homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

30 NOVEMBER 2007

NATUUR KAN HET DAK OP

Natuur en industrie staan niet per definitie recht tegenover elkaar. Sommige dieren en planten hebben het prima naar hun zin op de platte daken en braakliggende gronden. 'Niet dat bedrijventerreinen per definitie goed zijn voor de natuur, maar er liggen duidelijk kansen', zegt onderzoeker Robbert Snep van Alterra.
Binnen het onderzoeksprogramma Vernieuwend ruimtegebruik zoeken onderzoekers naar kansen om de schaarse ruimte in Nederland multifunctioneel in te richten. Onderzoeker Snep ontdekte dat industriële blokkendozen en ontgonnen gebieden veel meer kunnen bieden dan alleen economisch gewin. De bedreigde rugstreeppad gedijt bijvoorbeeld prima in havengebieden als Rotterdam en Antwerpen, en andere bedrijventerreinen ontpoppen zich tot ware vogelparadijzen.
Vooral het enorme oppervlak aan plat dak op bedrijventerreinen biedt mogelijkheden. Nu zijn die daken standaard bedekt met dakmateriaal als kunststof en metaal. Snep: 'Als we die anders inrichten kunnen we de natuurwaarde verhogen.' Daken begroeid met grassen trekken bijvoorbeeld insecten aan, terwijl meeuwen en sternen grinddaken weten te waarderen als broedplaats. Andere geliefde plekken voor vogels en andere dieren zoals konijnen zijn terreinen die braak liggen in afwachting van bebouwing. Vaak zijn deze al omheind, wat vossen weghoudt van nesten.
Toch houden veel ondernemers nog de boot af, volgens Snep. Vooral de Flora- en faunawet weerhoudt volgens Snep de ondernemers om te investeren in de natuur. 'Door de rigide handhaving van deze natuurwet zijn de bedrijven bang dat ze niet meer mogen uitbreiden als er een bedreigde diersoort op hun terrein leeft.' Verder kan de noodzakelijke investering hoog uitvallen.
Maar ondernemers vergeten de winst die er te behalen is, zegt Snep. 'Groene daken isoleren het gebouw, wat energie bespaart.' Daarnaast is het goed voor hun imago, zegt Snep. 'Bedrijven kunnen zich er mee profileren, en omwonenden zien bedrijven veel minder als belastend voor natuur en landschap als de natuurwaarde hoger is.’
Bedrijvigheid is prima te verenigen met waardevolle natuur, concludeert Snep. 'Niet dat bedrijventerreinen per definitie goed zijn voor de natuur', benadrukt hij, 'maar omdat er nog weinig over is nagedacht, zijn er nog volop kansen te benutten.'

Informatie: www.kennisonline.wur.nl
Bron: KennisOnline

lees meer
29 NOVEMBER 2007

GROEN BELEID NIET SLECHT VOOR ECONOMIE

Het overheidsbeleid is in de afgelopen vijftig jaar steeds groener geworden, concludeert het LEI. De vergroening geldt zowel voor het ruimtelijkeordeningsbeleid als het landbouwbeleid. Goed nieuws voor het landschap dus. Maar de hiermee samenhangende toegenomen bemoeizucht van de overheid heeft ook geleid tot wrevel, merkten de onderzoekers.
Het LEI onderzocht in opdracht van het Milieu en Natuurplanbureau de betekenis van macro-economische ontwikkelingen voor natuur en landschap. Vaak wordt gedacht dat een grotere welvaart leidt tot minder aantasting van natuur en landschap, omdat aandachtsvelden verschuiven. Dit komt tot uiting in de vergroening van het gemeenschappelijke landbouwbeleid en het ruimtelijke ordeningsbeleid. Ook de verschuiving van landbouw en industrie naar de dienstensector lijkt de welvaartsgroei minder natuur- en ruimteintensief te maken.
Maar dit is niet automatisch het geval, stelt het LEI. Want dat er minder grond voor de landbouw nodig is, wil niet zeggen dat de verlaten gronden op de goede plekken liggen voor de ontwikkeling van natuur en landschap en dat in dichtbevolkte gebieden de vrijkomende grond niet volledig door woningbouw, bedrijventerreinen en infrastructuur wordt ingenomen. Actief ingrijpen van de overheid is noodzakelijk om te voorkomen dat economische groei schadelijk is voor natuur en landschap.
Volgens het LEI doet de overheid momenteel al veel. Zo zien de onderzoekers duidelijk dat het landbouwbeleid sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw een sterke vergroening heeft ondergaan. Agrarisch natuurbeheer en strikte milieurichtlijnen voor boeren waren in de jaren zestig ondenkbaar. Ook het ruimtelijkeordeningsbeleid is vergroend in de loop van de tijd.
Maar de toegenomen bemoeizucht van de overheid heeft wel tot irritatie geleid. De overmatige regelzucht zou leiden tot vermindering van economische groei. Daar zit zeker wat in, volgens de onderzoekers, maar dat heeft misschien meer te maken met de wijze waarop de overheid de bemoeizucht vormgeeft dan in de aandacht voor natuur- en landschapsbescherming op zichzelf. Japan heeft snel kunnen groeien met veel natuurlijke beperkingen, terwijl Zwitserland het rijkste land is, ondanks de handicap van de bergen en de strakke bescherming van natuur die daar is opgezet, geeft het LEI als voorbeeld.
Economische groei hangt volgens het LEI meer af van snelle procedures en betrouwbaarheid dan van de aard van de restricties. Het is vooral belangrijk om helder te zijn over het natuur- en landschapsbeleid. Hoewel per definitie in een optimum meer bescherming van natuur en landschap leidt tot een iets minder nationaal inkomen, lijken er in de huidige situatie heel veel mogelijkheden om de efficiëntie te verhogen. Essentieel is daarbij het begrip consistentie. Er moet niet de ene keer voor een miljoen euro een natuurgebied worden beschermd, om vervolgens elders een even waardevol natuurgebied voor een winst van duizend euro op te offeren, zegt het LEI.
Een gebrek aan consistentie tussen verschillende maatregelen lijkt de efficiëntie van het beleid niet ten goede te komen. Vooral op de grondmarkt mist eenduidigheid, ziet het LEI. Zonering via een flexibel systeem van bestemmingsplannen en andere regelgeving leiden tot grote verschillen in grondprijzen. Het verschil in prijs tussen nieuwe bedrijfsterreinen en woningbouwgebieden lijkt geen economische rechtvaardiging te hebben. Omdat gemeenten graag bedrijven naar zich toe willen trekken, is bedrijfsgrond veel goedkoper dan grond voor woningbouw. Deze inconsistentie in grondprijzen leidt tot inefficiëntie in de bescherming van open ruimte en andere waarden, stelt het LEI.

Bron: WUR, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu

Zie ook: rapport

lees meer
28 NOVEMBER 2007

NATURA 2000 OP KOERS

De bescherming van natuurgebieden in het kader van het Europese Natura 2000-netwerk vordert gestaag. De vaststelling van Natura 2000-gebieden op het Continentaal Plat in de Noordzee loopt wel iets achter bij de overige gebieden, constateert het Milieu en Natuurcompendium.
Momenteel werkt het ministerie van LNV aan de publicatie van de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden in Nederland. Deze aanwijzingsbesluiten leggen per gebied vast wat de omgrenzing van het gebied is en wat de doelen voor het gebied zijn. Begin 2007 zijn de eerste 111 en in mei 2007 de zeven waddengebieden in procedure gebracht. De definitieve besluiten worden in 2007 en 2008 verwacht. De rest van de 162 gebieden wordt in 2008 in procedure gebracht.
Volgens het Natuur en Milieucompendium loopt de vaststelling van Natura 2000-gebieden op het Continentaal Plat in de Noordzee achter bij de rest. Dat heeft volgens het cijferbureau twee oorzaken. Enerzijds heeft er Europabreed onduidelijkheid bestaan of er ook op het Continentaal Plat Natura 2000-gebieden moesten komen, anderzijds compliceren de vele gebruiksfuncties de ecologische bescherming.
Het Natuur en Milieucompendium signaleert verder dat de Natura 2000 gebieden vrijwel geheel binnen de EHS liggen en ongeveer de helft van het oppervlakte EHS op het land beslaan. Daarmee is er planologisch een goede relatie tussen de EHS en de Natura 2000, zegt het natuurbureau.
De Nederlandse Natura 2000-gebieden beslaan momenteel ongeveer 1 miljoen hectare. Daarvan is tweederde open water, inclusief de kustwateren. Verder omvatten de Natura 2000-gebieden vrijwel alle natuurgebieden in de duinen. Daarnaast zijn stuifzanden, moerassen en heide er relatief veel in opgenomen. Deze natuurtypen hebben allemaal een grote internationale waarde en Nederland bevat relatief veel van deze natuurtypen. Bossen zijn echter ondervertegenwoordigd in de Natura 2000. Nederland bevat relatief weinig internationaal belangrijke typen.

Informatie: www.natuurenmilieucompendium.nl
Bron: Natuur en Milieucompendium

lees meer
27 NOVEMBER 2007

VLAAMSE NATUUR VAN ONVOLDOENDE KWALITEIT

Vlaanderen haalt haar doelstellingen voor de natuur niet, meldt de Vlaamse politieke partij Groen! De afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk, de realisatie van 10.000 hectare nieuw bos en 50.000 hectare aan natuurreservaten blijven achterwege, en de Europese afspraken op het vlak van de biodiversiteit worden waarschijnlijk niet gehaald. Dat blijkt volgens Groen! uit het Natuurrapport dat vandaag wordt uitgegeven.
Volgens Groen! schetst het Natuurrapport geen vrolijk beeld van de staat van de Vlaamse natuur. De politieke partij vraagt de Vlaamse regering daarom om een offensief natuurbeleid, te beginnen bij een betere soortbescherming. Van alle plant- en diersoorten wordt 28 procent met uitsterven bedreigd. De afgelopen decennia stierf bovendien één derde van de vlinders in Vlaanderen uit. Van de resterende veertig soorten is nog eenderde bedreigd, waaronder het boswitje en het gentiaanblauwtje. Deze soorten staan volgens Groen! symbool voor de leefbaarheid van een heel ecosysteem. ‘Als zij verdwijnen, is het omdat hun hele leefgebied verschraalt.’
De politieke partij stelt ontsnippering voor, en aanleg van corridors voor de dieren die door de temperatuurstoename proberen te migreren. Verder vindt Groen! dat de landbouwers die zich inzetten voor dieren zoals huiszwaluw of de wilde hamster daar ruim voor vergoed mogen worden.
Behalve soortenbescherming pleit Groen! voor minder verkaveling. In 2006 gingen er in Vlaanderen per dag tien voetbalvelden aan open ruimte verloren aan de uitbreiding van steden en bedrijventerreinen. Daarnaast is er te weinig afbakening van de natuur en voldoet Vlaanderen niet aan de verplichte boscompensaties.
Verder moet er volgens Groen! meer aandacht komen voor milieukwaliteit. ‘Veel planten en dieren gaan kapot aan de vervuiling van het water. Door de overbemesting zitten we nog altijd met veel te veel nitraten en fosfaten in ons water. Heel Vlaanderen is na lang aandringen van Europa tot kwetsbaar gebied verklaard. Nu moeten we er ook naar handelen en niet alles zetten op het verkrijgen van uitzonderingen van Europa. Het is nodig voor het overleven van onze eigen natuur. Meer milieuvriendelijke en biologische landbouw is nodig als de natuur ons lief is.’
Ook hebben steeds meer planten dieren te lijden onder de klimaatverandering, zegt Groen! ‘In het kader van de Vlaamse Klimaatconferentie wordt gewerkt aan nieuwe maatregelen om de uitstoot van CO2 te beperken. Maar intussen lobbyt Vlaanderen Europees om minder inspanningen te moeten doen in eigen land. Nu al koopt men een groot deel van de eigen bijdrage af via de aankoop van emissiekredieten in het buitenland.’

Informatie: www.groen.be
Bron: Groen!

Zie ook: rapport

lees meer
26 NOVEMBER 2007

HISTORISCHE VEGETATIE WAS OPEN

Al in de Romeinse tijd bestond bijna de helft van het landschap uit een open vegetatie. Eenzelfde situatie bestond ook tijdens de Middeleeuwen en duurt voort tot in de huidige tijd. Dit heeft Welmoed Soepboer aan de Universiteit Utrecht aangetoond in haar proefschrift. Alleen ten tijde van de grote volksverhuizingen nam de bebossing tijdelijk flink in omvang toe. Deze bevindingen zijn volgens Soepboer van belang voor natuurbeheer en archeologie
Soepboer heeft onderzoek gedaan naar stuifmeel in de bodems van meren in het laagland van Zwitserland. Die wordt gebruikt als indicator van de samenstelling van de vegetatie in het verleden. Het lijkt erop dat er 6000 jaar geleden nog een dicht bos aanwezig was in het Zwitserse laagland. Wel werd er relatief veel hazelaar gevonden, wat aangeeft dat er meer open plekken in het bos moeten zijn geweest dan tot nu toe is aangenomen. Dit zou betekenen dat de huidige aanwezigheid van grote grazers in natuurgebieden in Nederland mogelijk niet verantwoord kan worden, gezien de natuurlijke vegetatiepatronen die ontstaan indien er geen verstoring door de mens optreedt.
In het onderzoek werd een nieuwe methode gebruikt om aan de hand van stuifmeelgegevens de vegetatiesamenstelling te bepalen. Omdat in de ruwe stuifmeelgegevens een afwijking zit - niet alle plantensoorten produceren evenveel stuifmeel - zijn hiervoor correctiefactoren bepaald aan de hand van de samenhang tussen de gevonden hoeveelheid stuifmeel en de samenstelling van de vegetatie rond het meer.
De correctiefactoren werden gebruikt om stuifmeelmonsters te simuleren die passen bij landschapsontwerpen met open en dicht bos. Deze monsters geven het mogelijke landschap van 6000 jaar geleden weer toen er nog bijna geen mensen woonden. Deze gesimuleerde monsters zijn vervolgens vergeleken met de echte stuifmeelgegevens uit die tijd.

Informatie: www.uu.nl
Bron: Universiteit Utrecht

lees meer
23 NOVEMBER 2007

VISSEN VERANDEREN GENETISCH DOOR VISSERIJ

Als gevolg van de visserij worden vissen minder groot en eerder geslachtsrijp. Ook vermindert de diversiteit binnen de soorten. Dat concludeert een team van dertien Europese visserijinstituten, in een artikel in Science op 23 november. Het visserijbeleid zal met deze evolutionaire, dus vrijwel onomkeerbare effecten rekening moeten houden, stellen de onderzoekers.
De druk die de visserij uitoefent op vis in zee leidt tot evolutionaire veranderingen in de soorten. Vissoorten groeien trager, zijn eerder geslachtsrijp, worden minder groot en spannen zich meer in om zich voort te planten. Dit heeft een negatief effect op de productie. Ook vermindert de diversiteit binnen de soort. Het visserijbeleid dat tot nu toe uitgaat van statische referentiepunten om bijvoorbeeld vangsten te quoteren, zal met evolutionaire effecten rekening moeten houden, zeggen de onderzoekers in Science.
Visserij is de belangrijkste oorzaak van sterfte onder populaties zeevis, zoals kabeljauw, schol, zalm, schelvis en tong. De mortaliteit kan tot vierhonderd procent hoger zijn dan in natuurlijke situaties. Door visserij hebben exemplaren die klein van stuk zijn meer overlevingskansen. Ook dieren die op jeugdiger leeftijd geslachtsrijp zijn, hebben meer kans om zich voort te planten. De vrijwel onomkeerbare veranderingen worden via overerving op een volgende generatie vissen overgedragen.
De geconstateerde evolutie voltrekt zich binnen enkele decennia en verloopt veel sneller dan wetenschappers eerder dachten. De gevolgen tekenen zich niet alleen af voor de populatieomvang en geleidelijk dalende veerkracht van de visbestanden, maar ook voor interacties tussen soorten in het ecosysteem. Daarnaast zijn er gevolgen voor de opbrengsten van de visserij.
Het onderzoekersteam uit negen landen pleit ervoor om het visserijbeleid op de geconstateerde ontwikkelingen aan te passen. Hoewel duurzame visserij uitgaat van opbrengsten die de soort niet bedreigen, zou het beheer rekening moeten gaan houden met de effecten van de evolutionaire veranderingen op de veranderende opbrengst voor de visserij en de effecten op de voedselketens en het aanpassingsvermogen op klimaatveranderingen en andere natuurlijke fluctuaties.

Informatie: www.wur.nl

lees meer
22 NOVEMBER 2007

MILJARDEN NODIG VOOR HERSTEL LANDSCHAPPEN

Uit onderzoek van het Centrum Landbouw en Milieu (CLM) blijkt dat er per jaar een kleine zeshonderd miljoen euro extra nodig is voor het herstel van het landschap tot in ieder geval een basiskwaliteit. Stichting Natuur en Milieu, een van de opdrachtgevers voor het onderzoek, heeft in een brief aan minister Gerda Verburg (LNV) aangedrongen op het beschikbaar stellen van dit geld voor de structurele financiering van beheer en onderhoud van landschap.
Minister Verburg wil nieuwe financieringsconstructies onderzoeken en een Agenda Landschap opstellen die in het voorjaar van 2008 moet uitkomen.
Eerder bleek uit de zogeheten Maatschappelijke Kosten en Baten Analyse (MKBA) van het Deltaplan Landschap (2006) dat investeren in landschap rendabel kan zijn. De baten – denk hierbij onder andere aan de recreatiesector - zijn groter dan de kosten. Dat de baten elders neerslaan hoeft geen probleem te zijn, zo heeft de minister gezegd. Het rapport van CLM concludeert wel dat er nog veel inzet nodig is om regionale en lokale financieringsvormen van de grond te krijgen en dat overheden zelf aanzienlijk meer moeten investeren in landschap.
Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van Stichting Natuur en Milieu, ANWB, Natuurlijk Platteland Nederland en LTO.

Informatie: www.natuurenmilieu.nl
Bron: Natuur en Milieu

Zie ook: rapport

lees meer
21 NOVEMBER 2007

WNF: EUROPA OVERVRAAGT NATUUR

Europa zit diep in de groene schulden, volgens het Wereld Natuur Fonds. Een Europeaan verbruikt 2,6 keer meer bos, water, fossiele brandstoffen en andere natuurlijke hulpbronnen dan voor hem beschikbaar is. Het WNF adviseert Europa zijn huishoudboekje op een andere manier bij te houden en daarin het verbruik van natuurlijke bronnen mee te nemen.
Het Wereld Natuur Fonds (WNF) heeft het rapport 'Europe 2007 – Gross Domestic Product and Ecological Footprint' uitgebracht over de economische groei en de ecologische gevolgen daarvan. Uit het rapport blijkt dat onze hoge levensstandaard gepaard gaat met een te grote 'ecologische voetafdruk'.
Het WNF vergeleek de ontwikkeling van EU-landen sinds 1971. In die periode verdubbelde Europa het gebruik van natuurlijke bronnen. Dat tempo is veel sneller dan de groei van de bevolking.
Binnen Europa hebben Finland, met 7,6 hectare, en Estland met 6,5 hectare de grootste ecologische voetafdrukken. Roemenië heeft met 2,4 hectare de kleinste ecologische voetafdruk van Europa. Nederland leeft weliswaar net onder het Europees gemiddelde, maar met een afdruk van 4,4 hectare nog altijd op te grote voet, concludeert het WNF. De toename leidt tot een tekort voor de rest van de wereld en voor toekomstige generaties, voorspelt het WNF.
Europa staat daarmee voor de taak om zijn voetafdruk aanzienlijk te verkleinen, met behoud van een hoge levenstandaard. Het WNF adviseert Europa zijn huishoudboekje op een andere manier bij te houden. Momenteel geldt het Bruto Binnenlands Product (BBP) als graadmeter voor de economische prestaties en de vooruitgang van een land. De bouw van een huis, een trouwfeest, oorlog en het kappen van bos dragen allemaal bij aan het BBP. Het WNF vindt dat maatstaven als het Bruto Nationaal Product nu te weinig rekenen houden met natuurwaarden. Als het verbruik van natuurlijke bronnen niet worden meegeteld, blijven ecologische tekorten niet opgemerkt. Het getal zegt namelijk niets over de kwaliteit van leven of de ecologische uitputting van deze wereld, stelt het WNF. 'Economische indicatoren zijn van groot belang. Maar als geen rekenschap wordt afgelegd voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, wordt niet opgemerkt dat we de natuur overvragen. We blijven onbeperkt lenen, terwijl we al lang door het onderpand van onze aarde heen zijn', zegt Johan van de Gronden, Algemeen Directeur van het Wereld Natuur Fonds.

Informatie: www.wnf.nl
Bron: WNF

Zie ook: rapport

lees meer
19 NOVEMBER 2007

ZOOGDIEREN LANDELIJK GEBIED VERDER ACHTERUIT

Het gaat niet goed met de inheemse zoogdieren van Nederland. Dat blijkt uit het voorstel van Zoogdierenvereniging VZZ om de Rode Lijst van bedreigde en kwetsbare zoogdieren van Nederland uit te breiden. VZZ heeft zeven nieuwe kandidaten aangemeld, waaronder vier soorten uit het landelijk gebied: het konijn, de hermelijn, wezel en laatvlieger. Met de toename van bedreigde zoogdiersoorten lijkt de doelstelling om de biodiversiteitafname stop te zetten niet haalbaar, stelt VZZ.
Voor de Rode Lijst mochten alleen de soorten beschouwd worden die zich in Nederland voortplanten. Van heel wat zeldzame zoogdiersoorten is niet bekend of de dieren die in Nederland worden waargenomen hier hun jongen baren. Na veel wikken en wegen zijn uiteindelijk 57 soorten als inheems of ingeburgerd beschouwd. Daarvan worden 24 soorten voorgedragen om op de Rode Lijst te plaatsen. Dat is 42 procent. Eerder, in 1994, was het percentage nog 40 procent.

Opvallend is volgens VZZ dat zich onder de nieuwe kandidaten soorten bevinden waarvan gedacht werd dat ze wijd verspreid voorkomen, zoals laatvlieger, konijn, hermelijn en wezel. Het zijn ook nog eens soorten van het landelijk gebied. VZZ noemt het een teken aan de wand dat juist deze soorten, die vooral buiten de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) voorkomen, achteruitgaan. Hetzelfde signaal is ook al voor de vogels afgegeven. Voor het behoud van de biodiversiteit in Nederland is de constructie van de EHS blijkbaar niet afdoende. Dit zijn duidelijke voorbeelden van de signaalfunctie die Rode Lijsten hebben.

Er zijn echter ook soorten waar het goed mee gaat. De franjestaart, het damhert en de gewone grootoorvleermuis mogen volgens VZZ van de Rode Lijst geschrapt worden.

De officiële, door de minister van LNV goedgekeurde Rode Lijst van Nederlandse zoogdieren wordt te zijner tijd in de Staatscourant gepubliceerd. De bedoeling is de lijst elke tien jaar te herzien, zodat regelmatig uitgezocht wordt wat de toestand van de (bedreigde) soorten in Nederland is.

Rode-Lijstsoorten
Verdwenen uit Nederland: 3 soorten
- kleine hoefijzerneus
- otter
- vale vleermuis

In het wild verdwenen uit Nederland: 1 soort
- tuimelaar

Ernstig bedreigd: 2 soorten
- eikelmuis
- hamster

Bedreigd: 3 soorten
- gewone zeehond
- hazelmuis
- zwarte rat

Kwetsbaar: 8 soorten
- boommarter
- bruinvis
- grijze grootoorvleermuis
- ingekorven vleermuis
- laatvlieger
- noordse woelmuis
- rosse vleermuis
- waterspitsmuis

Gevoelig: 7 soorten
- bever
- grote bosmuis
- grijze zeehond
- hermelijn
- konijn
- tweekleurige vleermuis
- wezel

Onvoldoende gegevens: 4 soorten
- bunzing
- egel
- molmuis
- ondergrondse woelmuis

Informatie: www.vzz.nl
Bron: vzz

lees meer
16 NOVEMBER 2007

EERSTE EUROPESE VLINDER UITGESTORVEN

Vooraanstaande wetenschappers uit 31 Europese landen vragen dringend acties om de dramatische achteruitgang van dagvlinders in Europa te stoppen. Deze oproep komt er naar aanleiding van de sterke achteruitgang van algemenere soorten en het uitsterven van de eerste Europese vlindersoort, het Madeira groot koolwitje.
Verschillende landen binnen Europa rapporteren het uitsterven van tien of meer soorten binnen hun landsgrenzen. Voor het eerst werd bevestigd dat een Europese vlindersoort is uitgestorven, namelijk het Madeira groot koolwitje. De vlinder is een ondersoort van het groot koolwitje en endemisch op Madeira. Het was daar in de afgelopen vijftien jaar niet meer gezien.
In Noordwest-Europa is de situatie voor dagvlinders het meest dramatisch. België en Nederland zijn hier de trieste koplopers. De Vlinderwerkgroep van Natuurpunt en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) hebben aangetoond dat in België ongeveer een derde van alle dagvlindersoorten verdwenen is en dat een ander derde is bedreigd. Oorzaken van dit lokaal uitsterven en de achteruitgang is de intensivering van het landgebruik, waardoor waardevolle vlindergebieden steeds verder in de verdrukking geraken.
Dirk Maes (INBO) : 'Steeds meer landen in Europa slagen erin om betere gegevens over de verspreiding en de aantallen dagvlinders te vergaren. Deze nieuwe gegevens geven steeds vaker aan hoe slecht het wel gaat met de dagvlinders in heel Europa. Deze crisis is zeker niet beperkt tot de dichtbevolkte landen en regio’s, maar strekt zich uit van vlinderrijke gebieden zoals Turkije, over Oekraïne tot de Baltische staten. Ook het intensiveren van de landbouw in vele Oost-Europese landen baart wetenschappers zorgen.'
De vlinderexperten roepen op tot meer actie van zowel de Europese als de nationale en regionale overheden. Ze zullen dit doen door samen te werken in de nieuwe koepelorganisatie Butterfly Conservation Europe, die de acties over het Europese continent zal coördineren.
Twee leden van de raad van bestuur van Butterfly Conservation Europe, Martin Warren (Butterfly Conservation Groot-Brittannië) en Chris van Swaay (Nederlandse Vlinderstichting) hebben een boek gepubliceerd met daarin de vierhonderd belangrijkste vlindergebieden in Europa. De vlinderexperten zullen behoud- en herstelacties voor vlinders concentreren op deze gebieden, die samen ongeveer twee procent van de Europese oppervlakte beslaan. Een van hun andere doelen is om vlinders erkend te krijgen als indicatoren voor het leefmilieu in Europa.
Wouter Vanreusel (Vlinderwerkgroep van Natuurpunt): 'Verschuivingen in de verspreiding van soorten vertellen ons over de gevolgen van klimaatswijzigingen. Hierdoor zullen sommige soorten in onze contreien verschijnen, terwijl andere soorten verdwijnen omdat hun leefgebieden niet meer geschikt zijn of te ver uit elkaar liggen om er nog spontaan te geraken.'

Informatie: www.natuurpunt.be
Bron: Natuurpunt

lees meer
15 NOVEMBER 2007

FAUNA HEEFT GEEN LAST VAN MOTORRACES

De wilde dieren in het habitatrichtlijngebied Witterveld hebben geen last gehad van de motorraces die eind deze zomer werden verreden op het nabijgelegen TT Circuit in Assen. Die conclusie trekt Alterra na monitoring van effecten van geluidsoverlast.
Het geluid van motor- en autoraces wordt door natuurliefhebbers al snel beleefd als verregaande geluidshinder. Ook bestaat de neiging de menselijke gevoelens van negatieve beleving te projecteren op de natuur: dat moet per definitie minstens zo slecht zijn voor die natuur. Dat het in de natuur vaak anders gaat dan je zou verwachten, is in een 'overbevolkt' land als het onze een prettige constatering, stelt Alterra.
Begin september 2007 is het Champ Car evenement verreden op het TT-Circuit, een nieuw evenement met een naar verhouding extra geluidsbelasting in vergelijking met veel andere evenementen. Het TT-circuit grenst aan het beschermd natuurmonument en habitatrichtlijngebied Witterveld. De vraag was dan ook of deze extra geluidsbelasting afzonderlijk, dan wel in cumulatie met belasting van overige geluidsbronnen, de instandhoudingsdoelstellingen van het Witterveld in gevaar zou brengen.
In een zogenaamde voortoets is onderzoek gedaan naar de ecologische effecten die met de extra geluidsbelasting samenhangen. De conclusie hiervan was dat de instandhoudingsdoelstelling voor de kwalificerende habitattypen met zekerheid niet in het geding is. Ook de instandhoudingsdoelstelling 'het waarborgen van de voor fauna noodzakelijke rust' was naar alle waarschijnlijkheid niet in het geding. Maar vanwege het ontbreken van geluiddrempelwaardes bij niet-broedvogels (en overige faunagroepen), en de onzekerheid over eventueel optredende gewenning of sensibilisatie aan geluid, werd aanbevolen om voorafgaand, tijdens en na het Champ Car evenement de eventueel optredende effecten te monitoren. Daaruit bleek dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het Witterveld als gevolg van de Champ Car race niet in het geding zijn.

Bron: Wageningen UR

Zie ook: rapport

lees meer
14 NOVEMBER 2007

HORMONEN IN WATER NACHTMERRIE VOOR NATUUR

Biologen vinden steeds vaker tweeslachtige vissen, kikkers en andere waterorganismen. Volgens de Wageningse promovenda Titia de Mes is het een gevolg van te veel oestrogenen in het milieu. Nederlandse rioolwaterzuiveringen slagen er niet in om alle vrouwelijke hormonen uit het afvalwater af te breken.
Tweeslachtige organismen en mannelijke organismen die mannelijke geslachtskenmerken missen, komen al voor bij zeer lage concentraties van enkele nanogrammen oestrogenen per liter, stelt De Mes. ‘De krachtigste vrouwelijke hormonen in ons milieu zijn door mensen uitgescheiden. In de urine van mannen en vrouwen zit estradiol, het vrouwelijke geslachtshormoon, plus een heleboel weinig actieve omzettingsproducten. Als vrouwen anticonceptiemiddelen gebruiken scheiden ze bovendien het synthetische ethinylestradiol uit.’
De meeste Nederlandse waterzuiveringen breken meer dan negentig procent van de oestrogenen af die ze aangevoerd krijgen. Dat klinkt mooi, maar als we onze natuur niet willen laten veranderen in een hormonale nachtmerrie zou dat 99,9 procent moeten zijn.
Toen De Mes een proef deed met een traditionele aerobe zuiveringsmethode, ontdekte ze dat die in principe alle oestrogenen kon afbreken, maar dat de installatie daarvoor wel meer tijd nodig had. ‘Die tijd zal er in de praktijk niet zijn’, zegt De Mes. ‘Als je al het afvalwater op die manier moet behandelen, heb je beduidend grotere installaties nodig.’
Anaerobe zuiveringsinstallaties kunnen geen oestrogenen afbreken, ontdekte De Mes. Daarnaast ontdekte de promovenda dat het probleem nog een graadje serieuzer was dan ze aanvankelijk had gedacht. Enkele tientallen procenten van de vrouwelijke hormonen verlaten het lichaam als een metaboliet zonder hormonale werking. Het lichaam heeft er chemische groepen aan geplakt waardoor de hormonen niet meer actief zijn. Het zuiveringsproces schroeft die groepen er echter weer af. Het proces kan de ontwaakte oestrogenen afbreken, maar heeft daarvoor dan nog meer tijd nodig.
‘We zullen onze manier van zuiveren radicaal moeten veranderen’, concludeert De Mes. ‘Dat is alleen betaalbaar als we het afvalwater van onze toiletten apart gaan zuiveren. Alleen op die manier kun je intensiever en langer zuiveren zonder dat de kosten de pan uit rijzen.’
Zo’n systeem is op de lange termijn onvermijdelijk, denkt De Mes, en niet alleen vanwege oestrogenen. ‘We zijn nu eenmaal een verouderende bevolking die steeds meer medicijnen gebruikt. Volgens een recent rapport van RIVM zitten er nu al sporen van oestrogenen, antidepressiva en medicijnen tegen epilepsie in ons drinkwater.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
13 NOVEMBER 2007

MUIZEN SANEREN GIFGROND UITERWAARDEN

Door het gegraaf van muizen, mollen en regenwormen worden gevaarlijke gifconcentraties in de uiterwaarden zo sterk verdund dat afgraven niet meer nodig is. Dit stelt bioloog Sander Wijnhoven naar aanleiding van zijn promotieonderzoek aan de Radboud Universiteit Nijmegen. ‘De verontreinigingsgraad in de bovenste vijftien centimeter zal over een jaar of tien acceptabel zijn. Zelfs op de sterkst verontreinigde plekken’, zegt hij.
In de jaren zeventig waren de grote rivieren open riolen vol industrieel afval. Dat kwam terecht in de uiterwaarden. De zware metalen in de bodem zijn zo sterk geconcentreerd en zo giftig dat het slib als chemisch afval behandeld moet worden. Het afgraven kost veel geld, en bij opslag zou het om tonnen verontreinigde bodem per uiterwaard gaan. Verder wordt de natuurontwikkeling in het rivierengebied vaak met jaren vertraagd door de saneringseisen.
Sander Wijnhoven laat echter zien dat het gif niet onberoerd blijft in die oude lagen, maar dat het door het gegraaf van kleine dieren wordt verdund en deels naar het oppervlak wordt gebracht. Bij hoog water worden de zware metalen vervolgens afgevoerd naar zee. ‘Het probleem is natuurlijk dat we zware metalen nooit kwijt raken of kunnen afbreken, maar sterk gebonden aan bodemdeeltjes of in verdunde vorm kan het wel veel minder kwaad.’
Vier jaar lang heeft Wijnhoven het wel en wee van de muizenpopulaties in uiterwaarden gevolgd om meer te weten te komen over hun rol bij de verspreiding van zware metalen. ‘Elk jaar als de uiterwaard overstroomt, verdrinkt het grootste gedeelte van de muizen. Daarna duurt het weer heel lang voordat de muizen terug zijn. De eerste meters zijn al weer snel bevolkt, maar op grotere afstand blijven de muizen soms het gehele jaar weg. Het was dus de vraag of er wel genoeg muizen in de uiterwaarden leven om een factor van belang te zijn’, zegt Wijnhoven.
In zijn leefvallen ving hij veld-, spits- en bosmuizen. Daardoor ontdekte hij het belang van bosjes en heuveltjes in het landschap. ‘Als er vluchtplekken zijn, en voor korte periodes kunnen dat zelfs bomen zijn, dan blijven er genoeg dieren leven om daarna de lagere stukken geleidelijk te herkoloniseren. Ook voor andere soorten is het goed om hoogwatervrije plekken te hebben en genoeg muizen om te eten.’
Ondanks dit periodieke hoogwaterdrama is de rol van de kleine gravers substantieel. ‘Neem de Afferdensche en Deestsche Waarden – een representatief gebied voor de uiterwaarden van de Waal. Hier wordt jaarlijks grofweg een centimeter relatief schoon slib afgezet, en graven de dieren twee centimeter vuil sediment naar boven. Door dit mixen neemt de concentratie van de zware metalen met zo’n dertig procent af. De verontreinigingsgraad zal over een jaar of tien in de bovenste vijftien centimeter overal acceptabel zijn, zelfs op de meest verontreinigde plekken.’
Het gifprobleem is daarmee niet helemaal uit de wereld. Hoe dieper het gif ligt, hoe minder het vergraven wordt. Aan de andere kant is het dan ook niet meer zo gevaarlijk voor de natuur, volgens Wijnhoven. ‘Omdat de klei waaruit de bodem in de overstromende delen bestaat, de eigenschap heeft dat het de zware metalen sterk bindt, zijn de grootste risico’s te vinden op de grotendeels zanderige bodems van de hoogwatervrije terreinen. Het saneren van hooggelegen plekken met hoge concentraties zware metalen zorgt dan ook voor de grootste reductie van de risico’s.

Informatie: www.ru.nl
Bron: Radboud Universiteit Nijmegen

lees meer
12 NOVEMBER 2007

VIRUSSEN DODEN ALGEN IN ZEE

Virussen zijn een belangrijke oorzaak van sterfte van eencellige algen in zee. Dat concludeert promovendus Anne-Claire Baudoux in haar onderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Vanouds wordt gedacht dat algen sterven doordat zij opgegeten worden door dierlijk plankton, of doordat zij wegzakken naar de diepe wateren en de zeebodem. De manier waarop de algen sterven is van grote invloed op het ecosysteem.
Eéncellige algen (fytoplankton) vormen de basis van de mariene voedselketen. Traditioneel worden de zogenoemde ‘begrazing’ door dierlijk plankton en de bezinking naar diep water en naar de zeebodem als de belangrijkste oorzaken van fytoplanktonsterfte gezien. Anne-Claire vond echter dat virussen in belangrijke mate verantwoordelijk zijn voor de instorting van voorjaarsbloei van de schuimalg Phaeocystis globosa in Nederlands kustwater van Noordzee en Waddenzee.
De manier waarop de algen sterven is van groot belang voor het verloop van de voedselstromen in het voedselweb en de draagkracht van het ecosysteem. Worden de algen opgegeten, dan kan het dierlijke plankton weer als voedsel dienen voor organismen, zoals vis. Zo loopt de koolstofstroom dus door naar de hogere trofische niveaus. Als een algencel wordt geïnfecteerd door een virus, komt uiteindelijk de celinhoud in zee vrij als dood organisch materiaal, dat weer wordt afgebroken door bacteriën in het zeewater. De directe doorstroming naar de hogere trofische niveaus is hierbij dus onderbroken. In gebieden met een tekort aan voedingsstoffen kan de sterfte van algen echter toch weer bijdragen aan de productie van het ecosysteem. Tijdens het verteren van de vrijgekomen celinhoud door bacteriën komen namelijk elementaire voedingzouten vrij, die weer door andere algen gebruikt kunnen worden.
Uit het onderzoek van Baudoux blijkt dat de invloed van virusinfecties sterk verschilt per algensoort, en dat het effect groter is in voedselrijkere wateren dan in voedselarme zeeën.
Baudoux vond verder dat virusinfecties veel voorkomen bij het in voedselarmere wateren relatief veel aanwezige picofytoplankton (zeer kleine algen). De ook veel voorkomende cyanobacteriën (voorheen: blauwwieren) Synechococcus en Prochlorococcus bleken echter nauwelijks gevoelig. Verder bleken de virussen die specifiek P. globosa infecteren sterk te verschillen van andere virussen in hun uiterlijk en virologisch eigenschappen ondanks een nauwe erfelijke verwantschap. Maar hoewel algenvirussen zeer specifiek zijn, hebben ze niet alleen een direct effect op de populatiedynamiek van de gastheersoort, maar beïnvloeden ze ook de diversiteit van aanwezige algensoorten.

Informatie: www.nioz.nl/
Bron: NIOZ

lees meer
9 NOVEMBER 2007

2006 GOED JAAR VOOR WEIDEVOGELS

Het oppervlak aan graslanden waarop weidevogels worden beschermd, is in 2006 met meer dan twintigduizend hectare toegenomen. Verder was het vooral voor de grutto een goed jaar, blijkt uit het jaarverslag van Landschapsbeheer Nederland. Volgens de onderzoekers komt dit door het koude weer in maart en april, gevolgd door een late natte periode, waardoor boeren pas laat hun weides maaiden. Deze omstandigheden bleken voor de kievit echter minder ideaal.
De resultaten van onderzoek in 2006 laten zien dat het eindelijk weer eens een jaar was waarin in een groot deel van de mozaiekgebieden veel jonge grutto's vliegvlug konden worden. Dat is volgens Landschapsbeheer Nederland vooral te danken aan weersomstandigheden: eerst koud weer in maart en april waardoor de grasgroei werd vertraagd en daarna regenachtig weer in de tweede helft van mei waardoor het maaien veelal beduidend later plaatsvond dan in andere jaren.
Bovendien bleken de boeren in de mozaiekgebieden bereid voor eenzelfde oppervlakte eenjarige contracten tot in juni uitgesteld maaien af te sluiten als reeds aanwezig was door middel van zesjarige SAN-contracten. Het koude en vooral ook droge weer in maart en april zorgde er echter ook voor dat 2006 een slecht jaar was voor de kievit. Ook bij de grutto zijn waarnemingen gedaan dat een deel van de broedparen niet tot broeden is gekomen vanwege het droge weer en mogelijk tekort aan regenwormen.
Het jaarverslag laat verder zien dat in 2006 weidevogelbescherming en -beheer in Nederland plaatsvindt op een oppervlakte van 416.000 ha. Dat omvat 369.000 ha nestbescherming (waarvan 117.000 ha nestbescherming binnen gebieden met collectieve SAN-contracten en 249.000 ha erbuiten), 27.000 ha met contracten uitgesteld maaien en 18.000 ha weidevogelreservaat. Alles bij elkaar opgeteld is de omvang in hectares circa 21.000 ha meer dan in 2005.
Bij het zoeken en beschermen van weidevogellegsels op de 369.000 ha met nestbescherming zijn minimaal 15.000 boeren en 12.000 vrijwilligers en nazorgers betrokken. Zij vonden in 2006 circa 156.000 legsels waarvan ruim 85.000 kievitlegsels en 21.500 gruttolegsels. Het uitkomstresultaat is 75 procent (hoogste sinds 1996) en 2 procent hoger dan in 2005. Dat komt vooral door minder verliezen als gevolg van opeten van eieren door vos, zwarte kraai en andere predatoren van weidevogellegsels.
De kosten van weidevogelbeheer en (coördinatie van) weidevogelbescherming in 2006 bedragen ruim 27 miljoen euro. Hiervan is ruim 21 miljoen besteed aan SAN-contracten: nestbescherming (bijna 9 miljoen), uitgesteld maaien (bijna 10 miljoen), uitrijden ruige mest (ruim 1,5 miljoen) en overige contracten zoals plasdras (bijna 0,9 miljoen). Daarnaast is ruim 3 miljoen besteed aan SN-contracten en Staatsbosbeheerkosten voor weidevogelreservaten, ruim 0,6 miljoen vanuit provincies aan speciale beheercontracten en -experimenten en nog eens ruim 0,6 miljoen aan coördinatie van nestbescherming.

Informatie: www.weidevogelbescherming.nl
Bron: Landschapsbeheer Nederland

Zie ook: rapport

lees meer
9 NOVEMBER 2007

NATTE WINTERS MAKEN MEREN TROEBEL

Wetenschappers buigen zich al jarenlang over de vraag waarom sommige troebele meren ineens helder worden, en net zo plotseling weer een groene soep. Promovendus drs. Winnie Rip van Wageningen Universiteit ontdekte dat de fluctuaties overeenkomen met de wisselingen tussen droge en natte winters.
Door intensivering van de landbouw in de jaren zestig zijn veel meren volgelopen met nutriënten. Onderwater verdwenen veel planten door de verrijking, terwijl de hoeveelheid algen juist toenam. Helder water werd hierdoor troebel.
Terugdringing van fosfaattoevoer in de jaren tachtig had in eerste instantie succes. Maar voor enkele meren bleek de terugkeer van helder water van korte duur. Na een paar jaar waren de meren weer troebel, ondanks een herstelde watervegetatie en gelijkblijvende fosfaatbelasting vanuit de landbouw.
Rip onderzocht de oorzaak van de fluctuaties aan de hand van natuurreservaat Botshol ten zuidwesten van Abcoude. Ze vond er een relatie met de afwisseling van droge en natte winters. Vroeger waren de winters minder nat en ook niet zo vaak nat, waardoor de helderheid van de meren niet wisselde. De laatste dertig jaar valt er ’s winters echter steeds meer regen. Hierdoor stroomt er van het land meer fosfaatrijk water in de meren.
Wanneer de concentratie en afstroming zo hoog zijn dat de fosfaatbelasting boven een drempel uitkomt, kan helder water ineens troebel worden. ‘Het moet vervolgens weer een aantal jaren achtereen droog zijn, wil het fosfaat uit het systeem gaan zodat het water terugkeert naar een heldere toestand’, zegt Rip.
Om meren als Botshol helder te houden, zouden de fosfaatnormen voor de landbouw volgens de promovendus meer rekening moeten houden met de hoeveelheid neerslag in voorgaande jaren.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
8 NOVEMBER 2007

CERTIFICERING VISSERIJ KAN NATUUR BESCHERMEN

Vissers kunnen wel degelijk een positieve bijdrage leveren aan marien natuurbehoud. Dit blijkt uit een internationale vergelijking van visserijbeheer in het kader van natuurbeheer, uitgevoerd door Wageningen IMARES en het LEI in opdracht van het Milieu- en Natuurplanbureau en de WOT Natuur & Milieu. Zelfregulering door middel van certificering blijkt een goed middel om niet alleen de visstanden, maar ook de kwetsbare ecosystemen te beschermen.
Over de gehele wereld is een patroon te zien waarbij visserijen in toenemende mate niet alleen zichzelf benadelen door overbevissing, maar ook de ecosystemen schaden waarin wordt gevist. Natuurreservaten bieden in veel gevallen de beste bescherming aan de natuur, maar ook de visserijsector zelf kan door zelfregulering bijdragen aan marien natuurbehoud, stellen de onderzoekers. Certificering kan daarbij volgens hen een belangrijk hulpmiddel zijn.

De onderzoekers zochten naar voorbeelden van levensvatbare en duurzame visserijpraktijken, waarbij een zodanig beheer wordt gevoerd dat geen significante schade aan het ecosysteem wordt aangericht. Ze wilden hieruit lessen trekken die toepasbaar waren voor Nederland. Er bleken echter nauwelijks voorbeelden te vinden waarin de visserij zodanig werd beheerd dat er geen schade aan de natuur was. Wel zijn er verschillende praktijken waarbij de effecten op de natuur, naast de effecten op de geëxploiteerde visbestanden op een of andere manier een rol spelen in het beheer. Eén voorbeeld hiervan vormt het Marine Stewardship Council (MSC).
Deze vorm van certificering van visserijactiviteiten wordt aangestuurd door een onafhankelijke, wereldwijde non-profit organisatie die streeft naar een verantwoorde en duurzame vorm van exploitatie van visbestanden en naar gezonde mariene ecosystemen. Het rapport concludeert dat het MSC-certificaat geen absolute garantie biedt tegen schade aan de natuur, maar wellicht toch een goed uitgangspunt vormt voor een proces waarbij wetenschappelijke onzekerheden kunnen worden verkleind en de schade aan ecosystemen kan worden beperkt.
Wel denken de onderzoekers dat certificering waarschijnlijk alleen kan worden gerealiseerd wanneer er vanuit de overheid en de samenleving meer druk wordt uitgeoefend op de sector om dergelijke zelfregulering te bewerkstelligen, volgens de onderzoekers.

In het rapport wordt ook nagegaan welke andere mogelijkheden aanwezig zijn om te komen tot een meer duurzame visserij, met een zo beperkt mogelijk negatief effect op andere onderdelen van het ecosysteem. Eén van de opties is het instellen van beschermde gebieden (Marine Protected Areas).

Informatie: www.wur.nl
Bron: Wageningen Universiteit en Researchcentrum

Zie ook: rapport

lees meer
7 NOVEMBER 2007

INHEEMSE SOORTEN HARDER ACHTERUIT

Inheemse vaatplanten gaan in voorkomen harder achteruit dan uitheemse soorten. Binnen de groep inheemse soorten gaan de noordelijke en montane soorten het meest achteruit. De ingeburgerde soorten die na 1500 in Nederland gekomen zijn, laten juist een toename zien in voorkomen. Dat blijkt uit onderzoek van Alterra naar de gevoeligheid van vaatplanten voor klimaatverandering en habitatversnippering.
Er bestaat nog veel onduidelijkheid over de ruimtelijke consequenties van klimaatveranderingen voor soorten en levensgemeenschappen. Om daar meer inzicht in te krijgen, ontwikkelden onderzoekers van Alterra kentallen voor de gevoeligheid van vaatplanten voor habitatversnippering en klimaatverandering. Deze kentallen blijken een deel van de waargenomen trends over de twintigste eeuw te kunnen verklaren.
Van de vaatplanten die erg gevoelig zijn voor klimaatverandering nemen de soorten die gevoelig zijn voor versnippering het meest af. Dit resultaat ondersteunt de theorie dat effecten van klimaatverandering op biodiversiteit worden uitvergroot door fragmentatie.
Ook verstedelijking vormt een verklaring voor de waargenomen trends, al is de mate waarin verstedelijking een rol speelt nog niet duidelijk.
De nieuwe plantensoorten die een toename laten zien, kunnen economische en milieuproblemen veroorzaken. Sommige veroorzaken die al, volgens Alterra.
Om de gevoeligheid voor klimaatverandering te schatten, zijn twee methodes gebruikt: een bestaand regressiemodel voor twintig procent van de Europese vaatplanten (EuroMove) is aangevuld met een risico-inschatting op basis van karakteristieken van het geografisch areaal (grootte van het areaal en ligging van Nederland ten opzichte van de rest van het areaal).

Informatie: www.wur.nl


Zie ook: rapport

lees meer
6 NOVEMBER 2007

VERMESTING EN VERZURING GESTEGEN

De dalende trend van vermesting van het milieu van begin deze eeuw heeft zich niet voortgezet in 2005 en 2006. Hetzelfde geldt voor de afzet van verzurende stoffen zoals zwaveldioxide en stikstofoxide in het milieu. Dat meldt het Milieu en Natuur Compendium. Daarmee lijken de gestelde doelstellingen voor het jaar 2010 nog ver weg.
De eerder waargenomen daling in voorgaande jaren is het resultaat van maatregelen bij het verkeer, zoals de invoering van de katalysator aan het eind van de jaren tachtig, bij de industrie en in de energiesector. Ook de emissie van ammoniak door agrarische bronnen daalde flink. De nu waargenomen stijging van de laatste twee jaar schrijven de onderzoekers toe aan de weersomstandigheden van 2005 en 2006.
De toename van de voedselrijkdom en zuurgraad door vermesting en verzuring heeft grote invloed op de natuur, vooral op het voorkomen van plantensoorten. Ook bestaan er indirecte effecten. Zo heeft een lagere concentratie vermestende stoffen in het oppervlaktewater van de Randmeren invloed op het voorkomen van aquatische planten en indirect op het voorkomen van watervogels.
De landelijk gemiddelde stikstofdepositie, ook wel vermestende depositie genoemd, lag tot halverwege de jaren 1990 vrij constant rond de 3.000 mol stikstof per hectare. Vanaf 1994 daalde de stikstofdepositie geleidelijk naar 2.100 mol per hectare in 2004. In 2005 en 2006 is de depositie echter weer licht toegenomen. De doelstelling licht voor 2010 op 1.650 mol per hectare.
Voor de stoffen die het milieu verzuren is dit 2.300 mol per hectare voor 2010. Maar ook deze doelstelling lijkt nog ver weg. De statistieken voor de verzurende stoffen laten namelijk dezelfde trend zien als die van de stikstofdepositie. In het begin van de jaren tachtig bedroeg de zure depositie nog 6.000 mol per hectare, in 2004 was dit 2940 mol per hectare. In 2005 en 2006 is echter ook de zure depositie licht gestegen. Zo komt de afzet voor 2006 uit op 3040 mol potentieel zuur per ha.

Informatie: www.milieuennatuurcompendium.nl
Bron: Milieu en Natuur Compendium

lees meer
5 NOVEMBER 2007

BELEVING WINDMOLENS ONBEKEND

Te veel windmolens in een gebied kan leiden tot een nivellering van de waarde van het landschap. Dat schrijft landschapsarchitecte Lon Schöne in een essay over de problematiek van de windmolens. Opvallend is dat er nauwelijks kennis is over hoe de windmolens in het landschap worden ervaren.
In 2006 werd meer dan 1200 Megawatt (MW) aan vermogen opgewekt door zo'n 1700 windmolens met een gemiddelde lengte van dertig meter. Voor 2010 zijn afspraken gemaakt om op land 1500 MW en op zee 6000 MW te realiseren. Dit zou makkelijk gehaald kunnen worden, want er komt een nieuwe generatie windmolens aan van meer dan honderd meter hoog, met veel grotere wieken, die veel meer vermogen leveren. Maar wat dit voor het landschap betekent, weten we niet. Volgens Schöne zijn er in totaal maar acht onderzoeken die een beeld geven van de acceptatie en beleving van windmolens. Die onderzoeken gaan over verschillende landschapstypen, en niet over de nieuwste generatie windmolens. Er is dus een schromelijk gebrek aan wetenschappelijke kennis over de rol die windmolens spelen in het landschap.
Er is meer aandacht nodig voor de optische effecten van de opstelling van de windmolens, van de draaiing ervan en het kleurgebruik. Ook is het nodig te onderzoeken of en wanneer er bij het publiek verzadiging optreedt als er veel windmolens in het landschap worden geplaatst. Nivellering van het landschap kan optreden als mensen overal windmolens zien.

Bron: Boomblad #5, november 2007

Zie ook: rapport

lees meer
5 NOVEMBER 2007

NIEUWE KIJK OP IDEAAL LANDSCHAP NODIG

Het tegengaan van verrommeling en het behouden van een 'mooi' landschap zal alleen lukken door na te denken over nieuwe ideaalbeelden. Want de ideaalbeelden van het landschap verdwijnen, als gevolg van veranderingen in de maatschappij, of zijn zelfs nooit realistisch geweest. Dat stelt het Ruimtelijk Planbureau (RPB) in het rapport ‘De staat van de ruimte 2007. Nederland zien veranderen’.
Het landschap van Nederland verandert. Velen klagen over de toenemende verrommeling. Minister Cramer van VROM heeft daarom als doel gesteld Nederland mooier te maken. Om dat te kunnen realiseren pleiten de onderzoekers voor een vernieuwende kijk op de volgende zeven ideaalbeelden van het landschap: de heldere scheiding tussen stad en land, de binnenstad is het hart van de stad, gemengde buurten, stedelijke uitbreiding als 'maquette', wegen als symbool van ruimte en vrijheid, het idyllische platteland, en ongerepte natuur. Al deze ideaalbeelden verdwijnen geleidelijk uit beeld of zijn nimmer werkelijk in beeld geweest, stelt het RPB. Zo is de heldere scheiding tussen stad en land aan het verdwijnen, of is zelfs al verdwenen. Met name in de Randstad ontstaan stedenwolken, maar ook elders gaan steden en dorpen op in het tussenland van de volgende stad. Dat roept de vraag op of ideaalbeelden nog steeds als wensbeeld moeten gelden, en zo ja, welke ideaalbeelden dat dan zijn.
Aan de veranderingen in het beeld van Nederland ligt het veranderende gedrag van de burger ten grondslag, en met name de toegenomen welvaart, de toegenomen individualisering en het toegenomen autogebruik, zo constateren de auteurs. ‘Het is de burger die buiten de stad wil wonen of recreëren, de automobilist die de files veroorzaakt, de ondernemer die zich langs de snelweg vestigt en de boer die de schaal van zijn bedrijf moet vergroten.’ En het zijn die ontwikkelingen die maken dat de ideaalbeelden van de beleidsmakers, zoals 'een heldere scheiding tussen stad en land' en 'het idyllische platteland', niet meer voldoen aan de nieuwe werkelijkheid. 'Wie een effectief beleid wil voeren, heeft in ieder geval behoefte aan een hedendaagse bril; Een nieuwe werkelijkheid vraagt soms om een vernieuwd ideaalbeeld', concludeert het RPB

Informatie: www.rpb.nl/upload/documenten/staatvdruimte2007_bevindingen.pdf


Zie ook: rapport

lees meer
2 NOVEMBER 2007

'SCHRAP INTENSIEF GEBRUIKT GRASLAND VOOR MOZAïEKBEHEER'

Intensief gebruikte landbouwgronden voldoen niet als ‘kuikenland’ voor grutto’s, en zouden daarom niet gebruikt moeten worden voor mozaïekbeheer. Dat adviseren onderzoekers van Alterra. Het probleem zit hem in de lengte van het gras. Na het maaien is het te kort, door intensieve bemesting wordt het vervolgens te lang.
Met mozaïekbeheer zou de kans op overleving van gruttokuikens groeien, zo wordt aangenomen. In het gevarieerde weidelandschap van percelen met kort en lang gras kunnen kuikens altijd wel ergens veilig rondscharrelen, was de achterliggende gedachte.
Uit onderzoek van Alterra blijkt echter dat mozaïekbeheer op zwaar bemeste graslanden weinig effect heeft. De verwachte toename in kuikens blijft daar achterwege. Uit proeven van Alterra blijkt nu dat vooral het intensieve gebruik en de rijkelijke bemesting van de mozaïekgraslanden het probleem vormen.
Vlak na het maaien is de vegetatie kort, waardoor de jonge grutto’s kwetsbaar zijn voor roofdieren, en weinig voedsel kunnen vinden. De insecten die hun hoofdmaal vormen, zitten liever in hoog gras. Tegen de tijd dat de insecten wel toenemen in aantal, is het gras door de intensieve bemesting echter zo hoog en dicht geworden dat de kuikens moeite hebben er doorheen te komen.
De onderzoekers adviseren in hun rapport dan ook om deze intensief gebruikte landbouwgronden helemaal uit de lijst te schrappen van ‘mogelijk kuikenland’. Wel kansrijk zijn de meer kruidenrijke graslanden, vooral als deze licht bemest worden. Op deze percelen leven veel insecten, en de vegetatie is voor de kuikens goed begaanbaar

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
1 NOVEMBER 2007

NATUUR OM DE HOEK MEEST GEWAARDEERD

Vrijwel iedere Nederlander heeft een warm hart voor de natuur, en veertig procent is bereid meer belasting te betalen voor de natuur. Daarbij worden ze vooral gemotiveerd door natuur in hun nabije omgeving. Ze zijn dan ook meer bereid extra gemeentebelasting te betalen dan extra inkomstenbelasting ten bate van de natuur. Dat blijkt uit een herhaling van de burgerenquêtes van 2001 en 1996, uitgevoerd door het landbouweconomisch instituut LEI, in opdracht van het Milieu- en Natuurplanbureau.
Nederlanders vinden nu dat natuurbehoud minder hoog op de overheidsagenda hoeft te staan dan vijf jaar geleden. Vond in 2001 56 procent nog dat natuurbehoud in de top vier van overheidsprioriteiten behoorde, nu vindt nog maar 21 procent dat. Toch hecht 95 procent van de Nederlandse bevolking veel belang aan de bescherming van bestaande natuurgebieden, aan natuureducatie op scholen (88 procent) en aan de bescherming van zeldzame planten en dieren.
Opvallend is dat mensen erg positief zijn over de hoeveelheid natuur in hun woonomgeving. Daar zijn ze ook zeer betrokken bij, blijkt uit de enquête, en ze willen daarvoor ook meer betalen.

Bron: Boomblad #5, november 2007

Zie ook: rapport

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk