homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

30 JANUARI 2008

MINDER VOGELS IN DE STAD

Stadsvogels lijken het minder naar hun zin te hebben in de Nederlandse steden dan een paar jaar terug. Hun aantal is dit jaar namelijk afgenomen, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek. De negen vogelsoorten die voorheen het meest voorkwamen in de stad, zijn als geheel in aantal afgenomen. Vier van de negen soroten bleven stabiel, vijf vogelsoorten namen af.
Steden zijn voor veel vogels van groot belang als leefgebied. Maar tellingen van dit jaar wijzen uit dat er steeds minder rondvliegen. De trends van de afzonderlijke soorten vertonen wel duidelijke verschillen, volgens het CBS. Goed gaat het in de stad met de populaties van de koolmees, de merel, de pimpelmees en de vink. Hun aantallen nemen toe of blijven stabiel. Met andere vogelsoorten gaat het echter minder goed. Het aantal houtduiven, huismussen, kauwen, spreeuwen en Turkse tortels in de stad neemt de laatste jaren af.
De selectie van de negen meest algemene stadsvogels is gebaseerd op de vogelsoorten die in alle tuinvogeltellingen van 2003 tot en met 2006 in de top tien voorkwamen. Vogelbescherming Nederland en SOVON organiseren elk jaar in de winter een landelijke tuinvogeltelling. Vrijwilligers tellen dan een uur lang de vogels in hun tuin.

Informatie: www.cbs.nl, www.sovon.nl
Bron: CBS

lees meer
29 JANUARI 2008

NOORDZEE RAAKT VOL MET KLEINERE VISSOORTEN

De soortenrijkdom van de Noordzee stijgt, dankzij de opwarming van het klimaat. Geen goed nieuws voor vissers, denkt Remment ter Hofstede van Wageningen IMARES. ‘Het zijn vooral kleine vissoorten uit het zuiden die binnentrekken, terwijl enkele grotere, commercieel interessante vissoorten opschuiven naar het noorden.’ Samen met collega Jan Geert Hiddink van de Bangor University in Wales publiceert hij analyses aan de soortenrijkdom in de Noordzee in het komende nummer van Global Change Biology.
'Een toename in de soortenrijkdom is ook wat je zou verwachten op basis van de algemene biodiversiteitsregel dat het aantal vissoorten in de Atlantische Oceaan afneemt naarmate je verder van de evenaar afgaat’, zegt Ter Hofstede. Hij en collega Hiddink analyseerden de soortverschuivingen aan de hand van bestandsopnamen van de periode 1985 tot 2006, die jaarlijks gemaakt worden bij de International Bottom Trawl Survey. De bodemtemperatuur van de Noordzee blijkt in die periode anderhalve graad Celsius te zijn gestegen en het aantal vissoorten is met de helft toegenomen, van zestig tot negentig.
Bij de meeste vissoorten is sprake van een vergroting van het verspreidingsgebied in noordelijke richting. De grootste toename in verspreiding is te vinden bij kleine vissoorten als de ansjovis, mul, schurftvis, dwergtong en kleine pieterman. Van de laatste drie soorten is volgens Ter Hofstede ‘geen vlees te halen’, terwijl van drie commercieel interessante vissoorten – de zeewolf, de doornhaai en de schelvisachtige leng – het verspreidingsgebied in de Noordzee flink is gekrompen.
Het klimaateffect komt volgens Ter Hofstede bovenop het effect dat commerciële vissen al kleiner worden, als reactie op het massaal wegvangen van de grotere exemplaren.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
28 JANUARI 2008

SLECHT BROEDSEIZOEN GANZEN EN ZWANEN

Ganzen en zwanen die in arctisch Rusland broeden zijn dit najaar met uitzonderlijk weinig jongen in de winterkwartieren teruggekeerd. Dat meldt de Vogelbescherming na tellingen. De belangrijkste oorzaak voor het magere broedseizoen is waarschijnlijk de langdurige koude en sneeuwbedekking in grote delen van de toendra langs de Barentsz Zee.
Steekproefsgewijze tellingen van kleine zwanen, toendrarietganzen, kolganzen en brandganzen wijzen voorlopig op hooguit tien procent eerstejaars in de populatie. In groepen kleine zwanen en brandganzen worden vaak zelfs minder dan vijf procent jongen geteld. Bij geen van de genoemde soorten werden sinds 2000 dergelijk lage jongenpercentages vastgesteld. Bij de kolgans moeten we zelfs terug tot 1978/79 voor een vergelijkbaar slecht broedjaar.
In tegenstelling tot de andere soorten doen de (zwartbuik)rotganzen die op Taimyr broeden het beter dan voorspeld. In veel groepen worden tien tot vijftien procent eerstejaars gezien. Kleine rietganzen van Spitsbergen hadden een gemiddeld broedseizoen, met dertien procent eerstejaars.

Informatie: www.sovon.nl
Bron: Vogelnieuws digitaal, van Vogelbescherming Nederland en SOVON

lees meer
25 JANUARI 2008

BIOMASSA LANG NIET ALTIJD DUURZAAM

Sommige soorten biomassa leiden tot kap van oerwouden, hogere voedselprijzen en soms tot zelfs meer uitstoot van broeikasgassen dan olie of kolen. Stichting Natuur en Milieu en De Provinciale Milieufederaties hebben een lijst opgesteld van goede en foute soorten biomassa. De milieuorganisaties concluderen in hun visie ‘Heldergroene biomassa’ dat er voldoende mogelijkheden zijn voor duurzame elektriciteitsproductie met biomassa. Op korte termijn zijn er echter te weinig duurzame biobrandstoffen voor het verkeer.
Slechte biomassa zijn koolzaad, soja, palm- en zonnebloemolie, tarwe, bieten en mest. Deze biomassasoorten zouden niet door overheid gesubsidieerd moeten worden, stellen de milieuorganisaties. Goede biomassa zijn allerlei reststromen uit de voedingssector, landbouw en industrie, evenals diverse houtige gewassen, zoals hennep, riet, populier en wilg. Met hun visie 'Heldergroene biomassa' roepen de milieuorganisaties de overheid op om alleen echt duurzame soorten biomassa te stimuleren. De lijst van 'goede' en 'foute' biomassa kan daarbij als leidraad dienen.
De milieuorganisaties pleiten bovendien alleen voor vormen van duurzame biomassa die in Nederland geproduceerd kunnen worden. Ze kiezen voor schoon resthout uit de industrie, snoeihout uit bossen en houtwallen en papierslib (een restproduct uit de papierindustrie). Ook kunnen gewassen als wilg, riet en olifantsgras worden geteeld. De teelt van hout biedt mogelijkheden voor landschapsherstel, natuurontwikkeling en recreatie. Biomassa uit ooibossen, broekbossen, grienden en houtsingels kunnen de biodiversiteit in het landelijk gebied herstellen.
Verder vragen de milieuorganisaties in hun rapport om een verlaging van de verplichte doelstelling van 5,75 procent biobrandstof in de autobrandstoffen in 2010 . Volgens hen kan de overheid het stimuleringsbeleid beter richten op de daadwerkelijke CO2-besparing die een biomassasoort oplevert. Dit betekent dat de subsidie voor elektriciteitsproductie hoger moet zijn naarmate de toegepaste biomassasoort meer CO2-reductie oplevert. Ook bij de bijmengregeling zouden biobrandstoffen die veel CO2-winst opleveren zwaarder moeten meewegen.

Informatie: www.natuurenmilieunederland.nl, www.natuurenmilieu.nl/page.php?pageID=88&itemID=3324
Bron: Stichting Natuur en Milieu en De Provinciale Milieufederaties

Zie ook: rapport

lees meer
24 JANUARI 2008

BEHOUD LANDSCHAPPEN VRAAGT OM WETGEVING

De bescherming van waardevolle cultuurlandschappen is een proces van de lange adem. Daarom is meer continuïteit in het rijksbeleid noodzakelijk om de Nationale Landschappen op lange termijn te kunnen behouden en ontwikkelen, bijvoorbeeld via wetgeving. Dat stelt het Ruimtelijk Planbureau in haar advies ‘Nationale Landschappen. Beleidsdilemma's in de praktijk'. Ook stelt het RPB dat er meer regie nodig is, en duidelijkheid over taken en verantwoordleijkheden.
Het Nationaal Landschap is één van de concrete beschermingsacties van de rijksoverheid uit de Nota Ruimte, om waardevol cultuurlandschappen te behouden. Maar uit vrees dat de huidige vorm een onvoldoende krachtig beleidsinstrument is, denkt het rijk na over mogelijke aanpassingen van het beleidsconcept. Het RPB voerde ter ondersteuning een studie uit naar praktijkervaringen in het buitenland en concludeert dat een langere beleidshorizon noodzakelijk is om succes te garanderen.
Dit kan door net als in Duitsland, Engeland en Frankrijk, de belangrijkste doelstelling voor beschermde landschappen vast te leggen in wetgeving, stelt het RPB.

Het RPB constateert verder dat in de praktijk de regierol ten aanzien van de Nationale Landschappen onvoldoende helder is uitgewerkt. Ook is niet duidelijk hoe taken en verantwoordelijkheden over rijk, provincie en gemeenten zijn verdeeld. Deze onduidelijkheden zijn voor een deel het resultaat van de gekozen beleidsstrategie: decentralisatie naar lagere overheden terwijl het rijk het bestuurlijk proces faciliteert.
Soms is een scheidsrechterrol echter noodzakelijk, zegt het RPB. Vooral in de Nationale Landschappen die onder hoge druk verkeren, zoals in de Randstad, zijn belangenconflicten onvermijdelijk. In dergelijke gevallen, zou het rijk als beslissende factor kunnen optreden. Wanneer in Frankrijk partijen in een Parc Naturel Régionaux door conflicten bijvoorbeeld niet kunnen voldoen aan de gestelde doelen, kan de overheid besluiten de parkstatus in te trekken. Van deze maatregel gaat bovendien een preventieve werking uit. Vooral wanneer het Nederlandse rijk minder centraal wenst te sturen, kan een dergelijke maatregel een goede optie zijn, stelt het RPB. Als bijvoorbeeld blijkt dat het belang van Nationale Landschappen vaker dan gewenst het onderspit delft, kan het rijk besluiten de status Nationaal Landschap in te trekken.

In het rapport staat verder de aanbeveling dat de overheid rekening moet houden met de geografische ligging en samenstelling van de landschappen in combinatie met drukfactoren vanuit andere ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de woningbouw en de economie. Een dergelijke differentiatie biedt namelijk mogelijkheden voor alternatieve sturingsopties, die meer specifiek gericht zijn op een afgewogen mix van behoud én ontwikkeling. Ideeën voor een selectief en strikt beschermingsbeleid zijn te vinden in Duitsland, waar de bescherming van specifieke landschappelijke elementen zoals houtwallen onafhankelijk is geregeld van gebiedsbestemmingen.

Informatie: www.rpb.nl/nl-nl/
Bron: Ruimtelijk Planbureau

Zie ook: rapport

lees meer
24 JANUARI 2008

ONTEIGENING VOOR NATUUR SCHAADT BOEREN NIET

De aanleg van natuur gaat langzamer dan afgesproken. Maar versnelling is goed mogelijk door grond te werven via onteigening, en grondeigenaren daarvoor volledig schadeloos te stellen. Dat stelt de Raad voor het Landelijk Gebied (RLG) in zijn advies ‘De mythologie van onteigening’. Dit kan volgens de Raad zelfs goed uitpakken voor de boeren.
Onteigening wordt veel toegepast voor woonwijken, bedrijventerreinen, wegen en spoorlijnen maar niet voor natuur. Het zijn vooral emotionele overwegingen die onteigening voor natuur tegenhouden, want de feitelijke nadelen van onteigening zijn beperkt, volgens de RLG.

Het adviesorgaan rekent in zijn advies af met de ‘mythe’ dat onteigening nadelig is voor de landbouw. Onteigening wordt vooral negatief geassocieerd met het afpakken van eigendom. Maar de mogelijkheid tot volledige schadeloosstelling wordt steeds belangrijker, om de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) te kunnen realiseren. De raad adviseert bestuurders en volksvertegenwoordigers bij rijk en provincie de afweging tussen publieke en private belangen voor natuur net zo te maken als voor wonen, werken en infrastructuur. Bij ‘rode’ bestemmingen wordt het argument dat je mensen onteigening ’niet kunt aandoen’, niet vaak gehoord. De inzet van onteigening voor natuur dient ook voor de natuur gebaseerd te worden op rationele overwegingen en niet op zogenaamde mythen, zegt de RLG.

De landbouwsector kan bovendien juist gediend zijn met onteigening. Volgens de Raad zijn individuele landbouwbedrijven vaak beter af met onteigening bij grondwerving voor natuur. De volledige schadeloosstelling biedt namelijk mogelijkheden voor een boer om op andere en betere plekken verder te boeren.

In het advies ontkracht de RLG verder de veronderstellingen dat grondverwerving alleen maar vrijwillig mag, de grondprijs omhoog wordt gestuwd en de kosten van onteigening onbetaalbaar zijn. De omstandigheden voor de natuur én voor de landbouw zijn namelijk sterk veranderd sinds de principeafspraak uit 1989 om alleen op basis van vrijwilligheid grond te verwerven. De natuur is verder achteruitgegaan en de landbouw heeft meer behoefte aan goed ingerichte productiegebieden. In die situatie wordt wachten tot grond vanzelf beschikbaar komt contraproductief.
Met onteigening drijft de overheid de grondprijs ook niet op. De overheid geeft niet meer dan de reguliere grondprijs. De extra vergoeding is de schadeloosstelling voor onder meer gederfde inkomsten en gebouwen. Hierdoor kost het de overheid wel meer geld, beaamt de RLG. Als grondverwerving bijvoorbeeld voor de helft via onteigening verloopt, is jaarlijks 22 miljoen euro meer nodig. Maar dat levert ook opbrengsten op. De economische ontwikkeling van gebieden kan doorgaan. Ook is het rendement groter van de huidige investeringen van de Europese Unie, de rijksoverheid en de provinciale overheid in onder meer verdrogingsbestrijding, milieumaatregelen en het beheer van natuurgebieden. Daaraan worden honderden miljoenen euro’s per jaar besteed. Dit geld wordt effectiever besteed door met onteigening de versnippering van natuurgebieden te verminderen.

Informatie: www.rlg.nl
Bron: Raad voor het Landelijk Gebied

lees meer
23 JANUARI 2008

BUREAUCRATIE NEKT AGRARISCH NATUURBEHEER

Eenderde van de agrarisch natuurbeheerders is tussen 2000 en 2006 gestopt met dat beheer, vanwege onredelijke regels en uit angst voor boetes, meldt het dagblad NRC op basis van cijfers van Dienst Regelingen van LNV. Het subsidiestelsel voor natuurbeheer is zo bureaucratisch dat boeren en natuurbeheerders binnen drie jaar bijna acht miljoen euro terug moesten betalen, vaak buiten hun schuld om.
Volgens het NRC hebben boeren en natuurbeheerders in drie jaar tijd 7,6 miljoen aan ontvangen subsidie moeten terugbetalen. Daarbovenop kregen ze 2 miljoen euro aan boetes opgelegd omdat ze niet voldeden aan alle randvoorwaarden. Veel van deze eisen voor subsidie zijn echter niet gehaald buiten de schuld van de boer om. Zo moesten boeren geld terugbetalen omdat ze niet voldoende verschillende planten op hun grasland hadden. Een resultaat dat ook het gevolg kan zijn van het feit dat het grasland zich nog onvoldoende heeft weten te ontwikkelen, ondanks alle maatregelen die de boeren hebben genomen.
Het Gelders Landschap doet geen beroep meer op gelden uit het Programma Beheer, meldt het NRC. ‘De organisatie vond de administratieve romslomp en de controle en bezwaarprocedures te omslachtig.’

Dienst Regelingen keert jaarlijks 100 miljoen euro uit aan subsidiegelden voor natuur- en landschapsbeheer. Daar maakten tussen 2000 en 2006 circa 14.000 boeren en 2.400 natuurbeheerders gebruik van. De uitvoeringsinstantie heeft vijfduizend keer een sanctie opgelegd, waarna de subsidie werd stopgezet of zelfs terugbetaald moest worden. Naast niet-gehaalde doelen moesten boeren geld terugbetalen omdat ze fouten hadden gemaakt in de administratie. Volgens het NRC is dit echter vaak geen opzet geweest, maar een gevolg van onlogische regels. Jan Huizing, directeur uitvoering van de Dienst Regelingen erkent volgens de krant dat de regels zo gedetailleerd zijn beschreven dat ze vaak niet meer uitvoerbaar zijn. Maar hij geeft ook aan dat de instantie soepel is omgegaan met de regels.

Informatie: www.nrc.nl/binnenland/article900415.ece/Boeren_stoppen_met_beheer_natuur_door_bureaucratie, www.hetlnvloket.nl
Bron: NRC

lees meer
22 JANUARI 2008

BOERENLANDSCHAP IS TE REDDEN

Huizen, bedrijven, kassen, megastallen en wegen bedreigen het typisch Nederlands boerenlandschap. Maar de nieuwe wet op de ruimtelijke ordening biedt kansen om nationale landschappen te beschermen. Dat stelt het Milieu- en Natuurplanbureau bij het verschijnen van het rapport ‘Landbouw in de Nationale Landschappen’. Wel moet er extra geld vrijkomen om de boeren te helpen het landschap te beschermen.
Tot ver in de 20-ste eeuw was het Nederlandse landschap een agrarisch landschap. Het Rijk heeft in de Nota Ruimte de landbouw dan ook erkend als drager van typisch Nederlandse cultuur. Behoud van dit agrarische landschap wordt voornamelijk bepaald door ruimtelijk beleid. Want als boeren hun grond verkopen omdat ze geen opvolger hebben, komt daar in de meeste gevallen een andere boer voor in de plaats, tenzij de overheid tot een andere bestemming besluit, zoals verstedelijking of infrastructuur. Nationale landschappen kunnen dus beschermd worden door de inzet van de nieuwe wet op de ruimtelijke ordening.

Maar daarmee is het typische boerenlandschap nog niet behouden, want lonende landbouw en landschappelijkheid gaan meestal niet hand in hand. Volgens het MNP moet er geld bij om de boeren te helpen het landschap te beschermen. Voor herstel en versterking van het landschap in de Nationale Landschappen is naar schatting jaarlijks 180 miljoen euro extra nodig. Specifiek voor agrarisch landschapsbeheer bedraagt het gat ongeveer 25 miljoen euro per jaar. Op termijn kan de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid perspectief bieden voor Europese subsidies. Maar dat vraagt waarschijnlijk wel nationale (mede)financiering.

Informatie: www.mnp.nl
Bron: MNP

Zie ook: rapport

lees meer
21 JANUARI 2008

CULTUREEL ERFGOED INSPIREERT BLACK METAL

Statige landgoederen, kastelen en oeroude eikenbossen zouden vaker een locatie moeten zijn voor concerten van metalbands. Dat stellen vier studenten van Wageningen Universiteit voor, na een onderzoek naar de rol van cultureel erfgoed in de muziekstijl metal.
Niet alleen monumentenzorg houdt zich bezig met cultureel erfgoed. Ook veel jongeren zoeken naar verhalen over kruistochten en oude slagvelden. Alleen is dit soms om heel andere redenen dan de intrinsieke waarde ervan. De historische gebeurtenissen dagen sommige groepen namelijk uit tot gitaarrammen, het dragen van zwarte kleding met doodskoppen en diep gegrom. Historische verhalen en cultureel erfgoed blijken één van grootste inspiratiebronnen te zijn voor metal.
Metal is een genre dat in de jaren zeventig ontstond vanuit de hardrock. Harde ritmes, diepe tonen en versterkte elektrische gitaargeluiden kenmerken de stijl. In de loop der jaren zijn vele substijlen ontstaan.
Vier studenten van Wageningen Universiteit hebben in opdracht van het Belvedere Onderwijsnetwerk onderzocht hoe bands in een aantal van deze subgenres historie en cultureel erfgoed gebruiken in hun muziek. Zij concluderen dat de verhalen over kruistochten, historische veldslagen en heidense gebruiken uit een ver verleden als inspiratie dienen voor songteksten van vooral Black metal, Viking metal en Folk metal. ‘Regelmatig zijn het zelfs geschiedenisleraren die de teksten schrijven’, vertelt begeleider drs. Roel During van Alterra.
De historische invloeden zijn ook merkbaar in optredens en videoclips van de bands. Zo geven bandleden soms hele voorstellingen van veldslagen en andere historische gebeurtenissen om een sfeer rondom hun muziek te creëren.
Volgens During is het van belang om deze grote rol van cultuurhistorie in muziekstromingen beter te begrijpen en meer te belichten. ‘We willen graag dat de geschiedenis wordt overgedragen van generatie op generatie. Dit onderzoek laat zien dat de overdracht van kennis niet alleen via boeken of tv-programma’s gaat, maar dat er ook heel andere mechanismen zijn, zoals metalmuziek.’
Om het cultuurhistorisch besef te stimuleren, stellen de studenten voor om concerten te organiseren in een historische omgeving, zoals bij een kasteel. ‘Nu worden veel metalbands verbannen naar industrieterreinen, maar door concerten te organiseren in een historische omgeving kunnen we deze groep jongeren juist helpen in hun zoektocht naar het verleden en daarmee naar hun identiteit’, zegt During

Informatie: www.alterra.wur.nl
Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
18 JANUARI 2008

NATUUR KAN MEER BIOBRANDSTOF LEVEREN

Natuurgebieden in Nederland kunnen veel meer biomassa leveren voor energieproductie dan ze nu doen. Beheerders laten de potentiële biobrandstof liever in het gebied liggen, omdat de kosten van het vervoer van snoei- en maaiafval naar de verbrandingsinstallaties hoger zijn dan de opbrengst. Dat blijkt uit een onderzoek van Alterra.
De onderzoekers hebben berekend dat natuur- en landschapsgebieden bijna een miljoen ton droge biomassa per jaar unnen aanleveren zonder de natuur schade toe te brengen en zonder dat de oogst ten koste gaat van andere belangrijke gebruiksdoeleinden. Goed nieuws, want opwekking van energie door verbranding van niet-eetbare biomassa kan bijdragen aan de vermindering van de CO2-uitstoot.
Toch vindt hoogstens twintig procent van de berekende hoeveelheid biomassa zijn weg naar de verbrandingsinstallaties. Zonde, stellen de onderzoekers. Want voor veel biomassa dat bij onderhoud van de natuurgebieden vrijkomt, is een energietoepassing nuttiger dan het alleen als compost te laten liggen in het gebied.
Volgens Joop Spijker van Alterra zouden terreinbeheerders meer gestimuleerd kunnen worden om houtresten en gras als brandstof voor bio-energie aan te leveren. ‘Het wordt voor natuurbeheerders financieel veel interessanter als je de bijproducten van het onderhoud aan natuurgebieden koppelt aan energieprijzen.’
Vooral voor niet-houtige producten zoals gras, riet en heideplagsel is dit op de lange termijn zinvol. Nu is er voor energieopwekking nog maar weinig vraag naar ander natuurmateriaal dan hout. De technieken ontbreken nog om dit materiaal goed om te zetten en de regelgeving staat niet toe alle typen biomassa te gebruiken. Maar op de lange termijn bieden juist deze niet-houtige producten veel kansen voor de natuurbeheerder, zegt Spijker. ‘Deze stromen veroorzaken namelijk hoge kosten bij de beheerder en met de voltooiing van de Ecologische Hoofdstructuur komt er tot 2020 veel natuur bij, waarvan een groot deel grasland zal zijn.’
Samenwerking met andere sectoren kan de toepassing van biomassa uit de natuur als biobrandstof verder stimuleren. ‘Ook gemeenten, waterschappen en boeren hebben namelijk veel biomassa die ze kwijt moeten. Samen kunnen ze eerder tot een regionale oplossing komen, zoals een verbrandingsinstallatie in de buurt. Dit bespaart transportkosten en zo ontstaat er een geheel nieuwe markt. Misschien kunnen natuurbeheerders uiteindelijk zelfs winst maken op hun restproducten’, zegt Spijker.

Informatie: www.alterra.wur.nl
Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

Zie ook: rapport

lees meer
16 JANUARI 2008

'SCHELPDIERKWEEK KAN NATUUR VERSTERKEN'

Grootschalige, extensieve schelpdierkweek langs de Nederlandse kust kan hand in hand gaan met natuur, of die zelfs versterken. Dat kan leiden tot een duurzame exploitatie van oesters, mosselen en andere schelpdieren, voor een toenemende vraag op de wereldmarkt, en tegelijk tot grote leefgebieden voor wadvogels en andere organismen. Met die overtuiging aanvaardt Aad Smaal op 17 januari het ambt van buitengewoon hoogleraar Duurzame schelpdiercultuur aan Wageningen Universiteit.
Volgens Smaal biedt een geïntegreerde aanpak van kweek en natuur meer kansen voor zowel de toekomstige schelpdiercultuur in Nederland als voor natuurontwikkeling, dan een strikte scheiding van kweek en natuur. Want terwijl de visserijvangsten door overbevissing teruglopen, en viskweek voor het voer veelal afhankelijk is van visvangsten, heeft de kweek van schelpdieren het grote voordeel dat schelpdieren leven van plantaardig materiaal. Hierdoor is 'een synthese van activiteiten waarbij gezocht wordt naar synergie' mogelijk.
De schelpdiercultuur kan volgens Smaal zo worden ingericht dat natuurwaarden worden versterkt. Schelpdieren zijn namelijk de motor van de voedselkringloop in kustgebieden. Mosselen en oesters filteren fijne voedseldeeltjes uit het water, waardoor ze het water zuiveren. Tegelijkertijd vormen ze een voedselbron voor wadvogels als scholekster, strandloper en eidereend. Ook bieden de schelpdierbanken bestaansmogelijkheden voor talloze andere zeeorganismen zoals kreeftachtigen en anemonen. Door schelpdieren extensief te kweken, komen er meer schelpdieren en is bovendien hun gewicht groter. Op die manier is het aanbod voor vogels groter, wordt de filtrerende werking van de schelpdieren versterkt en ontstaan er nog meer niches voor andere soorten. Uiteraard levert de schelpdiercultuur ook een hogere opbrengst op voor de kweker.

Nederland is de derde producent van schelpdieren in Europa. Terwijl de productie voor geheel Europa stabiel is, stijgt die sterk in opkomende landen als China. Smaal ziet voor Nederland een trendsettende rol weggelegd. 'Nederland kent een lange traditie van schelpdiercultuur, met producten van hoge kwaliteit, smaak en een uitstekend imago.' Daarom wijst hij de inheemse platte oester aan, die als eerste in aanmerking komt voor revitalisering. 'Herintroductie van de platte oester in de Waddenzee is logisch omdat er vroeger uitgebreide oesterbanken waren.'
Daarbij geldt wel dat extensieve schelpdiercultuur weliswaar aansluit bij natuurlijke processen, maar er ook afhankelijk van is. 'De kweker dient de grillen van de natuur te accepteren. Strenge winters, hete zomers, bewolkte zomers met weinig voedselproductie, het hoort er allemaal bij.' Daarbij rekent Smaal ook effecten van menselijk handelen zoals waterverontreiniging, rampen met olietankers, klimaatverandering en beperkende maatregelen vanuit recreatie en natuurbescherming.

Informatie: www.wur.nl
Bron: Wageningen UR

lees meer
15 JANUARI 2008

WADDENZEE CRUCIAAL VOOR STELTLOPERS

De Waddenzee is een essentieel gebied voor vele soorten steltlopers, bewijst het promotieonderzoek van Meinte Engelmoer van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verzamelde sinds 1981 gegevens van meer dan 32000 vogels en concludeert dat de Waddenzee tot de drie meest belangrijke vogelgebieden van de wereld behoort.
Promovendus Engelmoer ving vanaf 1981 meer dan dertigduizend steltlopers in het waddengebied, om snavellengtes en andere kenmerken zoals gewicht op te meten. Ook nam hij drieduizend dode dieren uit verschillende musea op het noordelijk halfrond onder de loep. Met de gegevens heeft hij een gedetailleerd beeld opgesteld van populaties steltlopers, hun specifieke broedgebied, aantallen, hun leeftijd en lichaamsgewicht.
Ook bieden de gegevens meer zicht op de verspreiding en activiteiten van de vogel in het waddengebied. De steltlopers zitten niet zomaar overal in en rond de Waddenzee, maar gebruiken verschillende stukjes wad voor verschillende doeleinden. Zo strijken steltlopers langs de kust even neer om weer snel verder te trekken. Op de eilanden worden echter veel langer gebivakkeerd, onder andere om te ruien. Dit doen ze niet op het vaste land.
Volgens de Waddenvereniging bevestigt het proefschrift ‘Breeding origins of wader populations utilizing the Dutch Wadden Sea’ het belang van de Waddenzee. Volgens de onderzoeker zelf rechtvaardigen alleen de gevonden resultaten al de plaatsing van de Waddenzee op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. Hij bepleit daarom de voortzetting van ring- en meetprogramma’s aan steltlopers om zo het menselijk gebruik van de Waddenzee te kunnen zoneren en de oorzaken van achteruitgang van populaties te kennen, maar vooral ook te verklaren.

Informatie: www.waddenvereniging.nl, www.rug.nl
Bron: Waddenvereniging / Rijksuniversiteit Groningen

Zie ook: rapport

lees meer
14 JANUARI 2008

KEMPHAAN VERDWIJNT, SPOTVOGEL KOMT

Exotische vogelsoorten uit Zuid-Europa zijn over vijftig jaar een begrip in Nederland. Dat zegt Ruud Foppen van de vereniging SOVON Vogelonderzoek Nederland.
SOVON heeft samen met de Vogelbescherming en de Universiteit van Durham de Klimaatatlas Europese Broedvogels samengesteld. De atlas biedt voor meer dan 540 Europese broedvogelsoorten een beeld van de leefomgeving van vogels over vijftig jaar.
Dat de klimaatverandering grote gevolgen heeft voor de vogels die in Europa broeden, mag verwacht worden. De Klimaatatlas voor Europese broedvogels die vogelbeschermingsorganisaties BirdLife International deze week presenteert, beschrijft welke gevolgen dit precies zijn en voor welke soorten die gelden. Het wetenschappelijk onderbouwde boekwerk is een waarschuwing voor het verdwijnen en opschuiven van leefgebieden en moet Europese lidstaten stimuleren in hun natuurbeleid op de veranderingen te anticiperen.

Door de klimaatveranderingen worden veel soorten gedwongen naar nieuwe broedplaatsen te zoeken. Dit is niet voor alle vogels mogelijk waardoor een aantal ernstig bedreigd wordt. Zo wordt in Nederland het voortbestaan van de spotvogel, velduil en kemphaan bedreigd, omdat het klimaat niet meer voldoet aan hun habitateisen. Tegelijkertijd trekken juist de nu in het zuiden levende vogels meer naar het noorden. De atlas voorspelt dat de orpheusspotvogel, een nu nog exotische familie uit Zuid-Europa, straks veelvuldig in Nederland te zien zal zijn. Hetzelfde geldt voor de Provençaalse grasmus, die nu nog langs de Middellandse Zee leeft.

Volgens de samenstellers van de atlas moeten Europese lidstaten alert zijn op de veranderingen. Natuurbeleid moet zich concentreren op een goede kwaliteit en grootte van natuurgebieden om uitsterven van vogelsoorten te voorkomen.

Informatie: www.klimaatnieuws.nl
Bron: Klimaatnieuws

lees meer
11 JANUARI 2008

ALLOCHTONEN HEBBEN LIEVER VERZORGDE NATUUR

Allochtonen van Turkse, Marokkaanse en Surinaamse afkomst zijn meer gericht op recreatie in stadsparken en recreatiegebieden aan de rand van de stad dan op recreatie in natuurgebieden. Dat blijkt uit een literatuuronderzoek uitgevoerd door Alterra, in opdracht van het Samenwerkingsverband Nationale Parken (SNP).
Het SNP wil graag mensen met verschillende culturele achtergronden aantrekken. Om bij de allochtone bevolkingsgroepen natuurbeleving en natuurgerichte recreatie te stimuleren wilde het SNP weten hoe zij de natuur beleven. De analyse van Alterra laat zien dat niet-westerse allochtonen veel minder graag recreëren in natuurgebieden dan in stadsparken. En de mensen die wel in natuurgebieden komen, doen dit aanzienlijk minder vaak dan autochtonen.

Volgens Alterra heeft de reden waarom allochtonen minder gebruikmaken van buitenstedelijk groen ondermeer te maken met sociaal-economische, etnisch-culture en situationele factoren en met onbekendheid met natuurgebieden. De onderzochte doelgroep bezoekt parken en recreatiegebieden bijvoorbeeld vooral voor het sociale aspect. Men gaat met familie en vrienden naar buiten om met elkaar te praten, eten, zitten en spelen. Wandelen en fietsen doen de allochtonen minder dan autochtonen.

Qua landschap geven de Turken, Marokkanen en Surinamers in Nederland de voorkeur aan idyllische dorpslandschappen, gevolgd door bos en rivierenlandschap. Ruige landschappen waarderen ze het minst. Ze geven ook de voorkeur aan verzorgde natuur. Natuur moet niet aan haar lot overgelaten worden, maar moet actief beheerd worden. Natuur is er in hun ogen vooral voor het menselijke en economische nut, zoals het oogsten van allerlei producten. Dit in tegenstelling tot autochtonen die de intrinsieke waarde van natuur juist belangrijk vinden. De allochtonen vinden het dan ook storend dat ze op de paden moeten blijven en nergens aan mogen komen.

Als het SNP allochtonen meer wil betrekken bij de natuur in hun parken is van belang bij de inrichting van terreinen rekening te houden met deze wensen, adviseert Alterra. Het is echter wel te simpel om te denken dat een picknicktafel voldoende is. Een goede informatievoorziening is bijvoorbeeld noodzakelijk. Alterra noemt de website van de Biesbosch als goed voorbeeld omdat informatie in verschillende talen beschikbaar is.

Informatie: www.alterra.wur.nl
Bron: Alterra

Zie ook: rapport

lees meer
10 JANUARI 2008

HOOFDSTRUCTUUR HELPT PLANTEN ONVOLDOENDE

Door versnippering van het landschap hebben planten steeds meer moeite om hun zaden te verspreiden. Dat concludeert ecoloog Wim Ozinga van de Radboud Universiteit Nijmegen in zijn promotieonderzoek. De ecologische hoofdstructuur is volgens hem niet voldoende om de negatieve effecten van landschapsversnippering tegen te gaan.
Voor veel plantensoorten zijn de leefgebieden teruggedrongen tot eilandjes van ecologische rijkdom in een zee van ongeschikt leefgebied. Voor de overleving van planten is transport van zaden tussen deze 'eilandjes' cruciaal. Wind, water, vogels en de vacht of mest van zoogdieren helpen de planten zich te verplaatsen. De effectiviteit van deze infrastructuur is in de twintigste eeuw echter sterk aangetast, zegt promovendus Ozinga. Zo zijn in veel landschappen stromend water en rondtrekkende zoogdieren, zoals schaapskuddes met herder, weggevallen als transportmiddel.

Door de toegenomen barrières in het landschap kunnen veel zaden van planten zich volgens Ozinga niet wijd verspreiden. Het huidige natuurbeleid is daarbij onvoldoende in staat om deze effecten van landschapsversnippering tegen te gaan, concludeert de ecoloog in zijn onderzoek. Plantecologische diversiteit vraagt om meer dan de ecologische hoofdstructuur, zegt Ozinga. Een versterking van de mobiele infrastructuur voor planten is volgens hem vooral nodig in aangrenzende landbouwgebieden. 'Boeren voor natuur' kan daarom mogelijk een aanknopingspunt zijn om de planten te helpen met hun verspreiding.

Informatie: www.ru.nl
Bron: Radboud Universiteit Nijmegen

lees meer
9 JANUARI 2008

GROENE RIJKSWEGEN VERBETEREN LUCHTKWALITEIT

Stadsregio Arnhem Nijmegen heeft een plan gepubliceerd dat de luchtkwaliteit moet verbeteren en dat moet bijdragen aan het tegengaan van de klimaatverandering. In het plan genaamd Eureka zijn vijf concrete oplossingen uitgewerkt, deels geïnspireerd op het onderzoek ‘Groen voor lucht’ van Alterra naar groene maatregelen langs wegen om fijn stof op te vangen. Arnhem en Nijmegen bouwen hierop voort met het planonderdeel Flora.
Groene maatregelen leveren volgens Alterra een serieuze en betekenisvolle bijdrage aan de luchtkwaliteit en de aanpak van het klimaatvraagstuk. Bovendien maken ze de woonomgeving aantrekkelijker, verhogen ze het leefklimaat en versterken ze het landschap. Uit het onderzoek ‘Groen voor Lucht’ is gebleken dat daarvoor verschillende mogelijkheden op verschillende schaalniveaus voorhanden zijn. Het identificeren van de best renderende, maakbare en haalbare oplossingen voor de luchtkwaliteit langs rijkswegen staat centraal in het programma Flora. Het resultaat van Flora zal een gereedschapskist met uitgewerkte en direct toepasbare maatregelen zijn. Daarnaast wordt binnen Flora een keuzekaart opgesteld waarmee partijen snel en makkelijk kunnen vaststellen of en hoe maatregelen een meervoudig effect hebben.

Het gaat in Flora ook om een andere kijk op de sturingsstijl en procesaanpak. De overheid, dus ook de stadsregio, staat niet langer boven, maar tussen alle partijen. Private partijen, maatschappelijke organisaties, ondernemers en burgers kunnen zelf ook vorm en inhoud geven aan Eureka, en daarmee aan Flora. Dit plan is daarvan een goed voorbeeld: het is opgesteld door een consortium van vijf partijen, waarin behalve de Stadsregio Arnhem Nijmegen, Alterra, WUR ASG, MAQ, KEMA en Integralis PP vertegenwoordigd zijn.

Informatie: www.alterra.wur.nl
Bron: Alterra

Zie ook: rapport

lees meer
8 JANUARI 2008

GOED JAAR VOOR DRUNENSE DASSEN

Het gaat goed met de das in het Nationaal Park de Loonse en Drunense Duinen. Dat meldt Natuurmonumenten. De dassenpopulatie heeft het afgelopen jaar in het gebied een vooroorlogs aantal bereikt met zeventien dassenburchten. In totaal leven er nu 55 dassen in het gebied.
De das kwam vroeger in grote delen van Noord-Brabant voor. Voor de Tweede Wereldoorlog lagen in de Loonse en Drunense Duinen en omgeving 17 bewoonde dassenburchten. De das verdween vanaf 1945 uit het landschap door ruilverkavelingen, aanleg van woonwijken, industrieterreinen en wegen en door de jacht.
Sinds 1947 is de das wettelijk beschermd. Natuurmonumenten en Das & Boom hebben in 1999 als stimulans voor herstel van de populatie 21 dassen uitgezet in het Nationaal Park. Sindsdien nam de populatie gestaag toe tot het huidige aantal van zeventien burchten en 55 dieren.
Volgens Natuurmonumenten zijn er in 2007 in zes burchten jongen geboren. Maar er zijn ook zeven dode dassen gemeld, waarvan zes verkeersslachtoffers. In de gemeente Tilburg worden binnenkort tunnels en rasters aangelegd om dassen en andere dieren te beschermen. Voor een verdere verspreiding van de das is de aanleg van een ecologische verbindingszone tussen landgoed Huis ter Heide en Dorst belangrijk, stelt de natuurorganisatie. Ook de natuurbrug Woudspoor over de snelweg tussen Tilburg en Waalwijk is gunstig voor de verdere ontwikkeling van dassenpopulatie in Noord-Brabant.

Informatie: www.natuurmonumenten.nl
Bron: Natuurmonumenten

lees meer
7 JANUARI 2008

BOTANISCH BEHEER VERSLAAT WEIDEVOGELBEHEER

De sinds 2003 gewijzigde vergoedingen voor agrarisch natuurbeheer hebben ertoe geleid dat botanisch beheer economisch aantrekkelijker is geworden dan weidevogelbeheer. Dat concludeert het LEI in een modelberekening in opdracht van WOT Natuur en Milieu. Tot 2005 was weidevogelbeheer economisch aantrekkelijker. In de praktijk zijn er nog veel boeren die aan weidevogelbeheer doen, omdat de pakketten voor een periode van zes jaar zijn afgesloten.
Tot 2005 was weidevogelbeheer economisch aantrekkelijker dan botanisch beheer omdat de vergoeding hoog was, terwijl er nauwelijks beperkingen waren voor de bedrijfsvoering. Het pakket weidevogelbeheer richt zich op alleen nestbescherming. Bij botanisch beheer is er ook aandacht voor naweiden en hooilandbeheer.
Door veranderingen in de vergoedingen is botanisch beheer in der loop der jaren economische gunstiger geworden. Zo is na 2005 door de ontkoppeling van de bergboerenregeling de vergoeding voor weidevogelbeheer flink gedaald. Tegelijkertijd is het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid in 2006 aangepast. Agrariërs krijgen niet langer premies voor hun gewassen, maar ontvangen een bedrijfstoeslag die losstaat van het aantal hectares bouwland. Dit biedt meer ruimte voor agrarisch natuurbeheer.
Sinds 2007 is het pakket weidevogelbeheer niet meer opengesteld omdat de effectiviteit twijfelachtig is. De lopende pakketten zijn echter afgesloten voor zes jaar, waardoor de overstap naar botanisch beheer niet voor de hand ligt. Bovendien zijn voor botanisch beheer structurele aanpassingen in de bedrijfsvoering nodig, die in de praktijk nu nog nauwelijks gebeuren. Om dit te verwezenlijken is meer continuïteit in de subsidieregeling van groot belang, stelt het LEI.

Informatie: www.lei.wur.nl
Bron: LEI, Agrimonitor

Zie ook: rapport

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk