homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

21 DECEMBER 2007

ECODUCT HELPT DAMHERTEN DUINEN

De aanleg van een ecologische verbinding tussen de Amsterdamse Waterleidingduinen en het Nationaal Park Zuid-Kennemerland is de beste optie om de overlast van damherten in de omgeving terug te dringen. Dat blijkt uit onderzoek van Alterra.
De damherten lopen nu nog vrij rond in en rond de waterleidingduinen. Zolang er geen hek om het gebied staat, heeft eigenaar Waternet geen verantwoordelijkheid over de dieren die in de duinen leven. Desondanks zoekt het waterleidingbedrijf naar middelen om de overlast op omliggende landbouwpercelen te verminderen, zoals een raster rondom het gebied, dat de herten binnen moet houden. Op dat moment wordt de eigenaar wél wettelijk verantwoordelijk voor de dieren.
Beheer door middel van afschot onder de Flora- en faunawet is echter niet toegestaan, omdat het gebied kleiner is dan 5000 hectare. Een ecologische verbinding met het naastgelegen nationaal park kan dit probleem verhelpen, concludeert Alterra. Dan is het gebied met 7200 hectare groot genoeg om een ontheffing te kunnen krijgen voor afschot om de populatiegrootte onder controle te houden.
Bovendien zal de overlast in de directe omgeving van het gebied verminderen, omdat die vooral veroorzaakt wordt door individuen zijn die zich willen verspreiden.
Alterra onderzocht ook de haalbaarheid en het effect van introductie van natuurlijke predatoren, zoals de wolf en de lynx. Het gebied is echter te klein voor levensvatbare populaties. De wolven en lynxen zouden bovendien landbouwhuisdieren gaan aanvallen, voorspelt Alterra.

Bron: Boomblad #6 - 2007

Zie ook: rapport

lees meer
20 DECEMBER 2007

NEDERLANDSE NATUUR INTERNATIONAAL WAARDEVOL

De Nederlandse natuur draagt flink bij aan de internationale natuurwaarden, blijkt uit een analyse van Alterra. Nederland beschikt over 34 ecosystemen en 111 soorten die binnen Europa van groot belang zijn. Nederland huisvest bovendien meer dan de helft van de totale populatie Noordse woelmuis, alsook van het areaal droog stroomdalgrasland en kalkrijk duingrasland.
De onderzoekers vergeleken het voorkomen van Nederlandse natuurarealen en populaties met die in rest van Europa. De 34 ecosystemen in ons land vormen 40 procent van het internationale totaalaantal.
Dertig van de 34 waardevolle ecosystemen vallen onder de Europese Habitatrichtlijn. Van de vier ecosystemen die niet onder de Habitatrichtlijn vallen, zijn er drie van zoom- of mantelbegroeiingen. Alterra geeft als mogelijke verklaring hiervoor dat die typen plantengemeenschappen pas relatief laat beschreven zijn, en daardoor ook pas de laatste jaren aandacht vanuit het natuurbeheer krijgen. Vooral het gebrek aan bescherming van dotterbloemgraslanden is volgens de onderzoekers een ‘grote misser’, vanwege een scala aan bedreigde plantensoorten.
Naast de Noordse woelmuis, het droog stroomdalgrasland en het kalkrijk duingrasland, zijn er twee ecosystemen en tien soorten waarvan Nederland meer dan tien procent van het areaal of de populatie bezit. De meeste hiervan komen voor op de hogere zandgronden en langs de kust. Ook het rivierengebied en de laagvenen zijn internationaal gezien belangrijk omdat ze een relatief groot deel van de internationaal belangrijke ecosystemen en soorten herbergen.
De onderzoekers concluderen verder dat Nederland een kwart van de reptielen huisvest, zestien procent van de zoetwatervissen, twaalf procent van de amfibieën, tien procent van de zoogdieren, acht procent van de mossen en drie procent van de vaatplanten.

Bron: Boomblad #6 - 2007

Zie ook: rapport

lees meer
19 DECEMBER 2007

RIVIERDONDERPAD BLIJKT ANDERE SOORT

De wettelijk via de Habitatrichtlijn beschermde rivierdonderpad komt in Nederland vermoedelijk helemaal niet voor. Taxonomisch en genetisch onderzoek heeft aangetoond dat in Europa meerdere soorten donderpadden voorkomen, die voorheen tot dezelfde soort –Cottus gobio - werden gerekend. Recent onderzoek heeft inzicht gegeven in het voorkomen van de twee 'nieuwe' soorten in Nederland. Dat schrijven de onderzoekers in De Levende Natuur.
Uit het onderzoek is gebleken dat niet de Cottus gobio in Nederland voorkomt, maar de Cottus perifretum én de Cottus rhenanus. De Cottus perifretum komt voor in rivieren met een relatief lage stroomsnelheid, zoals de Rijn en de Maas, en stilstaande binnenwater zoals het IJsselmeer. De Cottus rhenanus geeft de voorkeur aan snelstromende beken, zoals de Geul in Zuid-Limburg. De onderzoekers stellen dan ook voor deze laatste nieuw onderscheiden soort de naam Beekdonderpad te geven.
Voorlopig blijven de nieuw geďdentificeerde soorten beschermd via de Habitatrichtlijn, omdat ze officieel nog onder de Cottus gobio vallen. De nieuwe inzichten zullen wel worden meegenomen bij een toekomstige herziening van de Habitatrichtlijnsoorten. De kans dat de in Nederland aanwezige soorten dan van de lijst verdwijnen, is echter klein. Nu er meerdere soorten blijken te zijn, is het verspreidingsgebied van de rivierdonderpad namelijk veel kleiner dan gedacht. Bovendien blijkt vooral de Cottus rhenanus vrij zeldzaam te zijn in Nederland.

Bron: Boomblad #6, december 2007

lees meer
18 DECEMBER 2007

UITHEEMSE EEKHOORNS GEZOCHT

In toenemende mate worden in Nederland uitheemse eekhoorns in het wild waargenomen. Deze kunnen een gevaar opleveren voor de inheemse rode eekhoorn (Sciurus vulgaris), stelt Zoogdiervereniging VZZ. Om een beeld te krijgen van waar welke soorten op dit moment voorkomen, roept VZZ iedereen op melding te maken van het zien van een uitheemse eekhoorn.
In een aantal Europese landen (Groot-Britannië, Ierland, Italië) is de uit Amerika afkomstige grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis) uitgezet. Als gevolg hiervan wordt de inheemse rode eekhoorn in die gebieden bedreigd in zijn voortbestaan.
Hoogstwaarschijnlijk zijn er meer uitheemse soorten die een gevaar voor de inheemse soort vormen als ze de kans krijgen zich in Nederland te vestigen. In de afgelopen twee jaar zijn er in Nederland zes uitheemse eekhoornsoorten gemeld. De Siberische grondeekhoorn (Tamias sibiricus) heeft al enkele tientallen jaren een levensvatbare populatie opgebouwd in Brabant bij Tilburg. Een grijze eekhoorn is in 2005 waargenomen in het havengebied van Amsterdam. In 2006 is er een mogelijke grijze eekhoorn waargenomen in Kockengen. In 2007 werden in Limburg twee Chinese rotseekhoorns (Sciurotamias davidianus) waargenomen bij America. Verder werd in 2007 een veelkleurige eekhoorn (Sciurus variegatoides dorsalis) waargenomen in Brabant bij Kaatsheuvel. Wederom in 2007 en in Brabant maar nu bij Sint Anthonis, kreeg VZZ de waarnemingen door van meerdere ontsnapte Chinese boomeekhoorns (Tamiops swinhoei). De zesde soort betreft een melding in 2007 van de Amerikaanse rode eekhoorn (Tamiarsciurus hudsonicus) in Beerta Groningen.
Uitheemse eekhoorns staan in toenemende mate in de belangstelling als huisdier. De kans dat individuen ontsnappen of losgelaten worden neemt daardoor sterk toe. Zoogdiervereniging VZZ is door het ministerie van LNV gevraagd om een risico-analyse uit te voeren naar het gevaar van uitheemse eekhoorns voor het voortbestaan van onze rode eekhoorn. Meldingen van uitheemse eekhoorns zijn daarbij van groot belang. Ook in oudere waarnemingen is VZZ geďnteresseerd.

Waarnemingen (graag met foto, aantal en plaatsaanduiding) melden bij vilmar.dijkstra@vzz.nl

Informatie: www.vzz.nl
Bron: VZZ, Vilmar Dijkstra

lees meer
17 DECEMBER 2007

VLAAMSE NATUUR TOEGANKELIJKER

De Vlaamse regering gaat de toegankelijkheid van bos en natuur verbeteren, door de mogelijkheden voor wandelaars en andere vormen van ‘zachte recreatie’ uit te breiden. Ook wordt er een uniforme bebording ingevoerd voor alle openbare natuur in Vlaanderen.
De Vlaamse regering heeft op 14 december een besluit goedgekeurd over de toegankelijkheid van bossen en natuurgebieden. Met het besluit worden de mogelijkheden uitgebreid voor alle vormen van ‘zachte recreatie’ in bossen en natuurgebieden. ‘Door bossen en natuurgebieden toegankelijk te maken, laten we de Vlamingen ook daadwerkelijk genieten van de resultaten van het natuur- en bosbeleid’, aldus minister Hilde Crevits van leefmilieu en natuur.
In de eerste plaats worden de mogelijkheden voor wandelaars uitgebreid. Daarnaast worden de mogelijkheden voor andere vormen van niet-storende recreatie uitgebreid. In het bijzonder voor de jeugd worden er mogelijkheden geschapen, in de vorm van ‘speelzones’ en ‘bivakzones’. ‘Tegelijk wordt voor de beheerder/eigenaar van natuurgebieden en bossen meer duidelijkheid en rechtszekerheid geschapen’, meldt het ministerie. Dit wordt gerealiseerd door een uniform systeem van bebording in te voeren. Het besluit omvat een bijlage met toegangs- en verbodsborden die overal worden ingezet langs boswegen en paden. Beheerders en eigenaars kunnen echter ook zelf een toegankelijkheidsregeling uitwerken en vaststellen. Het is de bedoeling dat elk toegankelijk domein een aantrekkelijk infobord krijgt en een duidelijke bewegwijzering.
‘Met het voorliggende besluit wil ik meer en betere natuur en bossen bekomen, die een meerwaarde betekenen voor elke Vlaming’, aldus minister Crevits.

Informatie: www.vlaanderen.be
Bron: Persmededeling van de Vlaamse Regering

lees meer
13 DECEMBER 2007

‘OEREIKEN’ PAS TWEE EEUWEN OUD

Ze zouden meer dan duizend jaar oud zijn, de groepjes samengeschoolde bomen op de Veluwe. Maar na vier jaar onderzoek sneuvelt de hoop op een stukje Nederlands oerbos. De eiken zijn hoogstens twee eeuwen geleden ontstaan uit zijtakken.
De ontdekking van cirkelvormige groepen eiken in het natuurgebied de Wilde Kamp op de Veluwe was in 2001 groot nieuws. De bomen zouden afstammen van een heel oude moederboom. Sommige stammen dateerden mogelijk zelfs uit het tijdperk van Karel de Grote.

Het vermoeden was dat er elke keer dat de moederboom werd afgezaagd, uitlopers waren gaan groeien op de stam. Door dit hakhoutbeheer zou de oude moederboom zich steeds hebben verjongd. ‘Het principe is te vergelijken met de knot van een knotwilg, maar dan bij de grond’, vertelt Jan den Ouden van de Wageningse leerstoelgroep Bosecologie en bosbeheer die bij het onderzoek betrokken was. ‘Stel dat het tweehonderd jaar duurt voor een meter afstand tussen de nieuwe scheuten op de knoest, dan zouden de huidige bomen die op vijf meter afstand van elkaar staan duizend jaar oud zijn.’

Maar na grondig onderzoek blijken de oudste eiken nauwelijks meer dan tweehonderd jaar oud. ‘Als de bomen restanten van hakhoutbeheer zouden zijn geweest, hadden we onder de grond een dikke knol moeten vinden zoals je die ook op knotwilgen aantreft. Die vonden we niet’, aldus Den Ouden.
Wel zagen de onderzoekers dat de stammen binnen een groepen onder de grond met elkaar verbonden zijn. Houtmonsters lieten zien dat deze eerst als takken boven de grond groeiden. De takken hebben de grond geraakt en zijn daar begraven onder gras, bladeren en grond. Vervolgens hebben de ondergraven takken nieuwe wortels aangemaakt, om uiteindelijk als zelfstandige boom verder gegaan.

Deze verklaring geldt niet alleen voor de bomengroepen op de Veluwe. ‘We zien het bijvoorbeeld ook in de duinen en in stuifzandgebieden, waar een deel van de takken wordt bedolven onder ingewaaid zand. Aan die bedolven stammen en takken ontstaan vaak ook nieuwe wortels.’ Geheel nieuw is deze verklaring eigenlijk niet, bekent Den Ouden. ‘Dit proces is meermalen beschreven in de literatuur. We zijn het alleen collectief vergeten.’

Informatie: www.resource-online.nl, www.wur.nl
Bron: Resource

lees meer
12 DECEMBER 2007

GROTE BOSMUIZEN IN NIEUW GEBIED

De grote bosmuis heeft in Zuid-Limburg een grotere verspreiding dan tot nu toe gedacht. Bovendien kiest hij een ander habitat dan bekend was; hij komt blijkbaar ook langs de waterkant voor. Dat blijkt uit een zoogdierinventarisatie van zoogdiervereniging VZZ in Zuid-Limburg, waarbij de grote bosmuizen (Apodemus flavicollis) werden aangetroffen op plekken buiten zijn bekende verspreidingsgebied.
In de maanden juli en augustus is in 65 kilometerhokken in de provincie Limburg gezocht naar waterspitsmuizen (Neomys fodiens). Hiervoor werden speciale vallen gebruikt voor het levend vangen van kleine zoogdieren, verspreid over beekdalen in de gehele provincie. De beekdalen liepen zowel door agrarisch landschap als door natuurgebieden.
De onderzoekers vingen slechts één waterspitsmuis, diep in Zuid-Limburg. Daarentegen deden ze wel de opmerkelijke vangst van grote bosmuizen op drie voor de soort nieuwe locaties in Zuid-Limburg.
De grote bosmuizen werden aangetroffen langs de Gulp bij Gulpen, de Cottesserbeek en de Klitserbeek bij Bommerig. Alledrie de locaties liggen in voor de soort nieuwe kilometerhokken. De grote bosmuis was in Nederland tot nu toe alleen bekend van het Vijlenerbosch-complex in Zuid-Limburg en van enkele zeer recente vondsten bij Winterswijk. De vangsten van de Cottesserbeek en Klitserbeek sluiten aan bij de reeds bekende populatie van het Vijlenerbosch, maar de vangst bij Gulpen ligt enkele kilometers verwijderd van dit gebied.

Informatie: www.vzz.nl
Bron: VZZ

lees meer
11 DECEMBER 2007

INGANG VISTRAP VINDEN CRUCIAAL

Om een vistrap te kunnen passeren moeten vissen wel de ingang daarvan kunnen vinden. Daarvoor moet een vis uit de vele waterstromen die van een stuw of dam af komen, precies die stroom vinden die naar de vistrap leidt. Hoe groter deze zogenoemde lokstoom is, des te groter is de kans dat de vis die stroom kiest, concludeert promovendus Erwin Winter in zijn onderzoek bij Wageningen IMARES.
Om de Nederlandse rivieren weer voldoende ecologische kwaliteit te geven, zoals de Europese Unie voorschrijft in de Kaderrichtlijn Water, moeten vissen langs de vele barričres kunnen zwemmen. Daarvoor worden in Nederland op grote schaal vistrappen aanghelegd bij stuwen en dammen. Het onderzoek van Erwin Winter bij Wageningen IMARES, het instituut voor marien ecologisch onderzoek, is een van de eerste waarin vistrappen uitvoerig op verschillende schalen zijn geëvalueerd. Hij deed zijn onderzoek rond de Overijsselse Vecht, onder meer met gezenderde vissen. Hij vergeleek de resultaten van de Vecht met die vrij doorgaanbare rivieren, zoals de rivier de Bierbza in Polen, die nog het meest lijkt op de Vecht van voor 1850.
Eenmaal in de vistrap is het nemen daarvan voor de vis geen probleem meer, stelt Winter. Kritische succesfactor is de ingang van deze voorziening, en de vraag of vissen die goed kunnen vinden. Het is volgens Winter van groot belang daar bij de inrichting van een vistrap rekening mee te houden.
Uit zijn analyse blijken de vistrappen bij stuwen en dammen in rivieren over het algemeen goed te werken, waardoor trekvissen weer stroomopwaarts kunnen paaien. Wel vond hij situaties waar de lokstroom te klein was. En er zijn wereldwijd tal van voorbeelden waarbij de opening op een voor vissen onlogische plaats zit. Om te weten wat het zogeheten zoekbereik van vissen is, is veel meer kennis nodig van het gedrag van vissen, stelt hij. Daarbij blijkt ook van belang hoe vissen leren om te gaan met vistrappen en migratieroutes.
Winter constateerde verder grote verschillen in gedrag tussen vissen, ook binnen eenzelfde soort. Hij vond dat de aanleg van vistrappen een verschuiving te zien geeft in vissoorten in rivieren, waarbij de soorten die veelvuldig van de trappen gebruik maken relatief in aantal toenamen. De huidige visstand in de Vecht is evenwel nog ver verwijderd van de natuurlijke situatie die de Vecht voor 1850 moet hebben gekend. Vistrappen dragen wel bij aan het herstel van de vistand, maar er moet wel wat te verbinden zijn, zegt hij. In dat verband merkt hij op dat de kwaliteit van de leefgebieden van de vissen nog veel te wensen overlaat.

Informatie: www.wur.nl
Bron: Wageningen UR

lees meer
10 DECEMBER 2007

JONGEREN VINDEN NATUUR SAAI

Natuur is er om in te spelen, te sporten en om in af te spreken met vrienden, vinden Nederlandse jongeren. Ze waarderen een stadspark dan ook meer dan verruigde veenweidegebieden. De Hollandse oernatuur is in hun ogen maar saai. Onder jongere kinderen is bovendien de interesse in natuur de afgelopen twintig jaar sterk afgenomen.
Wanneer jongeren het nu voor het zeggen zouden hebben, zouden veel van de natuurlijke landschappen die Nederland rijk is, snel verdwijnen. Tieners hechten weinig belang aan de bescherming van veenweidegebieden en rivierlandschappen, blijkt uit een onderzoek van Alterra. Niet dat ze zich helemaal niet voor de natuur interesseren, zeggen de onderzoekers, maar vergeleken met de Amazone of het Krugerpark vinden ze de Nederlandse heidevelden en uiterwaarden uitermate saai. De jongeren maken zich dan ook liever sterk voor stadsparken, waar ze kunnen samenkomen om te sporten of te barbecueën.
Deze conclusie van Alterra sluit aan bij een onderzoek van de Vrije Universiteit onder kinderen. De VU-onderzoekers concluderen dat de natuurinteresse bij kinderen de afgelopen twintig jaar sterk is afgenomen. Kinderen komen nog maar de helft zo vaak in de natuur en blijven er korter. Volgens de onderzoekers komen de kinderen minder in contact met de natuur omdat zij meer tijd besteden aan televisie, spelcomputer en internet. Een ruime meerderheid van de kinderen besteedt hieraan zelfs minimaal twee uur per dag. Ook is de hoeveelheid natuur in de woonomgeving en de veiligheid daarvan afgenomen, waardoor de natuur minder toegankelijk is geworden voor kinderen.
De verminderde natuurinteresse is ook te wijten aan gebrekkig natuuronderwijs op basisscholen. De scholen besteden minder aandacht aan natuur in hun lesprogramma, en de populariteit van de natuurlessen is sterk afgenomen. Daarnaast is ruim één op de drie leerlingen nog nooit met de klas de natuur in gegaan. Tenslotte blijkt dat ook ouders minder met hun kinderen de natuur in trekken dan vroeger. Zo is het aantal kampeervakanties in twintig jaar gehalveerd waardoor de natuurervaringen in de vakanties fors zijn afgenomen.
Alterra onderzocht ook de natuurwaardering bij allochtone jongeren van Turkse en Marokkaanse herkomst. Zij blijken nog minder om het behoud van de Veluwe te geven. Reden tot zorg, zegt Alterra, want over twintig jaar zal een kwart van de Nederlandse bevolking bestaan uit mensen die van oorsprong uit het buitenland komen. Wel waarderen de allochtone jongeren agrarische landschappen hoger dan hun autochtone leeftijdsgenoten. Volgens de onderzoekers omdat allochtone jongeren het nut van natuur belangrijk vinden.
De bevindingen van zowel het VU als Alterra voorspellen weinig goeds voor de toekomst van de Nederlandse ruige natuur. Maar volgens de onderzoekers is het tij te keren door meer in te spelen op de beleving die jongeren zo belangrijk vinden. ‘Milieueducatie moet verder gaan dan kennis. Door de natuur en de landschappen zo in te richten dat er ook wat te halen valt, kunnen jongeren er een band mee op bouwen’, zegt onderzoeker Arjen Buijs. De speelbossen die Staatsbosbeheer heeft ingericht om in bomen te klimmen en hutten te bouwen zijn volgens hem een eerste stap in de goede richting.

Informatie: www.resource-online.nl, www.fsw.vu.nl/Onderzoek/index.cfm/news_content.cfm/newsid/86B99BAA-E7E8-DE2B-BE0BEA4CDF4E406E
Zie ook: Resource Online
Bron: Resource en Vrije Universiteit

Zie ook: rapport

lees meer
7 DECEMBER 2007

FLEVOLAND INTERNATIONAAL VARENELDORADO

Het gaat goed met de varens in de Nederlandse bossen. Zeventig provent van de soorten neemt toe in aantal. De groei is voor een belangrijke deel te danken aan nieuwe leefgebieden in de bossen van Flevoland, waar zich binnen enkele decennia `hotspots` voor varens ontwikkelden. Dat is op wereldschaal niet eerder vertoond. Tot die bevinding komt, na dertig jaar onderzoek, promovendus Piet Bremer in zijn proefschrift dat hij op 12 december verdedigt aan Wageningen Universiteit.
De aangeplante bossen in Flevoland herbergen bijna alle varensoorten. Alleen al in het Kuinderbos komen 25 soorten varens voor, die verschenen op de hellingen van greppels in het zgn. veenafbraakgebied. Bodemkundig komen dergelijke verdronken hoogveengebieden nergens anders ter wereld voor. Ten tijde van de Zuiderzee werd op dit hoogveen een laag zeer fijn, kalkrijk zand afgezet.
Naast het Kuinderbos komt een hoge varendiversiteit voor bij Lelystad en in het Voorsterbos bij Kraggenburg, zodat de Flevobossen een eldorado voor varens blijken te zijn.
De varensoorten vestigden zich vooral op de hellingen van de honderd kilometer in de Tweede Wereldoorlog gegraven greppels. Hieronder waren vier voor Nederland nieuwe soorten, waaronder Lansvaren en Zachte naaldvaren. Dat gebeurde tussen de tien en ruim twintig jaar na aanplant van het bos.
Promovendus Piet Bremer onderzocht de afgelopen dertig jaar het populatieverloop van de varensoorten in Flevoland. Uit zijn onderzoek blijkt dat het succes sterk wisselt per varensoort. Sommige soorten, zoals de tongvaren en stijve naaldvaren breidden zich sterk uit, van andere soorten stabiliseerden de aantallen, zoals bij de gebogen driehoeksvaren en de steenbreekvaren. Grosso-modo blijft het aantal varensoorten constant. Het aantal exemplaren van zeldzame varens nam echter spectaculair toe van 700 in 1979 naar 17.000 nu, waarbij de beschermde tongvaren (15.000) het meest succesvol blijkt te zijn. Deze soort profiteert van het op varens afgestemde bosbeheer en de zachte winters. Voordelig voor alle varensoorten is naast de zachte winter de verminderde vervuiling door zwaveldioxide in de lucht en een stijging van de gemiddelde leeftijd van de bossen.
Strenge winters blijken een negatief effect te hebben op wintergroene varens. Het kappen van bomen heeft van alle factoren de sterkste invloed op bloemloze planten. Varens gedijen goed in bos waar twee tot vijf procent van het licht de bodem bereikt. Onder deze grens wordt het bos te donker. Bij te veel bomenkap wordt het te licht en kunnen bramen de bijzondere varens overgroeien.

Informatie: www.wur.nl
Bron: Wageningen UR

lees meer
6 DECEMBER 2007

LAGERE STIKSTOFDEPOSITIE SLECHT VOOR KLIMAAT

De verwachte daling van de stikstofdepositie is gunstig voor de Nederlandse natuur. Maar het zal ook een groot ongewild neveneffect hebben, voorspelt Alterra-onderzoeker Wieger Wamelink in zijn proefschrift. Want het leidt ook tot minder vastlegging van het broeikasgas koolstofdioxide in de Nederlandse bossen. Dat is slecht nieuws voor het klimaat. Temeer daar het huidige milieubeleid er nog geen rekening mee houdt.
De overheid neemt verschillende maatregelen om de emissie van stikstofverbindingen door de landbouw, industrie en het verkeer terug te dringen. Als gevolg van de afnemende verzuring en vermesting van de natuur neemt het aantal zeldzame plantensoorten toe, vooral in graslanden en heidevelden, blijkt uit modelberekeningen van Wamelink. Daarentegen verwacht hij nauwelijks verbetering in Nederlandse bossen. Want door de daling van de depositie van stikstof, dat als een meststof werkt voor de bomen, gaan de bomen minder hard groeien. De Nederlandse bossen zullen daardoor minder van het broeikasgas kooldioxide vastleggen. Deze vermindering kan aanzienlijk zijn. Als de strengste maatregelen worden genomen, en de lucht in Nederland heel schoon wordt, leggen bossen 73 procent minder kooldioxide vast, heeft Wamelink berekend. Maar ook bij een wat realistischer scenario zullen bossen in de toekomst waarschijnlijk 25 tot 50 procent minder koolstof vastleggen. Nederland zal daardoor meer moeite krijgen om te voldoen aan de Kyotonormen.
Het huidige milieubeleid houdt volgens Wamelink geen rekening met het effect van het terugdringen van stikstof op de klimaatmaatregelen. ‘Het zijn twee aparte werelden, mensen die zich met mest en nutriënten bezighouden, en de klimaatwereld. In het onderzoek, en ook in beleidskringen.’

Informatie: www.alterra.wur.nl
Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
5 DECEMBER 2007

KWART MINDER FIJN STOF DOOR MEER GROEN

Door het plaatsen van 'groene' schermen, gevels en daken of door de strategische aanplant van bos is een reductie van fijn stof in lucht van 10 tot 25 procent te bereiken. Die conclusie trekken onderzoekers van Alterra in het onlangs uitgegeven boekje ‘Groen voor lucht’.
De fijnstofproblematiek staat hoog op de politieke agenda van verschillende overheden, waaronder LNV. Alterra werkt sinds 2005 met een aantal steden, regio’s en projectontwikkelaars aan maatregelen die de concentratie fijn stof in de lucht kunnen verlagen. In de publicatie 'Groen voor Lucht' geven de onderzoekers een overzicht van de mogelijkheden die groen biedt om fijn stof op te vangen.
Het effect van zuivering hangt van een aantal factoren af, waaronder de hoeveelheid, vorm, positie en type van het groen. Optimalisatie van al deze factoren kan volgens de onderzoekers de fijnstofconcentratie in de lucht met een kwart terugdringen. Zij baseren deze conclusie op een uitgebreid internationaal onderzoek naar groene schermen, groene gevels en daken en de strategische aanplant van bomen.
In 2008 gaat Alterra met de Stadsregio Arnhem Nijmegen, KEMA, Wageningen Universiteit, de Animal Sciences Group en Integralis PP een uitgebreid meetonderzoek naar fijn stof verrichten langs de A50 bij Valburg. Dit gebeurt in opdracht van het Innovatieprogramma Luchtkwaliteit (www.ipluchtkwaliteit.nl).

Informatie: www.alterra.wur.nl
Bron: KennisOnline

lees meer
4 DECEMBER 2007

WEINIG VERTROUWEN AANPAK VERROMMELING

Veel Nederlanders vinden de verrommeling van het landschap een belangrijk onderwerp. Maar ze hebben er zeer weinig vertrouwen in dat de overheid daar de komende vijf jaar echt wat aan gaat veranderen. Dit blijkt volgens het burgerpanel De Groene Peiler uit de eerste uitkomsten van het panel, een initiatief van de Provinciale Milieufederaties. De federaties kondigen aan om volgend jaar de campagne rond zuinig ruimtegebruik en verrommeling een nieuwe impuls te geven.
De Milieufederaties willen onder meer verrommeling centraal gaan stellen in het vervolg op de campagne ‘Zuinig op ruimte, Nederland kan zo mooi zijn’. Zij willen daarbij vooral de provincies uitdagen hun regierol bij de ruimtelijke inrichting op te pakken, om ruimteverspilling en verrommeling tegen te gaan.
Bij de burgers is de zorg om het landschap en het gebrek aan vertrouwen in de aanpak groot, stelt het burgerpanel De Groene Peiler. De Groene Peiler is een nieuw initiatief van De Provinciale Milieufederaties. De panelburgers vinden dat vooral overheid en projectontwikkelaars de uitdaging op moeten pakken, en dat er bijvoorbeeld goede landschapplannen moeten komen.
In de campagne vanaf voorjaar 2008 kan iedereen zijn zorgen via een centraal meldpunt melden.
Minister Cramer deelt de zorg, bleek tijdens de overhandiging van de uitkomsten van het panel op 29 november. Ook volgens haar staat het open Nederlandse landschap onder druk door verrommeling. Zij ziet met name langs snelwegen en in de stadsranden ogenschijnlijk lukrake bebouwing de eens wijde horizon vullen. Verrommeling is vaak een sluipend proces, een onbedoeld gevolg van het nastreven van verschillende belangen in plaats van het resultaat van een vooropgezet plan, stelt minister Cramer. Ze zei prioriteit te geven aan het tegengaan van de verdere verrommeling van Nederland en kondigde een gezamenlijke agenda aan met onder meer het IPO en VNG.

Informatie: www.geldersemilieufederatie.nl
Bron: Gelderse Milieufederatie

lees meer
2 DECEMBER 2007

MEER KAMSALAMANDERS IN SALLAND

In het gebied tussen Deventer en Olst-Wesepe zijn meer kamsalamanders aanwezig dan gedacht werd. Wel liggend de leefgebieden erg geisoleerd. Dat blijkt uit veldonderzoek van stichting RAVON in opdracht van Waterschap Groot Salland, Provincie Salland en Gemeente Deventer. De kamsalmander staat op de Rode Lijst en fungeert als signaalsoort voor de in het gebied voorkomende reptielen en amfibieën.
Het Waterschap Groot Salland werkt momenteel aan uitvoering van Ruimte voor Water. Hiertoe worden waterbergingen gegraven of gebieden aangewezen die vol mogen lopen in natte perioden. In Zuidwest-Salland zijn in dit kader verschillende herinrichtingprojecten in uitvoering en voorbereiding. Het idee is om waterbergingen te combineren met natte natuur en ecologische verbindingszones voor onder meer de kamsalamander.
Om de verschillende inrichtingsplannen beter op elkaar en op de eisen van de kamsalamander af te stemmen, heeft stichting RAVON een veldonderzoek uitgevoerd en een actieplan opgesteld. Het plan geeft antwoord op de vraag hoe waterbergingen en het verbreden en verondiepen van watergangen een rol kunnen spelen in het versterken van de populatie kamsalamanders in Zuidwest-Salland.
Uit het onderzoek komt naar voren dat er meer kamsalamanders in het gebied leven dan werd aangenomen, maar dat de leefgebieden erg geďsoleerd liggen. Dit probleem kan deels worden opgelost door een verbindingszone aan te leggen langs de Zandwetering. Verder kunnen de leefgebieden onder andere worden versterkt door aanleg van nieuwe poelen en door bestaande poelen op te knappen.
De kamsalamander is door Europa aangewezen als een zogeheten 'habitatrichtlijnsoort' en fungeert als belangrijke signaalsoort voor alle in het gebied voorkomende soorten amfibieën en reptielen. Een verbindingszone biedt niet alleen ruimte aan de salamandersoort, ook andere dieren, zoals waterspitsmuizen, ringslangen en kleine ijsvogelvlinders profiteren ervan mee.

Informatie: www.wgs.nl


Zie ook: rapport

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk