homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

31 MAART 2008

MINDER STIKSTOF REDT PADDESTOELEN NIET

In de Nederlandse bossen komen sinds 2000 steeds minder paddenstoelen voor. Vooral de soorten die gevoelig zijn voor stikstof zijn in aantal gedaald. De daling van vervuiling met stikstof en zwavel blijkt niet voldoende om de achteruitgang van stikstofgevoelige soorten tegen te gaan. Paddenstoelen die ongevoelig zijn voor een toename van stikstof of daar positief op reageren, gaan iets minder achteruit.
In totaal zijn 84 soorten gevolgd waarvan 20 zijn afgenomen en slechts 4 toegenomen. Vermesting en verzuring zijn de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang van paddenstoelen. Hoewel het niveau van deze vervuilende stoffen vanaf 1981 aanmerkelijk is gedaald, hebben paddenstoelen hier in de periode van 2000 tot 2006 niet van kunnen profiteren. Het huidige niveau van vervuiling is voor veel soorten nog steeds hoog, vergeleken met natuurlijke omstandigheden. Bovendien daalt het niveau de laatste jaren niet meer zo sterk. Ook is de kwaliteit van het bodemleven in bossen nog steeds niet helemaal hersteld, waardoor paddenstoelen en planten nog niet optimaal kunnen profiteren van de vermindering van de neerslag. Het sterkst achteruit gaan de stikstofgevoelige soorten goudplaatzwam, kostgangerboleet, roodschubbige gordijnzwam en ronde truffelknotszwam.

Bodemverstoring en verruiging zijn een tweede oorzaak van de achteruitgang. Sinds 1999 heeft in 12 procent van de meetpunten van het meetnet een grote verstoring plaatsgevonden. Graven, berijden met zware machines, dumpen van bagger en mest, strooien van houtsnippers zijn veelvoorkomende verstoringen. De meeste van deze verstoringen leiden, al dan niet tijdelijk, tot hogere stikstofgehaltes in de bodem.

Informatie: www.milieuennatuurcompendium.nl
Bron: Milieu & Natuur Compendium

lees meer
28 MAART 2008

OOK WEINIG STIKSTOF VERMINDERT BIODIVERSITEIT

Een chronisch lage stikstofneerslag op het land is al voldoende om de diversiteit aan plantensoorten flink te laten afnemen. Amerikaanse onderzoekers publiceerden deze conclusie in het wetenschappelijke tijdschrift Nature, en menen dat de invloed van lage concentraties stikstof op de natuur wordt onderschat.
De wetenschappers onderzochten 25 jaar lang het effect van neerslaande stikstof in een prairiegebied in Minnesota. De effecten van grote hoeveelheden stikstofdepositie zijn uitgebreid onderzocht, nu keken de onderzoekers voor ‘t eerst naar het effect van een chronische lage depositie, vergelijkbaar met die in menig geïndustrialiseerd land.
In bun onderzoeken lieten de onderzoekers onder meer handmatig extra stikstof in het systeem neerdalen. Ze zagen daarop dat de diversiteit aan grassen al snel afnam. De onderzoekers verklaren dit effect door beïnvloeding van de concurrentie tussen grassen onderling. De extra stikstof beïnvloedt de onderlinge verhoudingen tussen de planten dusdanig dat sommige soorten extra konden groeien en meer ruimte in beslag namen ten koste van andere soorten.
Volgens de onderzoekers wordt tot nu toe onderschat hoe groot de invloed is van een lage stikstofdepositie op de natuur. Hoewel in Nederland de stikstofdepositie flink is gedaald door maatregelen, is een effect duidelijk zichtbaar. De vergrassing van heidevelden is bijvoorbeeld een gevolg van de toegenomen stikstofdepositie.

Bron: Boomblad 1, maart 2008

lees meer
27 MAART 2008

'ONDERZOEK VLEERMUIZEN EN WINDMOLENS NODIG'

Nederland staat aan de vooravond van een grote opschaling van de windenergieproductie, maar er is nauwelijks duidelijk welke schade windmolens aan vleermuizen kunnen veroorzaken, en al helemaal niet hoe die schade is te voorkomen. 'Om windenergie echt groen te krijgen, is meer onderzoek nodig naar vleermuispopulaties', stelt Eric Jansen van de zoogdiervereniging VZZ in Boomblad.
In Duitsland en Amerika is er volgens Jansen wel onderzoek gedaan. Uit Duits onderzoek blijkt dat op lokaal niveau het aantal slachtoffers bij vleermuizen hoger kan liggen dan onder vogels. Windmolens kunnen ook de leefomstandigheden van vleermuizen beïnvloeden. 'Windmolens geven veel warmte af, vooral als ze langzamer draaien', vertelt Jansen. 'En ze leveren bij lage windsnelheden beschutting. Dat trekt insecten, en dus ook vleermuizen aan. Ook gaan vleermuizen windturbines beschouwen als aantrekkelijke slaapplek en komen dan tussen de raderen.'

Zulke kennis geeft volgens Jansen aanknopingspunten om te onderzoeken hoe de schade van windmolens aan vleermuizenpopulaties kan worden vermeden. Voor het verplichte onderzoek in het kader van de Flora en Faunawet bijvoorbeeld bestaan nog steeds geen vaste richtlijnen. Daarvoor is onderbouwend onderzoek nodig, waarbij voortbouwend op Duitsland en Amerika gekeken moet worden hoe de windenergie met zo min mogelijk risico's ingepast kan worden. 'We willen graag met de industrie in gesprek', aldus Jansen. 'We willen niet op de barricade staan, maar het probleem krijgt niet of nauwelijks aandacht. En dit onderzoek is nodig om de windenergie ook écht groen te krijgen.'

Bron: Boomblad 1, maart 2008

Zie ook: rapport

lees meer
26 MAART 2008

MEER JONGEN NA BIJVOEREN

Is bijvoeren van vogels in de achtertuin slecht of niet? Volgens sommigen worden de vogels er maar lui van, en weten ze uiteindelijk nauwelijks meer hoe ze zelf hun voedsel bij elkaar moeten zoeken. Engelse onderzoekers komen nu echter met een hele andere conclusie. Zij ontdekten dat het extra voer de vogels niet alleen de wintermaanden doorhelpt, maar bovendien flink bijdraagt aan het broedsucces van de vogels.
De biologen hingen vijfhonderd mezennestkastjes op in de bossen van Noord-Ierland, waarvan ze er honderd regelmatig voorzagen van pinda’s. De mezen die in de vierhonderd voerloze nestkastjes overwinterden moesten zelf hun kostje bij elkaar zoeken. Zes weken voor het begin van het broedseizoen stopten de onderzoekers met het bijvoeren met pinda’s. In het voorjaar bleken de bijgevoerde mezen gemiddeld tweeënhalve dag eerder hun eieren te leggen dan de mezen die zichzelf van voedsel hadden moeten voorzien. Ook wisten ze gemiddeld één jong meer groot te brengen. De onderzoekers publiceerden hun bevindingen in Biology Letters.

Bron: Boomblad 1, maart 2008

lees meer
25 MAART 2008

BLOEMRIJKE AKKERRAND IS MAAR HET BEGIN

Vijf boeren in de Hoeksche Waard proberen sinds vier jaar zo min mogelijk chemische bestrijdingsmiddelen te gebruiken door de aanleg van uitgekiende akkerranden met bloeiende kruiden, op 250 hectare aaneengesloten grond. De resultaten zijn veelbelovend. Toch is het succesvolle concept van de Functionele Agrobiodiversiteit nog niet voldoende om de landbouw echt duurzaam te maken. Daarvoor moet hele landbouwsysteem op de schop, zegt Joop van Lenteren, hoogleraar entomologie in Resource, het weekblad van Wageningen UR.
Al twee jaar spuiten de boeren in de Hoeksche Waard geen druppel gif meer tegen bladluizen op hun aardappels en granen, dankzij sluipwespen, lieveheersbeestjes en andere natuurlijke vijanden die op en rond hun percelen wonen. Niet alleen de bloemrijke akkerrand speelt daarin een grote rol. Ook de bodem huisvest veel kleine beestjes, bacteriën en schimmels die ziekteverwekkers kunnen afremmen. De combinatie van grondsoort, bodemgesteldheid en de gewassen die eerder op het perceel hebben gestaan, bepalen mede of ziekten een kans krijgen of niet. Ook de eigenschappen van het gewas zelf zijn van groot belang voor wering van ziekten en plagen. Zo kunnen er door kruising resistentiegenen in de gewassen worden ingebracht en kunnen planten met behulp van veredeling misschien ook aantrekkelijker gemaakt worden voor natuurlijke vijanden.

Maar zelfs al staan precies de juiste bloemen naast het veld of stemmen boeren hun gewasrotatie nauwkeurig af op wat er leeft, succesvolle bestrijding van plagen is niet verzekerd. Geen enkele maatregel zorgt er met honderd procent zekerheid voor dat een gewas onaangetast blijft. Om de landbouw echt duurzaam te maken, is er veel meer nodig dan een bloeiende akkerrand.. ‘Het hele landbouwsysteem moet op de schop’, zegt Joop van Lenteren, hoogleraar entomologie en vanuit Wageningen UR één van de eersten die zich bezighield met biologische bestrijding van insectenplagen. Zo moeten we andere rassen gaan verbouwen, rassen die van nature beter bestand zijn tegen plagen. De huidige planten kunnen niet meer zonder gif, omdat ze zijn geselecteerd op kilo’s, niet op resistentie. Ook de consument moet anders gaan denken. De insecten verrichten namelijk prima werk voor bulkproducten zoals de aardappelen en granen, maar zijn minder goed in te zetten voor groente. Enige schade aan gewassen is daar gewoon niet te voorkomen. Dat maakt voor aardappelen en graan niet uit. Dat ziet de consument niet. Maar bij groente met vlekjes ligt nog een uitdaging.

Informatie: www.resource-online.nl/achtergrond.php?id=122
Bron: Resource

lees meer
21 MAART 2008

BASTKNOBBELONDERZOEK KRIJGT VERVOLG

Sinds twee jaar teistert een onbekende aandoening de bomen in de stad: er verschijnen mysterieuze knobbels in de bast. Ondanks vele onderzoeken is nog onduidelijk hoe de knobbels ontstaan en of ze schadelijk zijn. Bomenwacht Nederland, Wageningen UR en de gemeente Alphen aan den Rijn starten binnenkort met een vervolgonderzoek.
Twee jaar geleden ontdekte de dienst Groenvoorziening van Alphen aan de Rijn bij toeval dat veel stadsbomen bastknobbels op hun stammen hadden. Inmiddels is in de stad zo'n vijftien procent van de bomen aangetast en zijn de knobbels in veel andere Nederlandse en Europese steden gesignaleerd. Uit onderzoek van het ingenieursbureau de DG Groep blijkt dat vooral lindes (66 procent) en essen (30 procent) er last van hebben, maar onderzoekers van Wageningen Universiteit hebben in lopend onderzoek knobbels gevonden op zestien boom- en heestersoorten in Nederland en Portugal. De meeste bomen en planten vertonen vergelijkbare symptomen, vertelt plantenfysioloog André van Lammeren, die het onderzoek van Wageningen Universiteit leidt. 'Het cambium (delingsweefsel) ontwikkelt weefselgroei op afwijkende plaatsen. Dat gebeurt rondom necrotische, dode cellen. Deze cellen zijn niet tumorachtig, maar heel normaal. Het zijn functieloze knobbels.'

Het is onduidelijk waardoor de knobbels ontstaan. De gebruikelijke verdachten, schimmels, bacteriën, insecten of een gebrekkige bodem, zijn volgens Van Lammeren onschuldig. In een brief aan Bionieuws oppert de Groningse emeritus hoogleraar plantenfysiologie Piet Kuiper een aantal mogelijke oorzaken: een noodreactie van bomen die weinig groeien en hun fotosyntheseproductie niet kwijt kunnen, een verstoring van de opslag van suikers die normaal gebruikt worden om bijvoorbeeld vruchten te produceren of aantasting van de symbiose van de mycorrhizaschimmel met de boomwortels, als gevolg van stikstofdepositie van het autoverkeer. 'Het is een interessant idee dat suikerophoping leidt tot nieuwvorming', vindt Van Lammeren. 'Maar we weten niet wat de oorzaak is. Er kunnen fysieke of biologische factoren spelen. En als ik niet weet wat het is, ga ik niet speculeren.' Van Lammeren en zijn collega's hebben het ministerie van LNV gevraagd het vervolgonderzoek te financieren.

Bron: Boomblad #1, maart 2008

Zie ook: rapport

lees meer
20 MAART 2008

BEDREIGING DIERSOORTEN TOEGENOMEN

De bedreiging van vogels, reptielen, amfibieën, en dagvlinders is in Nederland in tien jaar tijd toegenomen. Dat meldt het Natuur en Milieu Compendium, op basis van vergelijking van de nieuwe en oude Rode Lijsten. Dit staat in schril contrast met het natuurbeleid, dat erop is gericht dat de mate van bedreiging niet verder verslechtert.
Soorten komen op een Rode Lijst als zij zeldzaam zijn en achteruitgaan. Van vijf diergroepen zijn omstreeks 2005 nieuwe Rode Lijsten verschenen. Uit een vergelijking met Rode Lijsten van tien jaar geleden blijkt dat de totale bedreiging van de vijf diergroepen samen - zoogdieren, reptielen, amfibieën, vogels en dagvlinders - met zeven procent is toegenomen. Alleen bij zoogdieren afzonderlijk is de bedreiging gemiddeld genomen afgenomen.

Zowel in de oude als in de nieuwe Rode Lijst wordt de situatie van dat moment vergeleken met de situatie van omstreeks 1950. De oude Rode Lijsten beoordelen daarmee de trend van circa 1950 tot 1993 en de zeldzaamheid in 1994. De nieuwe Rode Lijsten beoordelen de trend van 1950 tot 2005 en de zeldzaamheid in ca 2005.

De sterkste toename van de bedreiging laten de amfibieën en reptielen samen zien, met zeventien procent, op de voet gevolgd door de dagvlinders met zestien procent. De bedreiging van de dagvlinders is met vier procent toegenomen, de zoogdieren tenslotte laten een afname van de bedreiging zien van dertien procent.

Voor berekening van de totale bedreiging is hebben de categorieën de gewichten kregen: VN (verdwenen) = 5, EB (ernstig bedreigd) = 4, BE (bedreigd) = 3, KW (kwetsbaar) = 2 en GE (gevoelig) = 1. Dit is zowel per diergroep bepaald, als voor de vijf diergroepen samen. Deze totale bedreiging is vervolgens geïndexeerd, waarbij de eerste periode op 100 is gezet.

Informatie: www.milieuennatuurcompendium.nl/indicatoren/nl1478-Bedreiging-fauna.html?i=2-8
Bron: Milieu en Natuur Compendium

lees meer
19 MAART 2008

VLINDERS TWAALF DAGEN EERDER

In zestien jaar tijd is de vliegperiode van de vroege dagvlinders met circa twaalf dagen vervroegd. Dat meldt het Milieu en Natuur Compendium, op basis van gegevens van het NEM-meetnet vlinders. Het begin van de vliegperiode wordt bij dagvlinders in sterke mate door de temperatuur bepaald. Dat de vroege soorten eerder in het jaar verschijnen, is waarschijnlijk het gevolg van het warmer worden van het voorjaar.
Vroege dagvlinders zijn vroeg in het jaar vliegende vlinders zoals de argusvlinder, bont dikkopje, koolwitje en zilveren maan. Van iedere vlindersoort is voor elk jaar in de periode 1992-2007 bepaald op welke dag van het jaar de eerste tien procent van de vlinders is waargenomen.

Dit jaar zijn rond het weekend van 9 februari zijn tijdens het zonnige en windstille weer de meeste waarnemingen gedaan. Het boomblauwtje en een bont zandoogje hebben met hun verschijning begin februari beiden een vroegterecord gevestigd. Ook werden het klein en groot koolwitje al gezien.

In totaal zijn er 20 vroege dagvlindersoorten:aardbeivlinder, argusvlinder, bont dikkopje, bont zandoogje, boomblauwtje, bruin blauwtje, bruin dikkopje, bruine vuurvlinder, groentje, groot koolwitje, hooibeestje, icarusblauwtje, klein geaderd witje, klein koolwitje, kleine parelmoervlinder, kleine vuurvlinder, koninginnepage, landkaartje, oranjetipje en zilveren maan.

Informatie: www.milieuennatuurcompendium.nl/indicatoren/nl1406-Vervroeging-vliegtijd-vlinders.html?i=9-55, www.natuurkalender.nl/deze_maand.asp
Bron: Milieu en NatuurCompendium en De Natuurkalender

lees meer
18 MAART 2008

BELEIDSPROGRAMMA BIODIVERSITEIT VAN START

De ministerraad heeft ingestemd met het beleidsprogramma 'Biodiversiteit werkt: voor natuur, voor mensen, voor altijd'. In dit beleidsprogramma staan de prioriteiten voor de komende vier jaar bij het aanpakken van de aantasting van biodiversiteit en het bevorderen van het duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen, zowel binnen als buiten Nederland.
Het beleidsprogramma richt zich vooral op het duurzamer maken van de handel in hout, soja, palmolie, biomassa en veen. Tevens wordt verkend of kan worden betaald voor het gebruik van biodiversiteit. Ook het bevorderen van het nuttig gebruiken van biodiversiteit ('ecosysteemdiensten') in productieprocessen onder andere in de landbouw, het behoud en duurzaam gebruiken van ecologische netwerken en het behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit van zeeën en oceanen behoren tot de prioriteiten.

Ter ondersteuning van de doelstellingen zal het kabinet de samenwerking met bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en andere overheden vergroten. Mede op initiatief van leiders uit het Nederlandse bedrijfsleven, zal het kabinet een taskforce biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen instellen. Deze taskforce moet het kabinet de komende tijd concrete suggesties aanreiken voor het behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit op de langere termijn

Ook gaat een aantal ministeries nauwer dan voorheen samen optrekken. Daarnaast worden adequate kennis en onderzoek en communicatie en educatie over biodiversiteit bevorderd. Het kabinet vindt het daarbij belangrijk dat zichtbaarder wordt wat mensen aan biodiversiteit hebben of kunnen hebben.

Het beleidsprogramma biodiversiteit 2008-2011 is ondertekend door de ministers van LNV en VROM en voor OS, mede namens de bewindslieden van EZ, OCW, V&W en Defensie. Verschillende maatschappelijke organisaties hebben inbreng geleverd tijdens de totstandkoming van het beleidsprogramma.

Informatie: www.minlnv.nl

lees meer
18 MAART 2008

WEL LIEFDE VOOR LANDSCHAP MAAR GEEN INZET

Driekwart van de Nederlanders heeft warme gevoelens voor het landschap in zijn directe omgeving. Slechts een kwart zet deze gevoelens ook om in veel actie. Dat zijn de pioniers die zelf aan de slag gaan. Dit blijkt uit twee onderzoeken van het LEI in opdracht van Landschapsmanifest en van het Milieu en Natuurplanbureau (MNP). Overheden en landschapsorganisaties kunnen burgers tegemoetkomen door lokale kennis te delen en voorzieningen voor landschapsbeheer toegankelijker te maken.
In de studie voor Landschapsmanifest, ‘Genieten van landschap en ervoor zorgen’, is via een enquête onder ruim duizend burgers de betrokkenheid bij het landschap verkend. Driekwart van de Nederlanders tussen de 20 en 75 jaar is gehecht aan het landschap in en rond de woonplaats en vertoeft daar graag. Een kwart is meer dan gemiddeld actief, doet aan landschapsbeheer op het eigen erf of elders, koopt producten en diensten die het landschap versterken en is actief in het lokale beleid voor het landschap. Daarbij spelen motieven als de aantrekkelijkheid van het landschap, maar ook de zorgen van bewoners over ruimtelijke ontwikkelingen een hoofdrol. Omstandigheden als opleiding, leeftijd en woonduur maken minder verschil voor de mate van inzet. Een kwart doet echter nauwelijks iets voor het landschap, maakt zich er geen zorgen over en is ook niet geïnteresseerd in het beleid hiervoor. Verder heeft tweederde van de burgers geen duidelijk idee of hun gemeente (te) veel of weinig geld aan landschap besteedt.

De tweede studie, ‘Landschap en burgerparticipatie’, gaat via interviews met 43 actieve bewoners dieper in op hun motieven om wel een bijdrage aan het landschap te leveren. De interviews zijn gehouden met bewoners die op hun eigen erf actief zijn en met vrijwilligers die actief zijn in het buitengebied van vier gemeenten (Hof van Twente en Raalte in Overijssel en Borsele en Schouwen-Duiveland in Zeeland). Vaak zijn de bewoners pioniers die het landschap willen opknappen en verpaupering willen voorkomen. Zij beginnen zonder te weten wie hen hierbij kan adviseren en welke subsidies er beschikbaar zijn. Ze hebben passie voor buitenwerk, maar weten weinig van het lokale landschapsbeleid, zolang ze geen vergunningen aanvragen en er geen nieuwe bestemmingsplannen of stimuleringsprojecten voor het landschap plaatsvinden.

Uit beide studies blijkt dat het aanbod van voorzieningen en instrumenten voor landschapsbeheer vaak versnipperd en weinig zichtbaar is. De actieve burgers vormen een selecte groep. Om meer mensen te bereiken kan de overheid zich sterker profileren door bewoners meer bij de plannen voor het buitengebied te betrekken en meer lokale kennis te bieden. Daarnaast kan zij toegang tot voorzieningen bieden om aan landschapsbeheer te doen en passende juridische instrumenten aanreiken om in het landschap te investeren.
voorzieningen bieden om aan landschapsbeheer te doen en passende juridische instrumenten aanreiken om in het landschap te investeren.

Informatie: www.wotnatuurenmilieu.wur.nl, www.lei.wur.nl


Zie ook: rapport

lees meer
17 MAART 2008

BEVERBESTENDIGE DIJKEN NODIG

Het gaat zo goed met de bevers die in Nederland zijn uitgezet, dat de kans op schade aan dijken toeneemt. Maar reden tot grote zorg zijn de welvarende bevers niet. Alterra onderzocht de risico’s van hun gegraaf en komt met oplossingen om schade te voorkomen.
Nadat de bever hondervijftig jaar lang verdwenen was uit Nederland werden in 1988 bevers uit het Elbegebied losgelaten in de Biesbosch. In 1995 volgde een uitzettingsproject in de Gelderse Poort, waar 54 bevers werden vrijgelaten. In maart vorig jaar werd de gehele Nederlandse populatie op 315 stuks geschat, waarvan er tachtig in de Gelderse Poort zouden leven. Ecologen verwachten dat de groei verder doorzet en dat de bever zich zal verspreiden over de rest van het rivierengebied. Goed nieuws voor de bever die op de Europese lijst van beschermde dieren staat.

Maar omwonenden van de Gelderse Poort maken zich sinds een paar jaar zorgen. In 2004 en in 2006 hebben bevers op twee plaatsen holen gegraven in een belangrijke rivierdijk. Hoewel dit niet zoveel schade toebracht dat de dijk zou instorten, was het gegraaf wel aanleiding voor een onderzoek naar kwetsbare dijklocaties in de Gelderse Poort.

Freek Niewold van Alterra vond vijf oeverzones waar de kans groot is dat bevers er zullen gaan graven en daarmee de werking van de dijk aantasten. Dit zijn plekken waar het water permanent dicht langs de dijk loopt en waar bevers regelmatig komen. Niewold adviseert om op die locaties snel maatregelen te nemen. Zijn voorstel is om de kwetsbare oeverzones te verbreden, het aangrenzende water te verleggen of gaas tussen de oever en het water te plaatsen om te voorkomen dat deze plekken daadwerkelijk schade oplopen.

Op elf andere plaatsen was de dijk kwetsbaar, maar zijn tot nu toe nog geen bevers aangetroffen. Niewold verwacht echter wel dat de gravende bevers op de lange termijn hun weg zullen vinden naar deze wateren. Hij adviseert daarom ook deze dijken beverbestendig te maken.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

Zie ook: rapport

lees meer
14 MAART 2008

TUINIEREN MEETBAAR GOED TEGEN STRESS

Een beetje schoffelen of onkruid wieden helpt om te ontspannen. Dat blijkt uit een onderzoek van Alterra. Door het contact met de natuur neemt de hoeveelheid stresshormonen in het speeksel af.
Dat natuur een rustgevende werking heeft, is inmiddels wijd geaccepteerd. Maar wetenschappelijke bewijzen in de vorm van gemeten waarden misten nog.
Dr. Agnes van den Berg en Mariëtte Custers van Alterra voerden daarom twee experimenten uit waarbij ze de hoeveelheid cortisol registreerden in speeksel. Dit zogenoemde stresshormoon komt vrij in onze hersenen bij een dreiging. Het verhoogt de concentratie glucose in het bloed en onderdrukt het immuunsysteem. Alle energie wordt gereserveerd om te kunnen vechten of vluchten. Wanneer de dreiging is verdwenen, neemt de stress doorgaans af. De stressreactie kan echter aanhouden en dan overspannenheid, depressies en lichamelijk klachten zoals hart- en vaatziekten veroorzaken.

Een proef met dertig leden van een volkstuinvereniging laat zien dat werken in de natuur het herstelproces bevordert. Na opwekking van een flinke dosis spanning gingen de deelnemende tuinders een half uurtje tuinieren of lezen in een magazine. Metingen lieten zien dat het stresshormoon cortisol in het speeksel veel sterker was afgenomen bij de schoffelaars dan bij de lezers. De tuinierende tuinders kwamen significant beter tot rust.

Het tweede experiment vond plaats met bejaarden in een zorgcentrum. Een spelletje Pim Pam Pet bleek rustgevend te werken in een kamer vol met planten en bloemen, maar had geen effect bij de deelnemers die het spelletje speelden in een sober ingerichte ruimte. Direct na het spelletje nam de stress bovendien verder af bij de bejaarden die in de groene kamer werkten aan een collage, terwijl het cortisolniveau van de bejaarden die in de neutrale kamer knutselden licht toenam. De resultaten van beide experimenten tonen volgens de onderzoekers voor het eerst hard aan dat de natuur een stressverminderend effect heeft.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

Zie ook: rapport

lees meer
12 MAART 2008

ANTICONCEPTIEPIL DRAMATISCH VOOR VISSTAND

De anticonceptiepil, antidepressiva en antibiotica brengen schade toe aan de mondiale visstand. Dit blijkt uit verschillende onderzoeken in Nederland, Canada en de VS. De oorzaakt ligt bij rioolwaterzuiveringen die er niet in slagen om alle vrouwelijke hormonen en andere chemicaliën uit het afvalwater te halen. Wetenschappers pleiten dan ook voor extra zuivering van rioolwater om het tij te keren.
Wetenschapper Karen Kidd onderzocht drie jaar de impact van oestrogeen op vissen, door oestrogeen toe te voegen aan een Canadees meer. Vooral vissen met een korte levensduur werden snel beïnvloed. Zo gingen mannelijke vissen eitjes produceren en was de populatie van sommige soorten na twee jaar met 99 procent gedaald. Daardoor kregen grotere vissen het moeilijk om voedsel te vinden, waardoor ook zij in aantal verminderen.

Ook wetenschapper Steven Bay stelde soortgelijke problemen vast bij vissen voor de kust van Californië, die blootgesteld worden aan de hormonen en chemicaliën uit geloosd rioolwater. Zijn onderzoek concentreerde zich op een soort tarbot die op de bodem leeft. Tot negentig procent van de mannelijke vissen bleek eitjes te ontwikkelen en had oestrogeengehaltes die overeenkwamen met die van de vrouwtjes.

De Wageningse promovenda Titia de Mes constateerde ook dat er steeds vaker tweeslachtige vissen, kikkers en andere waterorganismen voorkomen, als gevolg van te veel oestrogenen in het milieu. De meeste Nederlandse waterzuiveringen breken meer dan negentig procent van de oestrogenen af die ze aangevoerd krijgen. Dat klinkt mooi, maar als we onze natuur niet willen laten veranderen in een hormonale nachtmerrie zou dat 99,9 procent moeten zijn, aldus de Mes. Als oplossing pleiten de wetenschappers voor extra zuivering van het rioolwater. Volgens Kidd is de technologie daarvoor al voorhanden en is het helemaal niet ingewikkeld om die in te bouwen in de bestaande systemen.

Informatie: ipsnews.be/index.php?id=35&no_cache=1&tx_uwnews_pi4%5Bart_id%5D=20455, www.boomblad.nl/index.php?id=327
Bron: Boomblad, IPS

lees meer
11 MAART 2008

NATUURBEGRAAFPLAATS HEEFT TOEKOMST

Er is een markt voor natuurbegraafplaatsen in Nederland, constateren William van der Veen en Meintje Jonkman, studenten Tuin- en Landschapsinrichting bij Van Hall Larenstein. Uit hun afstudeeronderzoek blijkt dat de natuurbegraafplaats zowel bij burgers als natuurbeheerders nog onbekend is. Maar zodra mensen bekend raken met het fenomeen, ontstaat er interesse. Aanbod is er daarentegen nauwelijks.
Nederland telt één echte natuurbegraafplaats, in Limburg. Op een natuurbegraafplaats worden mensen op milieuvriendelijke wijze begraven in een groene omgeving. Een natuurgraf wordt niet gemarkeerd door de traditionele grafsteen, maar door een boom, zwerfkei of een kunstwerk van natuurlijke materialen. De natuurbegraafplaats is ontstaan in Groot-Brittannië, waar deze vanaf 1993 als woodland burial, green cemetery en eco cemetery zijn intrede deed. Inmiddels zijn er meer dan tweehonderd natuurbegraafplaatsen in Groot-Brittannië.

Van der Veen en Jonkman hebben de mogelijkheden voor natuurbegraafplaatsen in Nederland op een rijtje gezet, in opdracht van adviesbureau Genius Loci, dat adviseert over de inrichting en het beheer van begraafplaatsen. Uit het onderzoek blijkt dat bijna niemand van de 184 respondenten ooit eerder had gehoord van natuurbegraven. Toch zegt bijna 55 procent dat het idee hen aanspreekt, vooral vanwege de gedachten erachter van ‘milieubewust begraven’, een ‘laatste rustplaats in de natuur’ en van het leveren van een bijdrage aan de ‘vorming van nieuwe natuur’. Een kwart van de respondenten geeft aan waarschijnlijk of zeker voor natuurbegraven te willen kiezen, terwijl een derde het niet weet.

Van der Veen verwacht dat bij een grootschalig marktonderzoek zal blijken dat er nog meer mensen warmlopen voor natuurbegraafplaatsen. ‘Het marktonderzoek is niet representatief omdat we onze eigen zakelijke en privénetwerken uit het noorden en noordoosten van het land voor hebben ingezet. Mensen op het platteland zijn traditioneler, daarom denk ik dat er in de Randstad bijvoorbeeld meer interesse is voor natuurbegraafplaatsen.’

Natuurbeherende organisaties zijn ook onbekend met het fenomeen, zo bleek uit de enquête die de studenten hielden bij Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, SBNL, Landschapsbeheer Nederland en de provinciale landschappen. ‘Opvallend was bijvoorbeeld de reactie van Landschap Overijssel, die totaal niet bekend was met het onderwerp maar er nu, naar aanleiding van ons onderzoek, in wil duiken’, schetst Van der Veen.
De standpunten die de organisaties innemen, variëren sterk. De één wil er wel mee aan de slag, terwijl de ander geen rol voor de eigen organisatie ziet bij de aanleg en exploitatie van natuurbegraafplaatsen. Van der Veen merkt op: ‘Er zit totaal geen lijn in. Bij de meeste organisaties ontbreekt beleid, alleen Staatsbosbeheer heeft tot nu toe beleid op papier gezet.’
SBNL, de stichting voor particulier en agrarisch natuurbeheer, heeft als enige al plannen voor een natuurbegraafplaats, bij het Groningse Reiderwolde. Van der Veen ziet ook mogelijkheden voor gemeentelijke natuurbegraafplaatsen. ‘Het is een kwestie van tijd, voordat er meerdere natuurbegraafplaatsen worden opgericht.’

Informatie: www.boomblad.nl/index.php?id=282, www.boomblad.nl/img/pdf/inditnummer/bb_artikel654.pdf
Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
10 MAART 2008

BOSPLANTEN KUNNEN KLIMAAT NIET BIJBENEN

De opwarming van het klimaat vormt in Europa een bedreiging voor het voortbestaan van heel wat wilde plantensoorten. Bosplanten hebben het daarbij extra moeilijk, omdat zij zich erg traag verplaatsen. Dat concludeert Sebastiaan van der Veken van de Belgische universiteit KU Leuven in zijn doctoraatsonderzoek.
Door de opwarming van het klimaat verschuiven klimaatzones in Europa naar het noorden. Planten moeten meeverhuizen, willen ze blijven voortbestaan. Veel planten zijn hier redelijk toe in staat door hun zaadverspreiding. Via wind, water en vogels zijn de planten in staat hun zaad over verre afstand te verplaatsen. Bosplanten hebben zich echter aangepast aan de stabiele omstandigheden in bossen. Moederplanten laten hun zaden direct vallen op de grond, waar ze vervolgens kiemen. Doordat bosplanten geen technieken hebben ontwikkeld om zich ver te verspreiden, verplaatsen ze zich erg traag. Volgens Van der Veken enkele centimers of decimeters per jaar.

Van der Veken toont in zijn onderzoek aan dat veel typische plantensoorten die nu nog heel gewoon zijn in onze bossen, in de toekomst erg kwetsbaar zullen worden. Sommigen zullen zelfs met uitsterven bedreigd worden als de klimaatgrenzen in de 21e eeuw plots veel sneller naar het noorden verschuiven dan tot nu toe geval was.
Hij pleit ervoor na te denken over mogelijke oplossingen. 'De verspreiding van zaden tussen afzonderlijke stukjes bos kan gestimuleerd worden, onder andere door de aanleg van corridors. Als dat ook niet volstaat zou de mens zelf hele plantenbestanden naar het noorden kunnen verplaatsen', aldus Van der Veken.

Informatie: www.knack.be, www.kuleuven.ac.be/doctoraatsverdediging/cm/3E03/3E030377.htm
Bron: Knack

Zie ook: rapport

lees meer
6 MAART 2008

MEGA-SLAAPPLAATS GRAUWE KIEKENDIEVEN

In Senegal heeft de Werkgroep Grauwe Kiekendief een slaapplaats met 1300 grauwe kiekendieven ontdekt. Dit is zonder twijfel één van de grootste slaapplaatsen ter wereld. De werkgroep kwam de kiekendieven op het spoor door het volgen van de kiekendieven die zij in Groningen van satellietzenders hadden voorzien.
In Nederland komen maximaal veertig broedparen van de grauwe kiekendief voor. Tweederde van de Nederlandse populatie bevindt zich in het Oldambt in Groningen waar duizenden hectares akker zijn braakgelegd. De Werkgroep Grauwe Kiekendief werkt aan de bescherming van de soort in Nederland, en doet onderzoek naar de overwinteringsverblijven van de vogel. In 2005 en 2006 werd een aantal kiekendieven gezenderd, waardoor veel over zijn vliegroutes is duidelijk geworden. De routes zijn ook op internet te volgen. In januari toog de werkgroep voor de derde keer naar West-Afrika om de overwinteringsgebieden van de vogels te onderzoeken.
De mega-slaapplaats vond de werkgroep in centraal-Senegal, waar zij het meest dichtbevolkte gebied met grauwe kiekendieven ontdekten. Naar schatting verblijven in deze regio ongeveer 5000 grauwe kiekendieven. Dit is een aanzienlijk deel van alle in Senegal verblijvende kiekendieven en is meer dan tien procent van de gehele Europese populatie.

Informatie: www.grauwekiekendief.nl/index2.php
Bron: Stichting Werkgroep Grauwe Kiekendief

lees meer
4 MAART 2008

ONVOLDOENDE ANIMO PARTICULIER NATUURBEHEER

Vijftien procent van de grondeigenaren is de komende tien jaar bereid deel te nemen aan natuurbeheer. Dit kan omgerekend 18.000 hectare landbouwgrond omvormen tot natuur. De doelstelling van het rijk is echter 42.000 hectare binnen tien jaar, en dat wordt met de huidige belangstelling dus niet gehaald. Dat blijkt uit onderzoek van het LEI en Geelen Consultancy in opdracht van het Milieu- en Natuurplanbureau en de WOT Natuur&Milieu.
Sinds eind jaren negentig is een omslag ingezet in het natuurbeleid. Deze omslag houdt in dat beheer van de EHS meer plaatsvindt door particulieren en agrariërs en dat minder grond verworven wordt door terreinbeherende organisaties zoals Natuurmonumenten, de Provinciale Landschappen en Staatsbosbeheer. Vooral landbouwgrond wordt omgezet in grond met de functie natuur. Deze omzetting gaat gepaard met een waardedaling van de grond, waarvoor de eigenaren compensatie ontvangen.
Het MNP kreeg vanuit het ministerie van LNV de vraag de omslag van het natuurbeleid te evalueren. Eén van de aspecten van deze evaluatie richt zich op de bereidheid van particuliere grondeigenaren en agrariërs om deel te nemen aan het beheer van natuur. Het LEI voerde deze evaluatie uit.
Uit het onderzoek blijkt dat de belangstelling onvoldoende is om de doelstellingen in 2018 te halen.
Volgens de onderzoekers is tweederde van de grondeigenaren niet bereid deel te nemen aan natuurbeheer, omdat dit niet in de bedrijfsstrategie past en omdat andere bestemmingen dan natuur meer opleveren. Meer communicatie en informatievoorziening kan de deelname misschien stimuleren, stellen de onderzoekers. Ongeveer de helft van alle grondeigenaren weet namelijk niet dat ze subsidies voor een omvorming van grond kunnen krijgen. Ook is er gebrek aan kennis over procedures en hoogte en continuïteit van de subsidies

Informatie: www.wotnatuurenmilieu.wur.nl/NL
Bron: WOT Natuur en Milieu

Zie ook: rapport

lees meer
3 MAART 2008

BODEM BEPAALT SAMENSTELLING BOS

Natuurlijke verjonging van bossen zal leiden tot verschillende bossen, afhankelijk van de voedingsrijkheid van de bodem. Dat voorspellen onderzoekers van Wageningen Universiteit op basis van een onderzoek naar de invloed van de kenmerken van verschillende boomsoorten op de samenstelling van een bos. Het effect treedt op door verschillen in schaduwtolerantie tussen de bomen. De onderzoekers publiceerden hun bevindingen in de Journal of Ecology.
De onderzoekers vergeleken van veertien boomsoorten op zowel rijke lossbodems als arme zandgronden in Limburg eigenschappen als schaduwtolerantie en groeiwijze van stam, kroon en bladeren. Of boomsoorten gelijktijdig naast elkaar kunnen leven wordt in grote mate bepaald door de verschillen in schaduwtolerantie tussen de bomen, ontdekten de wetenschappers. Dit effect komt voort uit verschillen in de groei van stam, kroon en bladeren.

Boomsoorten die zich thuis voelen in schaduw, zoals de gewone es en de beuk, hebben dikke bladeren. De bomen investeren in duurzaamheid en groeien daardoor ook langzamer. Schaduwtolerante boomsoorten hebben ook vaak sterkere stammen, merkten de onderzoekers op. Hierdoor zijn ze in staat hun grotere en zwaardere kronen dan soorten die veel licht nodig hebben en snel groeien, te dragen.
Bladeren van boomsoorten die veel licht nodig hebben, zoals de larix en berk, zijn juist dun omdat ze maar voor een korte tijd worden gemaakt; de boomsoorten groeien relatief snel, waardoor blaadjes laag aan de stam al snel worden overschaduwd. De boom investeert in de aanmaak van nieuwe bladeren hoger in de boom en laat de blaadjes lager bij de grond vallen.

Dit soort karakteristieken van boomsoorten zorgen ervoor dat ze niet allemaal naast elkaar kunnen voorkomen. Op zandgronden blijken vooral boomsoorten te staan die sneller groeien en meer licht nodig hebben dan de bomen op de rijke lossgronden. Door de arme en droge omstandigheden blijft de dichtheid van de vegetatie beperkt, waardoor er veel licht de onderlaag kan doordringen. De jonge bomen die vragen om veel licht profiteren hiervan. Daarom zijn het deze soorten die de overhand krijgen en houden op arme zandgronden. Op nutriëntrijke gronden zullen juist de soorten die goed tegen schaduw kunnen, gaan domineren, voorspellen de wetenschappers. Door de hogere dichtheid en dikkere bladeren blijft de onderlaag namelijk beschaduwd, waar jonge bomen van schaduwtolerantie soorten het beste mee om kunnen gaan.

Informatie: www.fem.wur.nl/UK/newsagenda/news/Publication_on_interspecific_differences_in_growth_and_shade_tolerance_of_tree_saplings.htm, www.kennisonline.wur.nl
Bron: Wageningen Universiteit

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk