homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

29 FEBRUARI 2008

DRIE NATURA 2000-GEBIEDEN DEFINITIEF

Minister Verburg van LNV heeft vorige week de eerste drie Natura 2000-aanwijzingsbesluiten genomen. Het gaat om de aanwijzing van het rijksgebied Voordelta en de twee aanverwante duingebieden Voornes Duin en Duinen Goeree & Kwade Hoek. In alle drie de gebieden gaat het vooral om het beschermen van waardevolle schorren, slikken, duinen, planten en vogels. Uiteindelijk worden binnen Nederland 162 Natura 2000-gebieden aangewezen.
Door de aanwijzing is duidelijk welke kwetsbare natuurwaarden in de gebieden beschermd moeten worden. In dit geval de schorren, slikken, duinen, planten en vogels. In de volgende fase, bij het opstellen van het beheerplan, wordt duidelijk met welke maatregelen deze natuurwaarden beschermd worden en welke activiteiten wel of niet mogelijk zijn.

De ontwerpbesluiten voor Voordelta, Voornes Duin en Duinen Goeree & Kwade Hoek hebben begin 2007 tegelijk met de ontwerpbesluiten voor nog 108 Natura 2000-gebieden ter inzage gelegen. Tijdens deze procedure heeft iedereen de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen. Voor de genoemde drie gebieden hebben bijna 170 personen en instanties hier gebruik van gemaakt. Voor de eerste 111 gebieden samen zijn er circa 5.000 reacties binnengekomen.

De minister heeft in een Nota van Antwoord haar reactie gegeven op de inspraakreacties. Deze Nota van Antwoord heeft zij op 13 februari voor het eerst met de Tweede Kamer besproken. De besluiten die nu zijn vastgesteld zijn gebaseerd op de ontwerpbesluiten, de zienswijzen die daarop zijn binnengekomen en de Nota van Antwoord. De aanwijzingsbesluiten voor de overige Natura 2000-gebieden worden op een later moment vastgesteld. De aanwijzing van de gebieden Voordelta, Voornes Duin en Duinen van Goeree & Kwade Hoek is noodzakelijk voor de start van de aanleg van Tweede Maasvlakte. Daarom is hier met voorrang toe besloten.

Op 27 februari heeft de minister de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden Voordelta, Voornes Duin en Duinen Goeree & Kwade Hoek bekendgemaakt in de Staatscourant. Aansluitend aan deze bekendmaking liggen de besluiten inclusief kaarten en Nota van toelichting van 28 februari tot en met 10 april ter inzage. Belanghebbenden kunnen tegen de besluiten in beroep gaan bij de Raad van State. De beroepstermijn loopt van 29 februari tot en met 10 april.

Informatie: www.minlnv.nl/portal/page?_pageid=116,1640333&_dad=portal&_schema=PORTAL&p_news_item_id=23103
Bron: Ministerie van LNV

lees meer
28 FEBRUARI 2008

SCHAALVERGROTING KAN WEIDEVOGELS HELPEN

Het weidevogelbeheer kan effectiever door de bescherming van de weidevogels te integreren in de bedrijfsvoering. De Animal Sciences Group (ASG) maakte daarom samen met een aantal melkveehouders een overzicht van de mogelijke innovaties voor moderne melkveebedrijven waarmee ze tegelijk meer kunnen doen voor grutto’s en kieviten. 'Schaalvergroting kan dan wel eens een zegen zijn voor weidevogels', aldus onderzoeker Gerard Migchels.
De concepten zijn gebundeld in de brochure ‘Innoveren voor weidevogels’ om andere melkveehouders te prikkelen. Om een keuze te maken uit de zogenoemde menukaart zijn twee variabelen belangrijk: hoeveel een melkveehouder wil doen aan weidevogelbeheer, en de mate van samenwerking met andere boeren. Eén van de ideeën is extensiveren door te intensiveren. De weidevogel krijgt de volledige ruimte op een gedeelte van het bedrijf, terwijl voor de rest intensief wordt geboerd.

Een stap verder gaat het afstemmen van het beheer op dat van collega’s in de omgeving. Nog ambitieuzer is als een groep boeren de ecologische wensen van weidevogels in zijn hele bedrijfsontwerp centraal zet. Als buurtgenoten gaan ze dan volledig op in een gezamenlijk bedrijf: een weidevogelmarke. Volgens ecologen moet je weidevogelbeheer ook op gebiedsniveau doen. Dat vraagt een boerderij van ruim meer dan honderd hectare.

Via de ruim 130 agrarische natuurverenigingen zijn 1500 brochures verstuurd. Melkveehouders worden uitgedaagd om via pilots aan de slag te gaan. LTO, ASG en de provincies gaan dan samen met de initiatiefnemers op zoek naar middelen om de pilots ook daadwerkelijk van de grond te krijgen.

Informatie: library.wur.nl/biola/bestanden/1868340.pdf, www.syscope.nl
Bron: Syscope

lees meer
27 FEBRUARI 2008

GRAANVELDEN MAKEN LANDSCHAP MOOI

Graanakkers blijken een zeer gewaardeerde invulling van het landschap te zijn. Vooral gerstvelden roepen een positieve reactie bij burgers op, blijkt uit een promotieonderzoek van het LEI naar semi-natuurlijke akkerbouwsystemen. Toelichting van de onderzoekers op de voordelen van biodiversiteit leidde bij de geinterviewde burgers wel tot een verschuiving in voorkeur van homogeen naar biodiverse akkers.
Het LEI vroeg burgers naar de belevingswaarde van akkers in het Nederlandse landschap. Dertig personen met verschillen in leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, beroep en woonplaats (stad of platteland) gaven aan wat zij een mooi landschap vonden. Gerstvelden werden hoog gewaardeerd door het open landschapsbeeld ‘met mooie, goudgeel gekleurde aren die met de wind mee wuiven’. Rogge wordt minder aantrekkelijk gevonden, vooral vanwege de lengte van de halmen. De belevingswaarde bleek te worden verhoogd door ingezaaide akkerbloemen, hoewel enkele respondenten de toevoeging associeerden met onkruid.

Nadat de respondenten een eerste indruk van de velden hadden gegeven, werd het ecologisch nut van biodiversiteit in akkers toegelicht. Biodiversiteit verhoogt de duurzaamheid van teeltsystemen doordat deze akkers meer nuttige insecten aantrekken dan homogene teeltsystemen en er minder bestrijdingsmiddelen en kunstmest wordt gebruikt. Ruim de helft van de geïnterviewden had al de voorkeur uitgesproken voor biodiverse akkers. De meeste respondenten die een voorkeur gaven aan akkers met homogene gewassen, veranderden hun mening na de toelichting.

De waardering van geïnterviewde burgers voor akkers is volgens het LEI sterk gerelateerd aan enerzijds hun beeld van het ideale landschap en anderzijds hun visie op natuur en landbouw. Uit het onderzoek kwam naar voren dat natuur op verschillende manieren wordt ervaren, van alles wat groen is en groeit – dus inclusief landbouwgewassen - tot natuurgebieden zonder menselijke bemoeienis. Mensen die het laatste beeld hadden, gaven een sterke voorkeur aan een afwisselend landschap met wilde bloemen in akkers en akkerranden. Degene die hoog scoorden op maïs- en gerstvelden waren over het algemeen productiegericht.

Informatie: www.lei.wur.nl/NL/publicaties+en+producten/LEI-artikelen/?id=794
Bron: LEI

lees meer
26 FEBRUARI 2008

NACHTZWALUW BEREIKT RECORDAANTAL

Het gaat goed met de populatie nachtzwaluwen in Nederland, meldt SOVON Vogelonderzoek Nederland. Op basis van tellingen van vorig jaar schat de vogelvereniging dat de populatie minimaal 1584 paren telt. Dit aantal is de laatste dertig jaar niet meer bereikt. Onderzoekers denken dat de vooruitgang een resultaat is van heideherstel in combinatie met het opwarmende klimaat.
Elk jaar zetten SOVON en Vogelbescherming Nederland een vogelsoort een jaar in de schijnwerpers. In 2007 stond de nachtzwaluw centraal. De aantallen én de verspreiding van de soort liepen vanaf eind jaren zeventig sterk terug, waardoor de soort op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels is gekomen. Sinds eind jaren negentig groeit de populatie echter weer. De tellingen van vorig jaar in heide, duin, stuifzand en naaldbossen, aangevuld met schattingen van niet-onderzochte terreinen waarvan het voorkomen wel bekend is, leverde een eindstand op van minimaal 1584 paar. 'Een recordhoogte', volgens SOVON.

Vogelaars vermoeden dat de positieve ontwikkelingen een gevolg zijn van de uitbreiding en het herstel van de heide en het veranderende klimaat in Nederland en in de Sahel. De Nachtzwaluw lijkt geprofiteerd te hebben van de recente warme en langere zomers in ons land, waardoor paartje twee broedsels in plaats van één kunnen grootbrengen. De toename van de afgelopen jaren heeft met name plaatsgevonden op heidevelden. Naast klimatologische factoren spelen daarbij waarschijnlijk ook beheerfactoren een rol. Het gaat hierbij onder meer om maatregelen tegen vergrassing en het verbeteren van overgangen van bos naar heide, het voorkeursbiotoop van de soort.

De nachtzwaluw is echter één van de weinige karakteristieke vogelsoorten van het heidelandschap die een toename laten zien. Hoe het komt dat alleen de nachtzwaluw floreert op heideterreinen en andere typische heidevogelsoorten niet, is in 2007 op de Veluwezoom nader onderzocht. Onderzoekers voorzagen negen vogels van een minuscule zender om ze te kunnen volgen. De vogels blijken een gebied van zo’n 1 a 2 vierkante kilometer te kunnen hebben voor het verzamelen van voedsel. Door de meeste vogels werd vrijwel alleen op de heide gefoerageerd. Geen van de vogels ging naar (voormalige) landbouwgronden om voedsel te zoeken. Uit onderzoek aan uitwerpselen blijkt dat nachtvlinders, zoals verwacht, het grootste aandeel van het voedselspectrum vormen. Uit de uitwerpselen kon ook informatie worden verkregen over de soortensamenstelling. De vlindersoorten die op het menu van de nachtzwaluw staan blijken de afgelopen periode ook flink te zijn toegenomen op de Veluwe.

Toch is de populatie nog niet terug op het punt van de jaren zeventig. Want hoewel de nachtzwaluw talrijker is geworden, heeft de vogelsoort zijn broedgebied niet uitgebreid, meldt SOVON. De nachtzwaluw is in 2007 wel in meer gebieden vastgesteld dan in de 1998-2000, de periode van de laatste broedvogelatlas, maar de soort komt nog steeds in minder gebieden voor dan in de jaren zeventig. Toen kwam de nachtzwaluw ook in de duinen nog algemeen voor en was veel wijder verspreid in met name het zuiden van het land.

Informatie: www.sovon.nl/default.asp?id=272
Bron: SOVON Vogelonderzoek Nederland

Zie ook: rapport

lees meer
22 FEBRUARI 2008

NATUURGEGEVENS BETER TE BENUTTEN

Natuurmonumenten en de Gegevensautoriteit Natuur gaan onderzoeken hoe natuurgegevens beter uitgewisseld en benut kunnen worden. Doel van de samenwerking is het verbeteren van de beschikbaarheid en bruikbaarheid van gegevens over flora en fauna in Nederland. Als de proef slaagt, worden vanaf 2009 ook andere terreinbeheerders uitgenodigd deel te nemen aan het gegevensnetwerk.
Jaarlijks stijgt de behoefte aan goede natuurdata door onder andere de grote druk op het ruimtegebruik, de achteruitgang van de biodiversiteit en de optimalisatie van het natuurbeheer. Het up to date houden van natuurgegevens vergt in Nederland naar schatting jaarlijks meer dan 15 miljoen euro. De basis van de gegevensvoorziening ligt in betrouwbare veldwaarnemingen. Maar het is nu nog nauwelijks mogelijk om gebruik te maken van gegevens die elders worden opgeslagen, omdat opslagsystemen en gegevensbestanden niet op elkaar aansluiten.
De Gegevensautoriteit Natuur (GaN) werkt daarom aan een systeem dat uitwisseling van natuurgegevens tussen terreinbeheerders, overheidsinstanties en bedrijven mogelijk maakt. Het doel van het systeem is om alle beschikbare waarnemingen zo breed mogelijk beschikbaar te stellen. Slechts bij uitzondering wordt van die lijn afgeweken. Zo zal bijvoorbeeld de vindplaats van bijzondere orchideeën niet direct zichtbaar zijn.
Natuurmonumenten gaat nu testen of de uitwisseling van gegevens inderdaad beter verloopt met het systeem. Door uitwisseling van gegevens tussen Natuurmonumenten en de GaN kunnen deze beter benut worden voor bijvoorbeeld de ruimtelijke ordening. Natuurmonumenten heeft ook behoefte aan het uitwisselen van gegevens voor bijvoorbeeld het optimaliseren van de ontwikkeling en het beheer van natuur. De samenwerking met de GaN moet ook in deze behoefte gaan voorzien, stellen de twee instanties.

Informatie: www.gegevensautoriteitnatuur.nl, www.minlnv.nl
Bron: Ministerie LNV

lees meer
21 FEBRUARI 2008

DOOD KRIJGT PLAATS IN DE NATUUR

In natuurgebied Groenlanden bij Nijmegen hebben ARK Natuurontwikkeling en Staatsbosbeheer een kadaverplek ingericht, om het publiek vertrouwd te maken met dode dieren in de natuur. De organisaties verwachten veel van het project en hopen op betere bestaansmogelijkheden voor de zeldzame zeearend, raaf en zwarte wouw.
Met dit project ‘Dood doet leven’ streven de natuurorganisaties naar eerherstel van groene opruimploegen zoals schimmels, aasvliegen, kevers maar ook diverse vogels en zoogdieren. Een camera filmt het recyclingproces dag en nacht. Geïnteresseerden kunnen een selectie van beelden op de website van 'Dood doet leven' bekijken. De kadaverplekken leveren wel discussie op. Recreanten zijn niet gewend aan kadavers in de natuur omdat ze normaal gesproken worden verwijderd voor destructie. De natuurorganisaties trekken een parallel met de discussie van een kwarteeuw geleden over het verwijderen van dood hout versus de noodzaak van dode bomen. De boomkadavers hebben voor een opleving van talrijke zwammen, insecten, spechten en vleermuizen gezorgd.

Informatie: www.dooddoetleven.nl, www.staatsbosbeheer.nl
Bron: ARK Natuurontwikkeling en Staatsbosbeheer

lees meer
21 FEBRUARI 2008

MAAIBOOT SLECHT VOOR RIVIERPRIK

Het volledig plantenvrij maken van beken met een maaiboot is waarschijnlijk nadelig voor opgroeiende larven van de beschermde rivierprik, een belangrijke indicatorsoort voor de Kader- en Habitatrichtlijn. Dat blijkt uit onderzoek van Wageningen IMARES naar het verspreidingspatroon van rivierpriklarven in de Drentsche Aa.
Vroeger kwam de rivierprik massaal voor in Nederland. Maar de soort is flink in aantal afgenomen door barrières op hun migratieroute, verontreiniging en herinrichting van beken en rivieren. Omdat de priklarven zich ingraven in bodems, ontsnappen ze aan reguliere visbemonsteringen. Hierdoor is er weinig over ze bekend. Onderzoekers van Imares maakten een inhaalslag en vonden 25 larven in 628 monsters van drie verschillende plaatsen. De meesten werden opgevist in het Gasterensche Diep.

Uit de vindplaatsen blijkt dat de priklarven een voorkeur hebben voor slibrijke bodems met een geringe waterstroming en enige – ook weer niet teveel - plantendekking. Het volledig plantvrij maken van beken heeft dan ook negatieve gevolgen voor de rivierprik. Beken worden nu vaak gemaaid met een maaikorf of maaiboot om een optimale waterafvoer te garanderen. Behalve dat daarmee de larven hun favoriete stekken zien verdwijnen, kan de maaiboot met zijn rupsbanden ook directe slachtoffers maken, waarschuwt IMARES. Verder kan maaien ook indirecte gevolgen hebben voor de rivierprik, omdat de habitatvariatie vermindert.
Opvallend was volgens de onderzoekers verder dat het verspreidingspatroon van de larven zeer sterk geclusterd was. De samengeschoolde priklarven lagen bovendien telkens enkele honderden meters stroomafwaarts van bekende paaiplaatsen. Dit suggereert dat de verspreiding van de larven vanuit de paaiplaatsen in de eerste vier jaar van hun leven slechts zeer gering is.

De volwassen prik trekt rivieren en beken op om te paaien op stromend zoet water. De larven graven zich in de fijnere sedimenten in en trekken na vier jaar naar zee. Daar leven ze als parasiet op andere vissen en trekken na twee groeiseizoenen op zee weer naar het zoete water om te paaien en daarna te sterven. De soort stelt hoge eisen aan verschillende habitats gedurende deze achtereenvolgende levensstadia. Hierdoor is de rivierprik een belangrijke indicatorsoort geworden voor de Kaderrichtlijn Water.

Informatie: www.imares.nl, www.kennisonline.wur.nl
Bron: Kennisonline

Zie ook: rapport

lees meer
20 FEBRUARI 2008

GEEL SMALTANDMOS NIET UITGESTORVEN

Het 21 hectare grote bosreservaat binnen het Limburgse Vijlenerbos herbergt een verrassend grote hoeveelheid mossoorten, waaronder het sinds 1878 in Nederland uitgestorven gewaande geel smaltandmos. Dat blijkt uit onderzoek van Alterra. Er werden ook soorten aangetroffen die niet eerder in Limburg zijn gezien, zoals het oeverdikkopmos.
Onderzoeker Rienk-Jan Bijlsma brengt de gevonden hoge mosdiversiteit in het gebied in verband met een betrekkelijk extensief bosgebruik tot 1950 en een natuurlijke bosontwikkeling nadien, met een grote rol voor wortelkluiten en dood hout.
Het Vijlenerbos vormt het hoogst gelegen bos van Nederland en herbergt een aantal reservaten die worden gerekend tot het type Veldbies-Beukenbos. Onder andere de zeldzame plantensoort Kranssalomonszegel voelt zich thuis in de waardevolle stukken bos. De mosflora was tot nu toe nog nauwelijks onderzocht. Bijlsma werd dan ook verrast door opvallend veel mossoorten. Hij vond in totaal 92 verschillende mossen. Een zeer hoog aantal volgens Bijlsma, gezien het gering aantal biotopen.
Veel soorten zijn bovendien nieuw voor de provincie Limburg, zoals het oeverdikkopmos. Deze was alleen bekend van kalkhoudend, vochtig tot nat gesteente, maar werd goed ontwikkeld aangetroffen op een dode liggende berk.
De hoge natuurwaarde is volgens Bijlsma het gevolg van een lange periode van extensief beheer en twintig jaar natuurlijke ontwikkeling op een zeer oude bosgroeiplaats.

Informatie: www.kennisonline.wur.nl, www.nhgl.org
Bron: KennisOnline, Natuurhistorisch maandblad

lees meer
19 FEBRUARI 2008

'PROCES NATURA 2000 ONWERKBAAR'

Minister Gerda Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wil dat betrokken partijen eerst bedenken hoe ze de natuurdoelen gaan halen in tweederde van de Natura 2000-gebieden. Pas daarna worden de grenzen van de natuurgebieden getrokken. Natuurmonumenten vindt deze omkering onwerkbaar.
Minister Verburg komt met dit besluit tegemoet aan de meerderheid in de Tweede Kamer die vreest dat boeren anders beperkt worden in hun bedrijfsvoering. Het was oorspronkelijk de bedoeling dat de regering eerst alle Natura 2000-gebieden zou vaststellen. Daarna zouden de beheerders van die natuurgebieden, zoals Natuurmonumenten, in overleg met bewoners, ondernemers, gemeente, waterschap en provincie gaan bepalen met welke maatregelen die doelen gehaald moeten worden.

Natuurmonumenten is bang dat met de omkering van de volgorde een eindeloze discussie ontstaat over de natuurdoelen. Dat terwijl de aanwijzing van Natura 2000-gebieden geen enkele uitstel verdraagt, omdat het ronduit slecht gaat met de natuur, aldus de natuurorganisatie. Van tweederde van de soorten en leefgebieden die van Europees belang zijn, is het voortbestaan niet zeker. De minister grijpt pas in als de partijen er op 1 september 2009 nog niet uit zijn.

Informatie: www.natuurmonumenten.nl
Bron: Natuurmonumenten

lees meer
18 FEBRUARI 2008

ECOLOGISCH EVENWICHT NIET VANZELFSPREKEND

Dieren en planten trekken elkaar altijd weer in balans na een verstoring van het ecosysteem. Dat was de heersende opvatting. Maar ecologisch evenwicht blijkt minder vanzelfsprekend dan werd gedacht. Onderzoekers van Wageningen Universiteit en de Universiteit van Amsterdam hebben bewezen dat populaties kunnen blijven fluctueren ondanks stabiele omstandigheden.
Bijna tien jaar geleden viste de inmiddels gepensioneerde Duitse bioloog Reinhard Heerkloss plankton op uit de Baltische Zee en stopte dat in een aquarium. Hij hield licht en temperatuur constant en telde tweemaal per week hoeveel van elke soort plankton er in het water zat. Zijn verrassing was groot toen hij ontdekte dat het ecosysteem nooit tot rust kwam. De aantallen bleven variëren ondanks de constante omgevingsfactoren. Iets wat volgens de ecologische gedachte van evenwicht onmogelijk is.
Promovendus Elisa Benincà van de leerstoelgroep Aquatische ecologie van Wageninegn UR en het Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica van de UvA onderzocht de opmerkelijke situatie en stelde vast dat het om echte chaos gaat. Benincà ontdekte dat de soorten zelf zorgen dat geen enkel plankton permanent de overhand krijgt door onderlinge concurrentie om voedsel en predatie.
‘Het is een ware doorbraak’, zegt prof. Marten Scheffer van Aquatische ecologie. Eerder heeft hij samen met prof. Jef Huisman van de UvA via rekenmodellen al ontdekt dat een onvoorspelbare chaos in ecosystemen mogelijk is. Maar zonder experimenteel bewijs kreeg hun hypothese van wispelturige fluctuaties geen voet aan de grond.
Het onderzoek van Benincà bewijst dat de natuur veel minder voorspelbaar is dan altijd werd gedacht. Tot nu toe gingen wetenschappers er vanuit dat ze veranderingen in populaties konden inschatten als bekend was welke factoren hun invloed uitoefenden op het systeem. Nu dit niet per definitie zo blijkt te zijn, zijn de berekende toekomstverwachtingen van populatiestanden van dieren en planten wellicht onbetrouwbaar. ‘Gedetailleerde voorspellingen over de stand van soorten in ecosystemen zijn op de lange termijn onmogelijk. We kunnen op zijn best globaal aangeven binnen welke grenzen soorten zullen fluctueren’, aldus Benincà.

Informatie: www.aew.wur.nl, www.science.uva.nl/ibed
Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
15 FEBRUARI 2008

NATUURVERENIGINGEN VERGROTEN EFFECT BEHEER

Agrarische Natuurverenigingen (ANV’s) die collectieve contracten afsluiten in het kader van agrarisch natuurbeheer nemen veel meer maatregelen om het beoogde natuurresultaat te behalen. Dat is de uitkomst van een onderzoek door CLM Onderzoek&Advies.
ANV’s spelen een belangrijke rol in de uitvoering van het Programma Beheer. Nederland telt tegen de 150 ANV’s, waarvan ongeveer één op de tien agrariërs lid is. Onderzoekers van CLM hebben in 2006 een enquête uitgevoerd onder alle ANV’s over de maatregelen die zij nemen. Het onderzoek gebeurde in opdracht van het Milieu- en Natuur Planbureau en de WOT Natuur & Milieu en moest duidelijkheid geven over hoe activiteiten van ANV’s kunnen bijdragen aan het behalen van de natuurdoelen van het Programma Beheer.
Uit de evaluatie blijkt dat de verenigingen die namens hun leden een collectief contract met de overheid afsluiten voor weidevogel- en slootkantbeheer, meer doen om de effectiviteit van het agrarisch natuurbeheer te vergroten. Dit kunnen maatregelen zijn die direct een bijdrage leveren aan wat er in het veld gebeurt, bijvoorbeeld door boeren te sturen de maatregelen op de ecologisch beste plekken te nemen. Maatregelen kunnen ook indirect bijdragen. ANV’s geven bijvoorbeeld cursussen agrarisch natuurbeheer om het kennisniveau van de boeren te verbeteren.

Provincies en het ministerie van LNV zouden meer collectieve contracten mogelijk moeten maken, adviseren de onderzoekers. Naast weidevogels en slootkantenbeheer zouden de contracten zich bijvoorbeeld kunnen richten op landschapselementen om de ruimtelijke samenhang en daarmee de ecologische effectiviteit te vergroten. ‘Dit systeem stimuleert boeren om nog meer hun best te doen om natuurdoelen te halen’, aldus onderzoeker Adriaan Guldemond.

Informatie: www.wotnatuurenmilieu.wur.nl
Bron: WOT Natuur en MIlieu

Zie ook: rapport

lees meer
14 FEBRUARI 2008

ENGELSE AANPAK GROEN-BLAUWE DIENSTEN WERKT

Advisering vooraf en een betere begeleiding tijdens de uitvoering van beheersmaatregelen stimuleren boeren veel meer om de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water te behalen. Dat blijkt uit een advies van CLM en NAJK aan de overheid. De organisaties hebben gekeken naar de aanpak van de Engelse overheid om particulieren in te zetten voor groen-blauwe diensten en concluderen dat ze het overzees veel beter doen.
Het Nederlandse systeem van agrarisch natuurbeheer is vooral gebaseerd op wederzijds wantrouwen, en dus op controle achteraf, stellen de onderzoekers. Het Engelse systeem voor beheer van groenblauwe diensten werkt juist met advisering vooraf en begeleiding tijdens de uitvoering van inrichtings- en beheermaatregelen.
Vijf Nederlandse jonge boeren, vertegenwoordigers van het ministerie van LNV, V&W en de Unie van waterschappen zijn op Engelse agrarische bedrijven op werkbezoek geweest. Zij zagen dat op basis van bedrijfswaterplannen in nauw overleg tussen boer en gebiedscoördinator bepaald wordt welke maatregelen voor natuur- en waterbeheer de boer het beste kan nemen. De boer wordt vervolgens betaald als hij de maatregelen heeft uitgevoerd. Hij loopt dus niet de kans, wat nu in Nederland het grootste knelpunt is, dat hij wordt gekort als, vaak buiten zijn schuld om, bepaalde doelen niet worden gehaald. Nederland zou de Engelse sleutel tot succes over moeten nemen, omdat het goed maatwerk op regionale schaal mogelijk maakt en boeren vrijwillig een bijdrage kunnen leveren aan beter waterbeheer.

Informatie: www.clm.nl/actueel/230108.html
Bron: CLM

Zie ook: rapport

lees meer
13 FEBRUARI 2008

AGRARISCH NATUURBEHEER VERBETERT NATUUR NIET

Agrarisch natuurbeheer draagt wel bij aan het behoud van natuurwaarden op botanische graslanden, maar niet aan de ontwikkeling ervan. Dat concludeert Alterra na een evaluatie van het agrarisch natuurbeheer in opdracht van het Milieu- en Natuur Planbureau en de WOT Natuur & Milieu. De constatering geldt zowel voor de lichte als de zware beheerpakketten die boeren hebben afgesloten.
De onderzoekers onderzochten de resultaten en natuurontwikkelingen van natte schrale, matig voedselrijke en bloemrijke graslanden. Ze vergeleken van ongeveer 230 beheerde locaties de samenstelling van plantensoorten. Daarnaast brachten de wetenschappers de ontwikkeling in kaart van acht gebieden die al vanaf het startpunt in de jaren tachtig zijn bijgehouden.
Uit de analyse blijkt wel dat de soortenrijkdom en de realisatie van natuurdoelen op de graslanden toenemen met de zwaarte van het beheer, maar grof gesteld is de situatie in meer dan twintig jaar constant gebleven. Het agrarisch natuurbeheer draagt dus bij aan het behoud, maar niet aan de ontwikkeling van natuurwaarden, concludeert Alterra. Overigens zijn de natuurwaarden in regulier agrarisch beheer de afgelopen decennia sterk achteruit gegaan.
De onderzoekers hebben ook meer specifiek een aantal lokaal geconstateerde beheerproblemen onder de loep genomen. Problemen lijken vaak te ontstaan door het uniforme en rigide karakter van de regelingen. Programma Beheer stelt landelijke doelen op die geen rekening houden de eigenheid van gebieden, stelt Alterra. Externe factoren, waar de beheerder geen invloed op heeft, zoals vermesting en waterhuishouding, zorgen er soms voor dat doelen niet gehaald kunnen worden. Ook is er vaak meer nodig dan een goed beheer, bijvoorbeeld een goede zaadbank of bereikbaarheid vanuit een nabijgelegen groeiplaats.

Informatie: www.wotnatuurenmilieu.wur.nl, www.mnp.nl
Bron: WOT Natuur en Milieu

Zie ook: rapport

lees meer
12 FEBRUARI 2008

GEELBUIKVUURPAD ERNSTIG BEDREIGD

De geelbuikvuurpad en de vroedmeesterpad zijn in Nederland ernstig bedreigd. De geelbuikvuurpad met zijn zwarte buik met daarop een patroon van gele vlekken is zelfs het zeldzaamste amfibie in Nederland, en heeft hier maar één levensvatbare populatie. Voor de voedmeesterpad en geelbuikvuurpad worden allerlei beschermende maatregelen uitgevoerd. In 2006 is voor deze soorten een nieuw beschermingsplan opgesteld voor de periode 2006-2010.
De geelbuikvuurpad is in ons land sterk in zijn voortbestaan bedreigd. In Nederland komt de soort uitsluitend in Zuid-Limburg voor, zij bereikt hier evenals de vroedmeesterpad de noordgrens van het areaal. Het Nederlandse areaal is de afgelopen decennia sterk ingekrompen. De geelbuikvuurpad is nu een zeer zeldzame soort, die in ons land nog slechts op zes plaatsen in Limburg voorkomt. In 2005 is op één van deze plaatsen de soort uitgezet in het kader van het beschermingsplan. Op slechts één van de zes plaatsen waar de soort in Nederland voorkomt, is er sprake van een levensvatbare populatie. De overgebleven populaties zijn volledig van elkaar geïsoleerd. De sterke versnippering van het areaal komt vooral door het verloren gaan van geschikte voortplantingsbiotopen. Een andere oorzaak van achteruitgang is de verminderde kwaliteit van geschikte biotopen.
Door aanleg van nieuwe poelen en herstel van bestaande voortplantingspoelen in het leefgebied van de geelbuikvuurpad wordt getracht de verdere achteruitgang te stoppen en de levensvatbaarheid van de populaties te vergroten.
Het areaal van de vroedmeesterpad is beperkt tot 12 leefgebieden in Zuid-Limburg. Het voorkomen op enkele plaatsten buiten Zuid-Limburg is het gevolg van illegale uitzettingen. Belangrijkste oorzaken van de achteruitgang van de populaties zijn het verdwijnen van geschikt voortplantingsbiotoop en landhabitat. Beschermingsmaatregelen richten zich dan ook op de ontwikkeling van nieuwe voortplantingswateren en het herstel van bestaande. Op deze manier wordt getracht verdere achteruitgang te stoppen en de levensvatvaarheid van de populaties te vergroten.

Informatie: www.milieuennatuurcompendium.nl
Bron: Milieu & NatuurCompendium

lees meer
11 FEBRUARI 2008

PLANT BEïNVLOEDT GEHELE VOESDSELWEB

Ecologen van Wageningen Universiteit en Imperial College Londen hebben een compleet voedselweb van negentien plant- en diersoorten geanalyseerd. Uit hun 'wie-eet-wie'-onderzoek blijkt dat de structuur van het voedselweb afhankelijk is van de kwaliteit van de planten, aan de basis van het web.
Het onderzoeksteam concentreerde zich op bladluizen en hun natuurlijke vijanden die zich op verwilderde en gecultiveerde koolplanten ontwikkelen. Daaruit blijkt dat bladluizen beter groeien en in hogere aantallen voorkomen op koolplanten die meer voedingsstoffen bezitten. Dit heeft weer invloed op de kwaliteit en de aantallen primaire en secundaire sluipwespen. Hieruit blijkt dat de plantenkwaliteit de hoger gelegen niveaus in de voedselketen beïnvloedt. De resultaten geven nieuw inzicht in de mechanismen die de structuur van een voedselweb bepalen en zelfs een hele levensgemeenschap beïnvloeden. Dit is van belang voor een beter begrip van het ontstaan en beheersen van insectenplagen in natuurlijke situaties, maar vooral in landbouwsystemen, waar insectenplagen veel voorkomen.

Informatie: www.wur.nl/NL/nieuwsagenda/nieuws/
Bron: Wageningen UR

lees meer
8 FEBRUARI 2008

MINDER BROEDVOGELS IN OOSTVAARDERPLASSEN

De discussie over grote grazers als middel van natuurbeheer is opnieuw opgelaaid na een uitgelekt rapport over de vogelstand in de Oostvaardersplassen. Daaruit blijkt dat van de 91 broedvogelsoorten in het gebied er 21 zijn verdwenen uit het deel waar grote kuddes runderen, paarden en edelherten de ruigte weg grazen. De verdwenen vogels staan op de Rode Lijst van vogelsoorten.
Ornitholoog Rob Bijlsma inventariseerde de vogelstand in opdracht van Staatsbosbeheer. Hij vond dat vooral vogels die broeden in riet en ruigte, zoals blauwborst, paapje en nachtegaal flink achteruit zijn gegaan. Slobeenden en wintertalingen zijn helemaal verdwenen uit het gebied. Volgens Bijlsma zijn grote grazers de oorzaak van de achteruitgang. De kuddes Heckrunderen, edelherten en Konickpaarden in de Oostvaardersplassen zijn de afgelopen tien jaar twee keer zo groot geworden met overbegrazing en vertrapping als gevolg.
Opdrachtgever Staatsbosbeheer is echter niet van plan het beheer van het natuurgebied te veranderen naar aanleiding van de kelderende vogelstand. ‘Wij zijn geen vogelfokbedrijf’, aldus regiodirecteur Oost Piet Winterman in het blad Bionieuws. Volgens Staatsbosbeheer horen dit soort ontwikkelingen binnen het natuurlijke systeem dat zij nastreven in de Oostvaardersplassen. Dit beleid kenmerkt zich door zo min mogelijk ingrijpen.
Vogelbeschermers vinden dit echter te gemakkelijk gesteld. Het rapport is de derde in een rij dat met slechte resultaten komt over de broedvogels. Zij vragen zich af of grote grazers wel het beste natuurbeheermiddel zijn in een Natura 2000-gebied. Staatsbosbeheer geeft aan de discussie pas verder aan te gaan als zij het eindrapport in handen hebben. Ze zullen naar aanleiding daarvan hun verdere plannen voor het beheer van de Oostvaardersplassen presenteren.

Informatie: www.bionieuws.nl, www.staatsbosbeheer.nl
Bron: Bionieuws

lees meer
7 FEBRUARI 2008

KLIMAAT VERANDERT LANDSCHAP

De klimaatverandering zal grote gevolgen hebben voor onze omgeving, met name voor het laagveenlandschap, dat verrommelt, verruigt en verbost. In kust- en rivierenlandschap vinden naast negatieve ook positieve ontwikkelingen plaats. Dat blijkt uit onderzoek naar effecten van klimaatverandering op het landschap in Laag-Nederland van Alterra in opdracht van het MNP en de WOT Natuur & Milieu.
De Nederlandse landschappen zijn ontstaan onder invloed van de mens als bewoner en bewerker van de ondergrond. In die millenniumlange relatie is het oerlandschap van woeste wouden en venen omgevormd tot een geordend geheel met een hooggewaardeerde identiteit. In Laag-Nederland zijn door waterstaatswerken en landbouwkundige ingrepen drie landschapstypen ontstaan; het kustlandschap, het laagveenlandschap en het rivierenlandschap.

Het laagveenlandschap zal door klimaatverandering zijn de streekeigen identiteit verliezen en de natuur- en landschapswaarden zien afnemen. Veel kenmerken van het karakteristieke laagveenlandschap komen onder druk te staan. De verscheidenheid, biodiversiteit en weidsheid nemen af. De vaarpolderstructuur zal afnemen en daarmee de streekeigen identiteit. Er ontstaat meer verrommeld land dat verruigt en verbost.
In het rivierenlandschap worden buitendijks veel obstakels geruimd, wat betekent dat het landschap weidser wordt. Het oude kleinschalige cultuurlandschap lijkt hier geen toekomst te hebben en geheel te verdwijnen. In verband met waterafvoerpieken zal de doorstroom van rivieren verder verbeterd worden. Binnendijks zullen de waterstaatkundige structuren grotendeels blijven bestaan, lokaal vinden dijkterugleggingen plaats. Boeren schakelen over op andere akkergewassen en het areaal wijnbouw neemt een hoge vlucht.
De typische kenmerken van het kustlandschap blijven in principe aanwezig. Op veel plekken zal het open karakter van het landschap verloren gaan door verruiging en bosontwikkeling. Er zal een groot aantal nieuwe watertjes ontstaan, waarin de natuur kansen krijgt. Daarnaast ontstaat een groter areaal zilte graslanden voor weidevogels en voor allerlei grasetende vogels, zoals ganzen, smienten en meerkoeten.

Om de ontwikkelingen te sturen moet zowel nationaal als internationaal over bestuurlijke grenzen heen worden gekeken, stellen de odnerzoekers. Bestuurders moeten met het water mee denken. Hierin past creatief omgaan met het watersysteem, bijvoorbeeld door creatiever kustbeheer, ‘cyclisch polderen’, ‘omhoog boeren’ en investeren in de spongiteit van het land.

Informatie: www.wotnatuurenmilieu.wur.nl


Zie ook: rapport

lees meer
6 FEBRUARI 2008

EIKELMUIS BIJNA VERDWENEN UIT NEDERLAND

Het voortbestaan van de eikelmuis in Nederland is ernstig bedreigd. De Nederlandse populatie is de laatste vijftien jaar zeer sterk achteruitgegaan. Oorzaken van deze achteruitgang zijn niet bekend. Mogelijk hangt het samen met de zachtere winters. Zoogdiervereniging VZZ werkt aan een grondig onderzoek van de verspreiding van het slaapmuisje.
De eikelmuis is vorig jaar in de Rode Lijst als ernstig bedreigd opgenomen. Bij recente verspreidingsonderzoeken werd de Eliomys quercinus alleen nog in het Zuid-Limburgse Savelsbos en de directe omgeving ervan waargenomen. De populatiegrootte wordt geschat op 40-80 individuen. De eikelmuis is nu in 6 kilometerhokken waargenomen, waarvan er 4 nieuw zijn sinds 2005. In de periode 1946-1999 werd de eikelmuis nog in 46 koilometerhokken geteld.

De achteruitgang wordt toegeschreven aan het steeds monotoner wordende cultuurlandschap, maar ook aan de warmer wordende winters. Door de warmere winters worden de dieren tijdens hun zeven maanden durende winterslaap vaker wakker. Ze gebruiken dan veel vet waardoor ze mogelijk het voorjaar niet halen.

Eikelmuizen leven vooral aan randen van loofbossen in glooiend gebied, het liefst begroeid met eiken, maar ze komen ook voor in naaldbossen, boomgaarden, tuinen en huizen. Het leefgebied van de eikelmuis beslaat een groot deel van West- en Midden-Europa. Ook in Europa is het aantal eikelmuizen sterk achteruit gegaan.

Het onderzoek naar de verspreiding van de eikelmuis wordt door de Zoogdiervereniging VZZ uitgevoerd samen met Alterra en Studio Wolverine en in nauwe samenwerking met de Zoogdierenwerkgroep van Natuurpunt en het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg. De gegevens die het onderzoek oplevert gaan gebruikt worden om concrete maatregelen voor inrichting en beheer te formuleren voor de bescherming van de eikelmuis.

Informatie: www.milieuennatuurcompendium.nl, www.vzz.nl
Bron: Milieu- en NatuurCompendium

lees meer
5 FEBRUARI 2008

NATUUR KAN OOK OP VERONTREINIGDE BODEM

Bij natuurontwikkeling op verontreinigde bodems is grote behoefte aan het inschatten van de ecologische risico’s. Alterra-onderzoekers hebben daarvoor een methode ontwikkeld, die op basis van eigenschappen van de voorkomende diersoorten de ecologische kwetsbaarheid van de ecotopen toetst. Dit moet leiden tot een computerprogramma dat aangeeft bij welke verontreiniging welke natuurontwikkeling haalbaar is.
Bij natuurontwikkeling op verontreinigde bodems is het met de nieuwe methode voor het eerst mogelijk om bij bepaalde typen bodemverontreiniging de meest kansrijke natuurontwikkelingsoptie te bepalen. De studie heeft het dier in zijn natuurlijke omgeving als startpunt – in tegenstelling tot de traditionele studies naar giftige stoffen die uitgaan van een laboratoriumsituatie.
Het onderzoek valt binnen het EU-project NoMiracle dat wordt uitgevoerd door een consortium van 35 universiteiten, onderzoeksinstituten en bedrijven. Het doel van NoMiracle is het ontwikkelen van nieuwe methoden voor de beoordeling van risico’s van verontreinigende stoffen in hun natuurlijke omgeving, in combinatie met andere verstorende factoren voor mens en milieu.
Het onderzoeksrapport geeft de resultaten van een analyse van binnen Alterra beschikbare gegevens, verkregen door veelvuldig veldonderzoek, aangevuld met literatuuronderzoek en interviews met experts. Het rapport is het tweede in een serie over ecologische kwetsbaarheid.
Alterra wil met deze methodiek een Decision Support System ontwikkelen voor natuurbeheerders en -inrichters. Dat wordt een softwareprogramma waarin gebruikers allerlei gegevens over het terrein kunnen invoeren om de haalbaarheid van diverse ontwikkelingsmogelijkheden te toetsen. Deze scenarioanalyse op maat geeft binnen korte tijd de meest kansrijke optie voor de inrichting van het natuurgebied. Zo moet het met ‘een druk op de knop’ duidelijk worden of het bijvoorbeeld verstandiger is om bij een bepaalde verontreiniging in een gebied een droge heide met reptielen of een natte heide met amfibieën als natuurdoel te willen realiseren.

Informatie: www.alterra.wur.nl
Bron: Alterra

Zie ook: rapport

lees meer
4 FEBRUARI 2008

BUNZINGEN GEZOCHT

‘Onvoldoende bekend.’ Dat is de status waarmee de bunzing op de Rode Lijst staat. Reden voor Zoogdiervereniging VZZ om dit jaar extra veel aandacht aan het dier te geven. Door de bunzing uit te roepen tot soort van het jaar 2008 hoopt de organisatie meer inzicht te krijgen in de toestand van het dier dat van oudsher overal in Nederland voorkomt.
Eens in de tien jaar wordt de status van inheemse zoogdieren bepaald en wordt een nieuwe (voorstel voor de) Rode Lijst van Kwetsbare en Bedreigde soorten opgesteld. De Rode Lijst vormt een belangrijke leidraad voor het beleid, zowel op landelijk, provinciaal als regionaal niveau. De basis voor het opstellen van een dergelijk Rode Lijst zijn waarnemingen in de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Een analyse van de recente gegevens in de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) laat een afname in de verspreiding van de bunzing van vijftig tot vijfenzeventig procent zien ten opzichtte van 1950. Deze afname lijkt VZZ echter ‘onwaarschijnlijk groot’ gezien de het feit dat de bunzing nog wel regelmatig en verspreid over het land als verkeersslachtoffer wordt waargenomen.
Volgens VZZ is de geanalyseerde afname eerder een gevolg van een tekort aan doorgegeven waarnemingen. Bunzingen zijn, in tegenstelling tot wezels en hermelijnen, vrijwel uitsluitend 's nachts op pad waardoor zichtwaarnemingen uiterst schaars zijn. Het aantal doorgegeven waarnemingen blijft daarom beperkt tot twintig tot dertig per maand. 'Het is dus zaak de verspreiding en aantallen komende tijd beter in beeld te krijgen', vindt VZZ. ‘We hopen dat door het uitroepen van de bunzing tot Soort van het jaar 2008 het aantal doorgegeven waarnemingen sterk zal toenemen.'

Van oudsher komt de bunzing vrijwel over het gehele land verspreid voor. De bunzing is niet gebonden aan een bepaalde biotoop, al heeft hij een voorkeur voor de nabijheid van water. De bunzing wordt vaak aangetroffen in oeverbegroeiing, maar ook in droge sloten, bij heggen en houtwallen en langs bos- en akkerranden. Het is een soort van kleinschalig landschap waarin voldoende dekking aanwezig is. De bunzing houdt zich graag in onderaardse holen op, en kiest hiervoor dikwijls holen van konijnen, of verlaten holen van vossen en dassen. Gedurende de winter verblijft hij ook veel in onbewoonde gebouwen en schuren, stallen of zolders en zelfs onder hopen stenen of hout. Waarnemingen kunnen worden doorgegeven op de website www.telmee.nl

Informatie: www.vzz.nl/soorten/bunzing/bunzing%20soort%20van%20het%20jaar%202008.html, www.telmee.nl
Bron: VZZ

lees meer
1 FEBRUARI 2008

'SPOOKVERHALEN' ROND NATURA 2000

De angst dat in natuurgebieden alles moet wijken door de Europese regelgeving is ongegrond. Dat stelde Jan Jaap de Graeff, algemeen directeur van Natuurmonumenten, op 31 januari op een persconferentie in Den Haag. Over het algemeen kunnen economische activiteiten gewoon doorgang vinden. En waar dat niet meer kan, is dat ook echt nodig voor de bescherming van bedreigde planten en dieren, stelt hij.
Volgens De Graeff beheersen enkele hardnekkige ficties het debat over de invoering van Natura 2000, het Europese netwerk van natuurgebieden. Het is heel belangrijk dat dat netwerk er komt, aldus De Graeff, want het gaat niet goed met de natuur in ons land. Tweederde van de planten en dieren die in Europees opzicht bijzonder zijn, gaat nog altijd achteruit, ondanks de inzet van natuurbeheerders als Natuurmonumenten. 'Het gaat daarbij niet alleen om soorten die nooit iemand ziet. Het gaat ook om heel herkenbare soorten, zoals de bever. Tegelijkertijd gaat het om natuur waar mensen enorm van genieten. En het gaat om natuur waarmee geld verdiend wordt; denk aan toerisme en horeca. De natuur heeft dus bescherming nodig en het is goed dat Europa dat wil regelen.'

Tegenstanders van Natura 2000 klampen zich in de ogen vast De Graeff vast aan spookverhalen. Zo wordt beweerd dat Nederland zo nodig het beste jongetje van de klas moet zijn. 'Dat is onzin', stelde De Graeff. 'Als je het vergelijkt met andere Europese landen is Nederland een middenmoter. Niet meer.'
Een andere misvatting is dat Natura 2000 verdere ontwikkeling van het bedrijfsleven onmogelijk maakt. De praktijk in bijvoorbeeld De Wieden laat inmiddels zien dat er nog volop ontwikkeling mogelijk is, aldus De Graeff. 'Maar dat wil niet zeggen dat alles kan. Daar waar natuur van Europees belang in het geding is, zal wel eens iets niet door kunnen gaan. Maar dat is ook goed, want Natura 2000 is er nu juist om zeldzame natuur te beschermen.'

Natuurmonumenten wil graag met andere betrokken partijen om tafel om te kijken waar knelpunten liggen voor het bedrijfsleven. Vervolgens moet dan gezamenlijk gezocht worden naar een oplossing. Als het betekent dat een bedrijf verplaatst moet worden, is het aan de overheid om dat financieel mogelijk maken. Met de Recron (recreatiebedrijven) en de Hiswa (watersportbedrijven) heeft Natuurmonumenten al afspraken gemaakt. De vereniging hoopt dat ook LTO Nederland (landbouw) zich zal aansluiten.

Informatie: www.natuurmonumenten.nl
Bron: Natuurmonumenten

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk