeert te ondersteunen werkt niet. Want dat houdt helemaal geen rekening met de lokale kennis en specifieke situatie van boeren. Het Programma Beheer bestaat uit ongerichte maatregelen en het inflexibele karakter van de pakketten zorgt ervoor dat maatregelen vaak weinig effect hebben op de vogels.’

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
18 APRIL 2008

WINDTURBINES GEEN HOLLANDS GLORIE

Windturbines maken grote wateren onaantrekkelijker. Ze hebben na boorplatforms de grootste negatieve invloed op de beleving van zeeën en meren. Dit blijkt uit onderzoek van Alterra in opdracht van de WOT Natuur en Milieu. De studie levert input voor de Natuurbalans 2008, een jaarlijkse rapportage van het Milieu- en Natuurplanbureau dat dit jaar het thema water heeft.
‘Dat windturbines zo negatief beoordeeld worden valt me eigenlijk wel tegen’, zegt onderzoeker Sjerp de Vries. Op basis van het milieuvriendelijke imago had hij zich een minder negatief oordeel kunnen voorstellen. ‘De uitkomst was wellicht anders geweest als we hadden gevraagd of windmolens acceptabel zijn in de grote wateren. Maar het onderzoek richtte zich expliciet op de belevingswaarde.’ Hoewel gewenning zeker een rol speelt, is het volgens De Vries nog maar de vraag of windturbines over honderd jaar net zoals de traditionele molens behoren tot de Hollandse glorie.

Dat windturbines zelfs lelijker gevonden worden dan flats aan het water heeft volgens De Vries te maken met de context. ‘Een windmolen in open zee is iets anders dan een gebouw aan de kust, waar al meer menselijke invloed zichtbaar is. De impact van het gebouw is daardoor kleiner.’
Naast de aan- of afwezigheid van de onderzochte elementen is ook de invloed van de grootte, nabijheid en aantallen op de beleving onderzocht. Voor boorplatforms, windturbines, hoogbouw en jachthavens geldt dat de aanwezigheid de grootste negatieve impact heeft. Meer gebouwen, platforms of turbines op dezelfde plek maken minder uit, net als de nabijheid en grootte van de elementen. ‘Als je de belevingswaarde zo min mogelijk wilt aantasten, kun je dus het beste alle ellende concentreren in een minder mooie omgeving.’

Het enige dat positief werd beoordeeld in het onderzoek is de vooroever, een extra oeververdediging voor de hoofdoever waardoor een strook natuur ontstaat. Dat had De Vries ook wel verwacht, aangezien vooroevers bedoeld zijn om de omgeving natuurlijker maken. Het oordeel over blauwalg, het enige natuurlijke element, was licht negatief. ‘Ik vraag me wel af hoeveel mensen blauwalg herkennen op een foto.’

In het onderzoek zijn in totaal 120 foto’s getoond aan 2300 mensen. Verdeeld over vier groepen kregen ze dertig foto’s te zien met de vraag: hoe aantrekkelijk vindt u deze omgeving om naar te kijken? Sommige foto’s waren echt, anderen gemanipuleerd.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
17 APRIL 2008

BOUWEN IN HET GROEN ONDERZOCHT

Bij bouwen in het groen is het niet zo eenvoudig de ecologische kwaliteit van de omgeving te behouden. Het behoud van de landschappelijke kwaliteit is wel goed te realiseren. Dat is de voornaamste conclusie uit het Wetenschapswinkel-onderzoek ‘Bouwen in het groen: is het te doen?’ uitgevoerd door onderzoekers van Wageningen UR.
Bouwen in het bos leidt bijna automatisch tot ecologische schade die zich niet zo eenvoudig laat verzachten of compenseren. Het laten staan van bomen heeft echter een groot effect op de landschappelijke kwaliteit na afronding van het bouwproject, blijkt uit het onderzoek. De menselijke factor is van grote invloed op het succes van bouwen in het groen, stellen de onderzoekers. De onderzoekers geven daarom ook aanbevelingen voor gemeenten en projectontwikkelaars.

De aanleiding voor het onderzoek van de wetenschapswinkel was een herstel- en beheerplan dat moest worden opgesteld voor een ecologisch waardevol gebied in Driebergen, waar een nieuwbouwproject wordt gerealiseerd. In het project wordt ecologisch gebouwd door de vereniging Zonnespreng. Het terrein bestaat uit een voormalige moestuin van een klooster en een perceel gemengd bos, in totaal ruim 1 hectare groot. Het gebied is als ecologisch waardevol opgenomen in het gemeentelijke Groenstructuurplan en is fungeert voor verschillende organismen als ecologische stepping-stone tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Langbroeker Wetering.
Het resultaat van het onderzoek is het rapport ‘Samen wonen met het bos'. Het beheerplan dat daarin wordt uitgewerkt geeft praktische richtlijnen en tips voor inrichting, beheer en onderhoud, zoals herstel van spreng en bosvijver, het aanbrengen van natuurvriendelijke oevers, het revitaliseren van de taxushaag en het aanleggen van takkenrillen.
Het perceel wordt ingedeeld in een ‘bos’, een ‘tuin’ en een ‘park’. Het wordt geen reservaat waar niets meer mag, maar een plek die voor de bewoners en zoveel mogelijk dieren en planten aantrekkelijk moet zijn.

De ambities en afwegingen die spelen in Driebergen, spelen op diverse plekken in het land. Daarom koos de Wetenschapswinkel van Wageningen UR ook voor een vergelijkend onderzoek waarin naast de casus van Driebergen vijf andere bouwprojecten zijn bestudeerd. In alle projecten ging het om bouwen in het bos. Gekeken is wat er in de beleving van de betrokkenen terecht kwam van de doelstelling om zoveel mogelijk van de groene kwaliteit te handhaven, en vooral waarom. Daaruit blijkt dat onder meer persoonlijke motivatie, kennis en informatie, beleid en regelgeving, begeleiding in de uitvoeringsfase en de betrokkenheid van de toekomstige bewoners belangrijke factoren zijn voor het wel of niet behalen van de dubbele doelstelling. De bevindingen van het vergelijkende onderzoek zijn door de Wetenschapswinkel in een apart rapport uitgegeven: ‘Bouwen in het groen: is het te doen?.

Informatie: www.wur.nl/NL/onderzoek/Wetenschapswinkel/Projecten/ecwd/
Bron: Wetenschapswinkel

Zie ook: rapport

lees meer
16 APRIL 2008

GROOTSCHALIG BOEREN IN COULISSELANDSCHAP

Schaalvergroting van de melkveehouderij hoeft niet per definitie te leiden tot verdere schaalvergroting van het landschap. Een kleinschalig coulisselandschap kan prima gecombineerd worden met de modernde veehouderij. Dat is de belangrijkste uitkomst van een onderzoek door Wageningen UR.
In het verleden zijn veel houtwallen en bosjes in kleinschalige landschappen verdwenen. In de toekomst hoeft verdere schaalvergroting van de melkveehouderijbedrijven niet per definitie te leiden tot verdere schaalvergroting van het landschap. Grootschalige melkveehouderij kan goed samengaan met een kleinschalig landschap, blijkt uit het onderzoek. Daarin is met boeren en burgers in de Achterhoek bekeken hoe efficiënte, grootschalige melkproductie inpasbaar is in het kleinschalige coulisselandschap.

Voor moderne melkveebedrijven zijn percelen met een omvang van circa tien hectare optimaal. Deze kunnen tegen geringe kosten door houtwallen worden omzoomd. Zo ontstaat een modern kleinschalig coulisselandschap waarbij de percelen groter maar de open ruimten kleinschaliger zijn. Moderne agrarische bedrijfsvoering wordt op deze wijze gecombineerd met een aantrekkelijk landschap.
De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in een brochure en in een 3D-animatiefilm van het vroegere, het huidige en het toekomstige landschap.

Informatie: www.alterra.wur.nl
Bron: Wageningen UR

Zie ook: rapport

lees meer
15 APRIL 2008

SCHAALVERGROTING SLECHT VOOR BUNZING

De verspreiding van de bunzing is sinds 1950 met bijna dertig procent afgenomen. Dit meldt Zoogdiervereniging VZZ op basis van waarnemingen. Reden van de afname is waarschijnlijk de verandering in het landschap. Die verschuift van kleinschalig naar grootschalig waardoor er minder beschuttingsmogelijkheden zijn.
De bunzing bewoont verschillende landschapstypen zoals akkerland, weiden, open bosgebieden en vochtige terreinen. Maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen houtwallen, hekken, oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, kreupelhout, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden.

Door schaalvergroting zijn de beschuttingsplaatsen voor bunzingen sterk afgenomen. Ook de hermelijn en wezel, die net als de bunzing het liefst in een kleinschalig landschap leven, gaan in aantallen achteruit. Het aantal waarnemingen dat de afgelopen jaren aan Zoogdiervereniging VZZ en haar partners is gemeld is echter beperkt, daarom kon er voor de Rode Lijst geen status worden vastgesteld.

Zoogdiervereniging VZZ wil met de campagne ‘Het jaar van de bunzing’ beter inzicht krijgen in de achteruitgang van de bunzing en de factoren die daarbij een rol spelen. Daarom roept de vereniging iedereen op om waarnemingen van bunzingen, dood of levend, door te geven via www.telmee.nl. Daarnaast verzamelt de VZZ kennis over de biotoopvoorkeuren van bunzingen om te adviseren over beheersmaatregelen ten gunste van de bunzing.

Informatie: www.natuurbericht.nl, www.vzz.nl
Bron: VZZ

lees meer
14 APRIL 2008

BRAND BESCHERMT NATUUR

De kans is groot dat Nederland in de toekomst vaker getroffen wordt door natuurbranden. Tenzij we zelf wat vaker de aansteker erbij pakken, zeggen wetenschappers. Koud vuur in de winter kan hetere vuren ’s zomers voorkomen.
Een groepje vuurspecialisten uit de hele wereld kwam vorige week naar Wageningen om invulling te geven aan een cursus van de onderzoeksschool Production Ecology and Resource Conservation (PE&RC). Zij vragen meer aandacht voor vuur als beheersmaatregel in natuurgebieden.
‘In de Westerse perceptie is vuur een bedreiging die we liever zoveel mogelijk uitsluiten’, vertelt dr. Claudius van de Vijver van de onderzoeksschool PE&RC. Maar dat is onnatuurlijk, zegt botanicus William Bond, professor aan de universiteit van Kaapstad. ‘De wereld is gemaakt om te branden. Zonder branden verliezen we soorten die zich erop hebben aangepast en groeien gebieden dicht.’
Meer begroeiing vergroot ook de kans op extreme branden. ‘Hoe meer biomassa, hoe heter het vuur en hoe moeilijker het te controleren is’, verklaart Van de Vijver ‘Denk aan Portugal, Griekenland en de VS, waar in veel gebieden vuur verbannen werd waardoor biomassa opbouwde en er vervolgens zeer intense, oncontroleerbare branden ontstonden.’
Het kan ook in Nederland optreden denkt Van de Vijver. ‘Het natuurareaal is de afgelopen tien jaar sterk toegenomen. Daarnaast krijgen we te maken met nattere en warmere zomers waardoor planten harder gaan groeien. Dit betekent meer brandbaar materiaal. In een droge periode wordt dit droog en dus ontvlambaar. Een vonk van een boemeltrein of een verdwaalde peuk kan straks genoeg zijn om de Hoge Veluwe af te laten branden’, waarschuwt hij.
Volgens de experts kan inzet van vuur in de winter een dergelijke natuurramp voorkomen. ‘In de wintermaanden kan vuur niet heel heet worden en de meeste dieren zitten onder de grond. Als we dan gecontroleerd stukjes natuurgebied branden, is er in de zomer veel minder brandstof’, vertelt Van de Vijver. ‘Een eventueel brandje in de zomer verspreidt zich dan niet of in ieder geval veel minder intensief.’
Duitsland experimenteert al met vuur. Op de Drover Heide branden beheerders kleine stukjes af. Ook op de Stabrechtse Heide bij Geldrop passen beheerders op kleine schaal vuurbeheer toe. ‘Hierdoor ontstaat een mozaïeklandschap dat ‘s zomers vuur kan tegenhouden’, zegt Van de Vijver. ‘De kleine branden dragen bovendien bij aan de biodiversiteit door het heterogene landschap dat ontstaat.’

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
11 APRIL 2008

STAATSBOSBEHEER BRENGT ECOLOGIE VAN DE ANGST IN OOSTVAARDERSPLASSEN

Staatsbosbeheer wil het ecosysteem van de Oostvaardersplassen compleet maken met grote roofdieren zoals de wolf, en meer grote hoefdieren, zoals de wisent. Dat staat in de nieuwe toekomstvisie die de organisatie heeft gepresenteerd. De wolven brengen de ecologie van de angst terug in het gebied, waardoor ze indirect invloed uitoefenen op de vegetatiestructuur in de Oostvaardersplassen.
In de Oostvaardersplassen kunnen meer dan 100 wolven leven, stelt Staatsbosbeheer, op basis van de berekening dat er bij 10.000 kilo aan prooi 90 kilo aan predator kan voorkomen. De wolven worden niet ingezet om de aantallen grote wilde hoefdieren te reguleren. Die worden gereguleerd door het voedselaanbod.
Grote roofdieren oefenen wel invloed uit op het terreingebruik van grote, wilde hoefdieren. Zij brengen de ecologie van de angst in een ecosysteem, aldus Staatsbosbeheer. Dat is gebleken uit onderzoek in het Yellowstone National Park in de Verenigde Staten waar wolven zijn geherintroduceerd. Het aantal wapiti’s – de Amerikaanse vorm van het Europese edelhert – zou daar door het ontbreken van predatoren onnatuurlijk hoog zijn geworden. Door de vraat van wapiti’s waren aan de oevers van rivieren en meren wilgen en ratelpopulieren verdwenen. De wolven zouden het aantal wapiti’s door natuurlijke regulatie terugbrengen tot een natuurlijk niveau waardoor de ratelpopulieren en wilgen zouden kunnen terugkeren, was het idee. Die aanname bleek niet te kloppen. Het aantal wapiti’s werd niet door de wolven omlaag gebracht. Wel bleven de wapiti’s weg van plaatsen waar zij een grote kans maakten slachtoffer te worden van de wolven, zoals de oevers van rivieren en meren. Ze leerden dat wolven hen daar in het water drijven en ze dan een gemakkelijke prooi voor hen zijn. Doordat de wapiti’s de oevers van open water meden, kwamen de wilgen en ratelpopulieren terug. terug. Het was de ecologie van de angst die ervoor zorgde dat het doel van de herintroductie van de wolven werd bereikt.

Informatie: www.staatsbosbeheer.nl/actueel/nieuws/details.asp?NWS_ID=1011

lees meer
9 APRIL 2008

VLIEGEND HERT BREIDT ZICH NIET UIT

Het leefgebied van het vliegend hert heeft zich de afgelopen jaren in Nederland niet uitgebreid. Dat heeft onderzoek van de stichting EIS-Nederland uitgewezen. Het onderzoek werd uitgevoerd naar aanleiding van waarnemingen van de soort buiten de vier leefgebieden die de soort nog heeft in Nederland. Wel zijn er drie potentiële nieuwe leefgebieden vastgesteld voor de bedreigde soort.
Het vliegend hert is in Nederland vrijwel uitgestorven, op vier geïsoleerde gebieden na, in Gelderland, Limburg en Overijssel. Toch komen er geregeld meldingen binnen van vondsten buiten deze kerngebieden. Een onderzoek heeft nu echter uitgewezen dat het verspreidingsgebied van het vliegend hert de afgelopen jaren niet veranderd is. Dat stelt EIS na een landelijke inventarisatieronde in 2007.

Het vliegend hert heeft in Nederland vier kerngebieden: Zuid-Limburg, het Rijk van Nijmegen, de Veluwe en omgeving Mander in Twente. Voor deze vier kerngebieden is de verspreiding in 2006 goed in kaart gebracht en worden er maatregelen genomen om de populaties te behouden.
Over de meldingen buiten deze locaties bleef onduidelijkheid bestaan. Dit was volgens de onderzoekers aanleiding om drie gebieden nog eens extra te bestuderen. In opdracht van het ministerie van LNV voerde EIS in 2007 daarom een onderzoek uit naar de verspreiding van de beschermde keversoort buiten de vier kerngebieden. EIS riep burgers op waarnemingen van het vliegend hert door te geven. In totaal kwamen er 517 betrouwbare waarnemingen van vliegend herten binnen.

De vondsten laten zien dat alledrie de potentiële gebieden momenteel geen populatie huisvesten. ‘Het beeld van het verspreidingsgebied van het vliegend hert in Nederland is behoorlijk compleet’, concludeert EIS op basis van de inventarisatie. Wel blijken twee van de locaties, de Utrechtse Heuvelrug en de Holterberg in Overijssel, kansrijke leefgebieden, volgens EIS.

Daarnaast werd een nieuw potentieel leefgebieden aan het lijstje toegevoegd, in St.Odilienberg. Daar zijn de afgelopen tien jaar enkele waarnemingen gedaan. ‘Het zou dus kunnen dat er in deze omgeving een populatie aanwezig is', stellen de onderzoekers. Ze vermoeden in Duitsland, omdat over de grens vaker vliegende herten zijn gezien. Volgens EIS zijn er in ieder geval genoeg aanwijzingen om de omgeving St.Odilienberg als potentieel leefgebied aan te wijzen.

Informatie: www.naturalis.nl/vliegendhert


Zie ook: rapport

lees meer
8 APRIL 2008

NIEUWE VISIE VEENWEIDELANDSCHAP

Het Hollandse veenweidelandschap is uniek in de wereld. Om het unieke maar kwetsbare karakter ervan te bewaren, zijn volgens onderzoeksinstituut Alterra keuzes nodig. Het instituut doet een voorzet met twee voorbeelden; ‘Sawa Specialty Polder’ en ‘Waterdorp’.
Veenweidegebieden komen vooral voor in Zuid-Holland, Noord-Holland, Utrecht en Friesland. In de rest van de wereld bestaan er geen vergelijkbare veenweidegebieden.
Het veenweidelandschap is de afgelopen eeuwen aan grote veranderingen onderhevig geweest. Door klimaatverandering, verstedelijking en ontwikkelingen in de landbouw zal dit veranderingsproces verder gaan. Ondanks het feit dat het maaiveld van de veenweiden na 1000 jaar landbouw zo’n drie tot vijf meter is gezakt, is het landschap nog voor een groot deel intact. Om die waardevolle cultuurhistorie te behouden zijn keuzes nodig, stelt Alterra, visies op de toekomst.
Als voorbeeld van zo’n visie noemt Alterra-onderzoeker Wim Meulenkamp de ‘Sawa Specialty Polder, met hoogproductieve waterrijke landbouw, zoals de verbouw van rijst, cranberries en veenmos voor niche-markten. Een andere visie, ‘Waterdorp’, is een concept waarbij een voormalige droogmakerij met monofunctionele landbouw in zijn geheel wordt omgevormd tot een nat gebied met wonen op het water in drijvende huizen, in combinatie met waterrecreatie en waterberging. Zo kan een polder die droog is en waarin landbouw wordt bedreven, bij extreme wateroverlast dienen als noodopvanggebied.
Deze ideeën zijn met andere opties uitgewerkt in een brochure, waarin onderzoekers in een aantal voorbeelden schetsen hoe een visie op gebiedsniveau uit zou kunnen werken. Het belangrijkste is voor hen niet dat de uitgewerkte ontwerpen op identieke wijze gerealiseerd worden, maar dat er een omslag komt in de manier waarop naar het veenweidegebied gekeken wordt. Deze manier van denken moet nog nader uitgewerkt worden. Zij hopen hiervoor een aantal handvatten te hebben gegeven. Met deze brochure dagen zij overheden, belangenorganisaties en bewoners uit deze visies verder te ontwikkelen.

Informatie: www.alterra.wur.nl


Zie ook: rapport

lees meer
7 APRIL 2008

KENMERKEN INDIVIDU OVERTREFFEN GENEN

Het aanpassingsvermogen van een individueel plantje aan moeilijke omstandigheden is sterk bepalend voor hoe een plant er in het veld uitziet. Méér nog dan de genetische samenstelling van een plantensoort. Dat concludeert Jelmer Weijschedé van de Radboud Universiteit Nijmegen in zijn promotieonderzoek.
De onderzoeker verzamelde langs de Waal verschillende individuen van de algemeen voorkomende witte klaver. Witte klaver heeft een liggende groeiwijze. De stengel kruipt over de grond en de bladstelen dragen de bladeren omhoog. Deze basisvorm in groei is vastgelegd in de genen. Maar de genetische eigenschappen zijn in de natuur van onderschikt belang aan het aanpassingsvermogen van een individu, stelt Weijschedé.

Binnen eenzelfde plantensoort reageert het ene plantje anders op moeilijke omstandigheden dan zijn broertje of zusje. In de strijd om licht kunnen sommige individuen snel de lucht in schieten door stengels en bladstelen te strekken. Van eenzelfde plantensoort is het ene individu hier beter toe in staat dan de ander. Hoe langer een plant zich kan maken, hoe meer licht hij weet op te vangen en dus hoe beter hij zal groeien onder donkere omstandigheden.

Dit staat los van de genetische samenstelling van een soort, zegt Weijschedé. De mate van bladsteelstrekking is namelijk niet gekoppeld aan genetische opbouw. Of een plantje van dezelfde klaversoort in het veld lang of kort is, hangt meer van de omgevingsfactoren af dan de genetische eigenschappen.

Weijschedé ontdekte bovendien dat het vermogen om snel naar het licht toe te kunnen groeien niet altijd een voordeel is. Als er voldoende licht is, blijkt juist de plant die zich weet aan te passen het helemaal niet zo goed te doen. Onder ideale lichtomstandigheden verliezen de snel strekkende plantjes juist van hun langzaam groeiende soortgenoten. ‘De mate waarin planten kunnen reageren op moeilijke groeiomstandigheden is daarmee meer bepalend voor hun succes dan de genen van een soort', concludeert hij.

Informatie: www.ru.nl/home/agenda/promoties/natuurwetenschappen/2008/februari/lange_klaver_korte/
Bron: Radboud Universiteit Nijmegen

Zie ook: rapport

lees meer
3 APRIL 2008

TOESTAND VENNEN STERK VERBETERD

De chemische toestand van vennen in Nederlandse natuurgebieden is sterk verbeterd door de afname in verzuring. Ook de toegenomen temperatuur en de hoeveelheid neerslag in de laatste decennia hebben een positief effect. Die conclusies trekken onderzoekers Herman van Dam en Adrienne Mertens na een analyse van decennialange metingen, voor het onderzoeksbureau Grontmij|AquaSense. De verbetering leidt echter nog niet tot een zichtbaar positief effect op de vegetatie.
Vennen zijn van nature voedselarm. Bemesting door luchtverontreiniging heeft daarom grote gevolgen. In korte tijd gingen levensgemeenschappen door de neerslag van stikstof dan ook hard achteruit, waardoor karakteristieke planten en dieren dreigden te verdwijnen. Sinds maatregelen om de emissie terug te dringen zijn genomen, is de verzuring van natuurgebieden echter afgenomen. Van Dam en Mertens onderzochten de effecten hiervan op de vennen.

Van 1978 tot en met 2006 zijn in drie vennen jaarlijks en in acht vennen elke vier jaar waarnemingen verricht van de chemische samenstelling van het oppervlaktewater en de soortensamenstelling van kiezelwieren - microscopische algen die sterk reageren op veranderingen in de waterchemie. De gegevens zijn samen met verspreide waarnemingen uit dezelfde vennen vanaf 1916 verwerkt.

Op basis van de verzamelde data concluderen de onderzoekers dat de neerslag van zwavel- en stikstof uit de lucht dusdanig afgenomen is dat de chemische samenstelling van het water in zure vennen sterk is verbeterd. Het herstel gaat echter gepaard met veranderingen in het klimaat. Ook de toegenomen temperatuur en hoeveelheid neerslag hebben volgens de onderzoekers een positief effect gehad op verbetering van de kwaliteit.

Wel is er in veel vennen sprake van interne eutrofiering. Door de klimaatveranderingen zijn de ammoniumconcentraties sterk gedaald. De reductie van zwavelverbindingen en denitrificatie bevordert de afbraak van opgehoopte organische stof in de bodem, waarbij fosfaat vrijkomt. De soortensamenstelling van kiezelwieren is door de verrijking nog wezenlijk anders dan die aan het begin van de 20e eeuw.

De noodzaak voor aanvullende maatregelen blijft daarom hoog, stellen de onderzoekers. Want de kritische niveaus, met name van stikstof, worden nog steeds overschreden. De onderzoekers verwachten pas echt verbetering in de kwaliteit van venvegetaties te zien als de stikstofneerslag verder is afgenomen. Aanvullende beheersmaatregelen zoals baggeren en opschonen van oevers kan een positieve bijdrage leveren. Deze maatregelen kunnen ook de interne eutrofiering tegengaan.

Informatie: www.aquasense.nl, www.waternatuur.nl


Zie ook: rapport

lees meer
2 APRIL 2008

STERKE TOENAME JAPANSE OESTER VERWACHT

De groei van de populatie Japanse Oesters lijkt nog lang niet te stoppen. In 2007 zijn dertig nieuwe locaties met oesterbroed aangetroffen, blijkt uit het jaaroverzicht van de Waddenzee, uitgegeven door InterWad. Voor 2008 wordt een nog sterkere toename van het oesterbestand in de Waddenzee verwacht, gezien de aanwezigheid van veel kleine oesters.
De huidige biomassa aan Japanse Oesters in de Waddenzee wordt geschat op 28 miljoen kilo. Een gewicht dat niet afwijkt van de schattingen in de jaren daarvoor. Het grote verschil is echter dat de huidige populatie uit veel kleine oesters bestaat. De aangetroffen hoeveelheden kleine oesters doen volgens InterWad denken aan de situatie in 2004. Ook toen waren er veel kleine oesters. Deze bleken een voorteken te zijn van een gigantische toename in biomassa in 2005. Voor 2008 wordt dan ook een sterke toename van het oesterbestand in de Waddenzee verwacht.

De Japanse Oester kwam in 2002 nog sporadisch voor in de Waddenzee. Alleen op een paar mosselbanken onder Ameland groeide de oester in kleine aantallen. In 2003 nam de exoot echter explosief toe. Een aantal bestaande mosselbanken bij Texel en Den Helder raakten als eerste overwoekerd. Drie jaar later had de Japanse Oester op bijna achthonderd hectare oesterbanken gevormd, waarvan op bijna de helft ook mossels nog aanwezig waren. Kijkend naar de mosseldata blijkt dat de oesters in toenemende mate mosselbanken gaan domineren.

Informatie: www.waddenzee.nl
Bron: InterWad

Zie ook: rapport

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk