homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

31 OKTOBER 2007

SNEL HEIDEHERSTEL OP EX-AKKER MOGELIJK

Als je direct na het uit productie nemen van landbouwgronden struikheide inzaait, kunnen de plantjes zich vestigen vóór de grassen komen. Promovenda Annemieke van der Wal en collega’s van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) concluderen dit na onderzoek op de Veluwe. Ook blijken opgehoopte fosfaten in de voorheen bemeste landbouwgronden geen grote problemen op te leveren op zulke zandbodems.
Grassen zijn grote concurrenten van heideplanten. Op oude heideterreinen is 'vergrassing’ dan ook gevreesd als het begin van het einde. Bij natuurontwikkeling in voormalig landbouwgebied op zandgrond kan struikheide zich wel goed vestigen, ondanks de door bemesting (fosfaat)rijke grond en de aanwezigheid van snelgroeiende grassen en kruiden. De boodschap is: je moet er op tijd bij zijn.
Het inzaaien van voormalige akkers met heidezaad werkt waarschijnlijk goed als je het meteen doet. Dan zijn de heideplanten de grassen voor. De opgehoopte fosfaten hoeven niet uit de bodem verwijderd te worden, in ieder geval niet bij zandgronden, zoals op de Veluwe. Wat wel helpt, is het aanbrengen van grondmonsters uit een volwassen heidegebied. Hierin bevinden zich schimmels die als ‘partner’ de heideplanten kunnen helpen met de opname van voedingsstoffen. Zo kan heide beter stikstof opnemen met zijn wortels en kan hij de concurrentie met andere, snelgroeiende planten beter aan.
Van der Wal onderzocht de bodem in een serie van ex-akkers op de zanderige Veluwe. Deze waren één tot 34 jaar uit productie genomen. Schimmels spelen in natuurlijke bodems een veel belangrijkere rol dan bacteriën. In landbouwgronden is dat omgekeerd. Er zijn zo nogal wat bodemeigenschappen die verschillen. Vooral de schimmelsoorten die organisch afval afbreken zijn interessant voor het bodemherstel bij natuurontwikkeling. De onderzoeksresultaten wijzen uit dat deze schimmels alleen in de eerste twee jaar na het verlaten van de akker toenemen en daarna niet meer. Zelfs na dertig jaar zijn er nog niet zoveel schimmels als in een natuurlijk ecosysteem. Om ze te stimuleren zou hout als voedselbron (vooral voor koolstof) aangebracht kunnen worden.

Informatie: www.nioo.knaw.nl
Bron: Persbericht NIOO-KNAW

lees meer
31 OKTOBER 2007

HEIDE STEEDS SOORTENARMER

Veel typische diersoorten van de heide nemen af, meldt het Milieu & Natuur Compendium. Vooral broedvogels en dagvlinders op de heide gaan sinds 1990 achteruit, maar de meeste soorten reptielen, amfibieën en libellen houden zich staande of nemen toe. Belangrijke oorzaken van achteruitgang van vogels en dagvlinders van heide zijn vergrassing, bosopslag en verdroging.
Gemiddeld genomen komen kenmerkende broedvogels van de heide rond 1990 minder voor dan in 1950. In de periode 1990-2003 namen veel broedvogels nog verder af, waaronder korhoen en andere soorten van open heide. Duinpieper en klapekster zijn geheel verdwenen. Sommige soorten zijn echter toegenomen, waaronder de boomleeuwerik.
De dagvlinders zijn volgens het Milieu & Natuur Compendium nog sterker achteruitgegaan dan broedvogels. Enkele soorten zijn er inmiddels verdwenen of bijna verdwenen, waaronder het vals heideblauwtje en de kleine heivlinder.
De adder, gladde slang en zandhagedis daarentegen gaan, ondanks de vergrassing en verbossing, vooruit sinds 1994. Wel zijn deze soorten in 1994 minder talrijk dan rond 1950. Alleen de levendbarende hagedis gaat sinds 1994 achteruit.
De trends van heikikker en poelkikker vertonen een min of meer stabiel patroon. De groep van typische heidelibellen doet het als geheel goed. Er zijn echter opvallende verschillen tussen de soorten. Er zijn vier toenemende soorten, waaronder koraaljuffer en tengere pantserjuffer en
vier afnemende soorten, waaronder de speerwaterjuffer.

Informatie: www.milieuennatuurcompendium.nl/indicatoren/nl1134-Broedvogels,-dagvlinders-en-reptielen-op-de-heide.html?i=2-76

lees meer
31 OKTOBER 2007

HEIDE OP LANDBOUWGROND VERGT GEDULD

Het verwijderen van de bouwvoor is een goede methode om schrale heidevegetatie te ontwikkelen op landbouwgrond. Maar dan moet geen half werk geleverd worden, en geduld betracht, stelt René Verhagen in zijn dissertatie, waarop hij deze zomer promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Schrale heidevegetatie kan zich slecht vestigen op oude landbouwgronden, waar hoge concentraties stikstof en fosfaat zijn opgehoopt. In Nederland is het gebruikelijk de bouwvoor te verwijderen, maar dat gebeurt soms maar deels. Dat werkt volgens Verhagen niet. Hij volgde in tien gebieden de ontwikkelingen na verwijdering van de bouwvoor.
Voor stikstof is oppervlakkig afgraven wel voldoende, maar om de hoeveelheid fosfaat te verlagen moet de hele bouwvoor verwijderen zijn. Er is bovendien geduld nodig. Na oppervlakkig afgraven wordt binnen vijf jaar een bedekking van tachtig procent bereikt, maar daarin ontbreken vaak de soorten die nodig zijn voor de heidevegetatie. Geheel afgegraven gebieden blijven langer kaal, maar krijgen uiteindelijk wel de heidesoorten die nodig zijn. Dat duurt echter meer dan tien jaar. Terwijl zaden van algemenere plantensoorten in grote aantallen in de gebieden terechtkomen, moeten de gewenste heidesoorten van buiten het gebied komen. Maar ook tien jaar na het compleet afgraven van de bouwvoor zijn er nog voldoende open plekken over voor de heidevegetatie om zich te vestigen.

Bron: Bopmblad #5, november 2007

lees meer
30 OKTOBER 2007

GRUTTO TE REDDEN MET EXTRA KUIKENLAND

Wil de grutto in Nederland overleven, dan moet het broedsucces van de weidevogel minimaal op 0,6 vliegvlug jong per broedpaar liggen. Volgens een nieuw onderzoek van Sovon Vogelonderzoek moet dat kunnen lukken, mits er voldoende 'kuikenland' beschikbaar is.
Dat het slecht gaat met de grutto is geen nieuws. Onderzoekers zoeken al enkele jaren de oplossing in mozaïekbeheer, zodat de broedende grutto de beschikking heeft over zoveel mogelijk soorten grasbegroeiing. Helaas bleek uit onderzoek in het project Nederland Gruttoland dat zelfs met dit beheer het vereiste broedsucces van 0,6 vliegvlug jong per broedpaar niet wordt gehaald.
Sovon Vogelonderzoek heeft nu in drie gebieden gekeken waar dat aan lag, en concludeert dat dat de hoeveelheid 'kuikenland' is, land waar het gras minstens achttien centimeter hoog is. In een gebied bij Zoeterwoude bleef het broedsucces steken op een schamele 0,24 vliegvlug jong per broedpaar, nadat het gebied in de tweede helft van mei werd beweid en gemaaid. In twee andere gebieden waar dat niet gebeurde haalde het broedsucces wel de minimale waarde van 0,6 vliegvlug jong.
De onderzoekers berekenden dat er per broedpaar minimaal één jong vliegvlug wordt als het areaal voor ongeveer zestig procent bestaat uit kuikenland. Dan is de overleving van de gruttofamilie optimaal.
Aan welke soort gras de kuikens een voorkeur geven, kunnen de onderzoekers niet zeggen. In dit onderzoek bleken de vogels te kiezen voor gras dat was gemaaid en hergroeid tot boven de achttien centimeter, maar in eerder onderzoek gaven ze de voorkeur aan ongemaaid gras. Het effect van de verschillende perceelstypen kan dus jaar op jaar anders zijn, bijvoorbeeld als gevolg van verschillende weersomstandigheden. Daarom moet volgens de onderzoekers bij de inrichting van het mozaïek rekening gehouden worden met die wisselende omstandigheden.

Informatie: www.sovon.nl
Bron: Boomblad #5, november 2007

Zie ook: rapport

lees meer
29 OKTOBER 2007

BIODIVERSITEITSVERLIES EN RUIMTEGEBREK EVEN URGENT ALS KLIMAATVERANDERING

Om de toekomstige 9 miljard mensen op aarde te voeden en van schoon drinkwater te voorzien, wordt de komende decennia de vraag naar ruimte een even groot probleem als de klimaatverandering. En omdat een evenwichtig ecosysteem een belangrijke voorwaarde is voor de voedsel- en watervoorziening, is ook het beschermen van biodiversiteit van groot belang. Dat stelt het VN-rapport Global Environment Outlook: Environment for development (GEO-4), dat op 25 oktober is verschenen.
GEO-4 heeft onderzocht wat de gevolgen zijn van de veelal verslechterde milieuomstandighedem voor de mondiale kwaliteit van leven. Het milieu is een van de Millennium Development Goals en van cruciaal belang voor het realiseren van de andere Millennium-doelen zoals halvering van armoede, honger en ziekten. In veel gevallen zijn het de armen, ouderen, kinderen en vrouwen die het meest kwetsbaar zijn voor de gevolgen van milieuveranderingen.
Een deel van de (oplossing van de) eigen milieuproblemen wentelt de geïndustrialiseerde wereld af op ontwikkelingslanden met directe gevolgen voor kwetsbare groepen aldaar. GEO-4 introduceert hiervoor de term: exporteren van kwetsbaarheid. Voorbeelden hiervan zijn de import van palmolie als energiebrandstof, waarbij de effecten voor de lokale bevolking niet meegenomen worden, het verdringen van lokale werkgelegenheid in de visserij door de internationale vloot, en lokale gezondheidseffecten als gevolg van het verplaatsen van productie en exporteren van afval.
De verdeling van natuurlijke hulpbronnen draagt in veel situaties bij aan het versterken van al bestaande spanningen in potentiële conflictgebieden, zegt GEO-4 ook. Uit het rapport blijkt dat de toegang tot schoon drinkwater afneemt. In 2025 zullen naar schatting circa 1.8 miljard mensen gebrek hebben aan drinkwater. Het drinken van verontreinigd water blijft daarmee de komende decennia op het terrein van milieu de belangrijkste veroorzaker van slechte gezondheid en sterfte.
Twee miljard mensen krijgen te maken met de gevolgen van het niet duurzaam gebruiken van land, via vervuiling, bodemerosie, waterschaarste en verzilting. In toenemende mate zal de competitie om land en water vanuit verschillende gebruiksfuncties zoals landbouw, biobrandstoffen, natuur en verstedelijking tot spanningen leiden. In de GEO-scenario’s is de toenemende competitie te zien in de tropische regio’s. Het rapport laat zien dat samenwerking op milieugebied kan bijdragen aan het versterken van vertrouwen tussen landen en daarmee aan conflictpreventie. Voorbeelden hiervan zijn het gezamenlijke beheer van regionale wateren, bossen en natuurparken.

Informatie: www.unep.nl
Bron: unep

Zie ook: rapport

lees meer
29 OKTOBER 2007

INVLOED DOOD HOUT REIKT VER

Het is tegenwoordig bijna normaal om dood hout in de bossen te laten liggen. Uit twee onderzoeken van Alterra blijkt dat dit goed is voor vogels, insecten, paddestoelen en mossen. Uit modelonderzoek blijkt zelfs dat dit bosbeheer meer effect heeft op de vitaliteit van insecten en vogels dan de klimaatverandering.
Uit eerder literatuuronderzoek van Alterra bleek al dat algemene soorten baat hebben bij meer dood hout, maar dat veel zeldzame soorten dik dood hout nodig hebben. Een groep Alterra-onderzoekers inventariseerden daarom in het veld zeven 'doodhoutspots' - plekken met dikke stammen dood hout - op zeldzame soorten. Daaruit bleek dat zich dankzij dik dood hout meer zeldzame soorten vestigen.
De onderzoekers vonden allerlei zeldzame insecten, paddestoelen en mossen, waaronder zes soorten van de Rode Lijst. De vangst van het zeer zeldzame kevertje Bolitophagus reticulatus in de echte tonderzwam dit voorjaar was volgens de onderzoekers een aanwijzing dat doodhoutbeheer de biodiversiteit van de zeldzame doodhoutinsecten bevordert. Daarnaast vonden ze een voor de wetenschap geheel nieuwe soort van de als eiparasiet levende uiterst kleine keverfamilie Mimaridae; de Cleruchus polypori.
Een andere groep Alterra-onderzoekers onderzocht met twee ecologische modellen de gevolgen van het laten liggen van dood hout op populaties van vliegende herten, hoornaren, middelste bonte spechten en zwarte spechten, tot in het jaar 2100. Volgens hen heeft het dode hout een veel groter en positief effect op de vitaliteit van de insecten en vogels dan de klimaatverandering. Daarbij hebben de onderzoeker overigens alleen de indirecte gevolgen van de klimaatverandering meegenomen, zoals de groei in biomassa als gevolg van CO2.

Bron: Boomblad #5, november 2007

Zie ook: rapport

lees meer
26 OKTOBER 2007

WEIDEVOGEL WIL VARIATIE EN HOGE WATERSTAND

Later maaien en nestbescherming blijken weinig effectief om de weidevogels in Nederland te behouden. Aandacht voor een hogere grondwaterstand en meer variatie in begroeiing binnen percelen hebben meer effect. Dat concludeert Jort Verhulst in zijn promotieonderzoek aan Wageningen Universiteit.
Het aantal weidevogels in Nederland loopt schrikbarend terug. Zo daalde het aantal broedende grutto’s de afgelopen twintig jaar van 100 duizend naar 45 duizend. Dit ondanks het feit dat de overheid jaarlijks circa 30 miljoen besteedt aan weidevogelbescherming op het boerenland. Boeren kiezen vooral voor twee maatregelen: later maaien en nestbescherming. Jort Verhulst kwam er in zijn promotieonderzoek achter dat dit niet de meest effectieve maatregelen zijn. Uit tellingen in Nederland en Hongarije concludeerde hij dat weidevogels graag nestelen in weides met veel variatie in begroeiing en met een hoge grondwaterstand. Dat laatste geldt vooral voor de grutto en tureluur. En omdat de weidevogels het liefste dichtbij elkaar broeden, zo bleek ook uit zijn onderzoek, trekt dit ook de andere weidevogels aan. Agrarisch weidevogelbeheer kan dus veel effectiever door verhoging van de grondwaterstand en meer heterogene percelen te creëren.



Zie ook: rapport

lees meer
25 OKTOBER 2007

KANSEN VOOR HERSTEL KABELJAUW NOORDZEE

Internationale visserijbiologen zien mogelijkheden voor herstel van het kabeljauwbestand in de Noordzee. Dankzij een redelijke hoeveelheid jonge kabeljauw geboren in 2005 en dankzij een afname van de visserij zou de stand van volwassen vis in 2009 boven de voorzorgsgrens uit kunnen komen. Dit blijkt uit de adviezen van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES)
Dit voorjaar adviseerde ICES nog dat het volledig stopzetten van de vangst de beste mogelijkheden biedt voor enig herstel van het bestand. Afgelopen week stelde ICES echter dat een kleine vangst van 22.000 ton in 2008 toelaatbaar is.
De kabeljauw bevindt zich al een aantal jaren in de problemen. Ondank de lage vangsthoeveelheden die de laatste jaren zijn toegestaan, ligt op dit moment het volwassen bestand nog onder de 70.000 ton, de grenswaarde waaronder de aanwas in gevaar is. Herstel bleef tot nu toe uit door de geringe jaarlijkse aanwas van jonge kabeljauw. Recent is echter gebleken dat in 2005 voldoende kleine kabeljauwen zijn geboren om de stand van volwassen kabeljauw - vier jaar en ouder - in 2009 te laten toenemen. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat strikte vangstbeperkingen in 2008 van kracht blijven.

Behalve advies voor kabeljauw hebben de visserijbiologen vorige week ook vangstadviezen voor andere vissoorten gepresenteerd, waaronder tong en schol in de Noordzee en op de visserij van blauwe wijting, makreel en horsmakreel buiten de Noordzee. De adviezen zijn beschikbaar op de website van ICES: www.ices.dk

De ICES-adviezen worden door de lidstaten van de EU met de visserijsector en met maatschappelijke organisaties besproken. Begin november raadpleegt de Europese Commissie het bedrijfsleven en de maatschappelijke organisaties en maakt zij een voorstel voor het visserijbeheer in 2008. Ook zullen met Noorwegen voor de gezamenlijk beheerde bestanden zoals kabeljauw, schol en haring toegestane vangsthoeveelheden moeten worden vastgesteld. De eerste gesprekken hierover vinden begin november plaats. In december 2007 beslist de Europese raad van visserijministers over de vangstquota voor volgend jaar.

Informatie: www.minlnv.nl, www.wageningenimares.wur.nl

lees meer
24 OKTOBER 2007

LNV START ADVIESORGAAN TEGEN EXOTEN

Minister Gerda Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit richt een adviesorgaan op tegen invasieve exoten in Nederland. Dat heeft zij op 12 oktober bekendgemaakt. Het Coördinerend Orgaan Invasieve Exoten (COIE) zal adviseren over de aanpak van exoten.
Door het toenemende globale transport verspreiden steeds meer planten, dieren en micro-organismen zich over de wereld. Een deel daarvan weet zich explosief te vermenigvuldigen en vormt een plaag met soms ernstige bedreigingen voor inheemse soorten, de volksgezondheid of de economie.
Het adviesorgaan COIE moet vanaf begin 2009 volledig draaien. In het orgaan komen onafhankelijke deskundigen en bestuurders uit kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en terreinbeheerders en wordt ondergebracht bij de Plantenziektekundige Dienst.
Het orgaan gaat alleen over uitheemse soorten die Nederland niet op eigen kracht kunnen bereiken en die zich explosief voortplanten. Dieren, planten en micro-organismen die Nederland zelfstandig binnenkomen, bijvoorbeeld door klimaatverandering, vallen niet onder het aandachtsgebied.

Van deze soorten is namelijk minder schade te verwachten dan van soorten die door direct menselijk handelen in Nederland geïntroduceerd worden. Bovendien is het praktisch onuitvoerbaar om deze organismen tegen te houden.
De Partijen van het Biodiversiteitsverdrag (CBD) - waaronder Nederland - hebben vastgesteld dat invasieve exoten, na habitatverlies en overexploitatie, wereldwijd de grootste bedreiging voor biodiversiteit vormen. Ook in Nederland kunnen invasieve exoten een reële bedreiging vormen voor de biodiversiteit.

Informatie: www.minlnv.nl

lees meer
23 OKTOBER 2007

NATUURGEBIEDEN MISSEN BIJZONDERE SOORTEN

De huidige beschermde natuurgebieden missen veel unieke soorten libellen, sprinkhanen, zweefvliegen en mossen. Deze komen namelijk vaak op hele andere plekken voor dan locaties waar de biodiversiteit van vogels en planten hoog is. Dit schrijft promovenda Marieke Schouten van de leerstoelgroep Geowetenschappen van Universiteit Utrecht in haar proefschrift.
Marieke Schouten onderzocht het voorkomen van 974 minder voor de handliggende soorten zweefvliegen, libellen, sprinkhanen, krekels, reptielen, amfibieën en mossen. Zij vond dat een groot aantal unieke soorten zich in andere gebieden bevindt dan de bestaande beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden zijn vaak aangewezen omdat ze een hoge biodiversiteit bevatten, maar plekken waar een hoog aantal soorten planten en dieren voorkomen, bevatten niet per definitie de meest bijzondere of zeldzame soorten planten en dieren, concludeert Schouten.
Zo krijgen de laagveengebieden van Noord-Holland en Friesland bijvoorbeeld onvoldoende aandacht, volgens haar. Door de rijkdom en het grote aantal unieke soorten libellen, zweefvliegen, en mossen zou dit gebied bijzondere bescherming horen te krijgen, maar de plannen voor de EHS hebben nauwelijks oog voor dit gebied, stelt zij.
Volgens internationale verdragen is Nederland verplicht een representatieve selectie van de biodiversiteit te behouden. Veel maatregelen stellen daarbij planten en vogels centraal. Vergeten worden volgens Schouten de libellen, mossen, zweefvliegen en de andere soorten buiten de standaard vogels en planten die toch ook onder de Europese Habitatrichtlijn vallen.

Informatie: applicaties.csc.uu.nl/uupona/bekijkpromotie.cfm?npromotieid=1862
Bron: Universiteit Utrecht

Zie ook: rapport

lees meer
22 OKTOBER 2007

GEEN EXTRA GELD VOOR WEIDEVOGELS

Een meerderheid in de Tweede Kamer is voor een grotere investering in de opvang van vogels. Toch wordt het budget voor weidevogelbeheer niet verhoogd. De minister van LNV, Gerda Verburg, vindt dit onnodig.
Dat liet zij weten tijdens een debat in de Kamer over de natuurbegroting, op maandag 15 oktober. Meerdere partijen dienden amendementen en moties in waarin zij voorstelden meer geld te reserveren voor weidevogelbeheer. CDA, PvdA en VVD willen zes miljoen euro uittrekken, omdat het slecht gaat met de vogelstand. Een beter, en dus duurder, beheer is nodig volgens de partijen.
Verburg denkt hier anders over, bleek tijdens het debat. Zij beaamt dat de resultaten van het weidevogelbeheer achterblijven, maar extra geld naar weidevogelbeheer zou ten koste gaan van andere beleidsdoelstellingen. Beter is het om te kijken naar hoe het bestaande budget van 25 miljoen euro effectiever ingezet kan worden, stelt zij.

Informatie: www.agd.nl/Algemeen/Artikel/Niet-meer-geld-voor-weidevogels.htm
Bron: AGD

lees meer
19 OKTOBER 2007

LNV-SITE BRENGT REGELS NATUUR SAMEN

LNV heeft alle beschermde natuurgebieden in Nederland samengebracht op een website. Alterra maakte daarvoor een databestand met ecologische en andere informatie over de gebieden. Leuk voor burgers die iets willen weten over de status van de natuur in hun woonomgeving, maar vooral handig voor provincies die moeten omgaan met de richtlijnen van zes verschillende beschermingsstatussen.
De vorige week gelanceerde webpagina geeft een lijst van alle beschermde natuurgebieden in Nederland. Naast Natura2000-gebieden zijn dit de Ecologische Hoofdstructuur, Nationale Parken, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten en Nationale Landschappen. Via Google Maps kan de gebruiker het natuurgebied zien liggen en doorklikken voor meer informatie. ‘In één oogopslag is duidelijk welke gebieden waarom beschermd zijn’, aldus projectleider Mirjam Broekmeyer van Alterra.
Op dit moment worden de Natura 200-gebeiden aagewezen. Dat betekent dat veel provincies op zoek zijn naar informatie. Want zodra een internationaal waardevol stuk natuur tot Natura 2000-gebied is benoemd, moeten provincies binnen drie jaar met een plan komen waarin het beheer van de ecologische waarden staat beschreven. Ze zijn bovendien verantwoordelijk voor de afgifte van vergunningen voor bouwprojecten, evenementen en andere activiteiten die geen blijvende schade toebrengen aan de beschermde natuurgebieden. Om dat te kunnen doen moeten ze onder andere weten van wie het gebied is, wat de natuurdoelstellingen zijn en welke eisen de beschermde soorten aan hun leefgebieden stellen. ‘Al deze informatie hebben wij nu per gebied samengebracht op de website’, vertelt Broekmeyer. Want hoewel de meeste lokale overheden steeds beter de weg weten in het woud van de verschillende beschermingsstatussen, misten ze nog een duidelijk overzicht van ecologische informatie, en van wat wel en niet mag in het gebied en de omgeving.

Informatie: www.synbiosys.alterra.nl/natura2000

lees meer
18 OKTOBER 2007

MEER GELD VOOR DE LEEFGEBIEDBENADERING

Minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit maakt vijf miljoen euro extra vrij voor de verdere uitvoering en implementatie van het nieuwe soortenbeleid. Dit schrijft de minister in een brief aan de Tweede Kamer. Verburg wil de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het actieve soortenbeleid bij de provincie leggen, maar het is de bedoeling dat vele natuurbeschermers actief betrokken raken.
De kern van de leefgebiedenbenadering is de overstap van de bescherming van individuele soorten van planten en dieren naar leefgebieden met groepen van soorten. Met dit nieuwe soortenbeleid wil de minister een impuls geven aan het behoud van biodiversiteit.

De bedoeling is dat de leefsituatie van bedreigde soorten verder verbetert door een verbreding van de maatschappelijke betrokkenheid bij de uitvoering van het soortenbeleid. Naast het Rijk en provincies worden natuurbeschermers en – beheerders, gemeentes, waterschappen, particuliere initiatiefnemers en het bedrijfsleven actief betrokken bij de bescherming van soorten.

Door de soortenaanpak te verbreden naar meerdere partijen, ontstaan via het principe van meekoppelen met andere projecten en ingrepen, extra kansen, alus LNV. Ook zal de totale hoeveelheid middelen groter zijn dan de financiering die het Rijk beschikbaar stelt voor de uitvoering van het nieuwe soortenbeleid.

Bij het opstellen en beoordelen van plannen wordt vroegtijdig rekening gehouden met soorten. Het aanvragen van ontheffing van artikel 75 van de Flora- en faunawet is dan niet langer het sluitstuk van de planfase, meldt het ministerie. 'Bij de beoordeling van ontheffingsaanvragen voor ruimtelijke ingrepen kan rekening worden gehouden met al gepleegde inspanningen en afspraken die zijn gemaakt in het kader van de uitvoering van de leefgebiedenbenadering. Daarmee wordt het resultaat van de aanvraag beter voorspelbaar. Dat biedt extra kansen voor soorten én ruimtelijke ingrepen.'

Informatie: www.minlnv.nl
Bron: LNV

Zie ook: rapport

lees meer
17 OKTOBER 2007

SOORTENRIJKDOM LANGS SNELWEG GROEIT

De soortenrijkdom van bermen langs snelwegen is sinds 2000 toegenomen, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het gaat voor een groot deel om de toename van algemene soorten, maar ook de zeldzame soorten nemen toe. De soortenrijkdom van provinciale en gemeentelijke bermen is min of meer gelijk gebleven.
Gemiddeld komen er 490 soorten planten voor in de bermen. Dat is bijna een derde van de gehele Nederlandse flora. Het zijn vooral de algemenere soorten die weinig eisen aan hun groeiplaats stellen, zoals de margriet, smalle weegbree, rood zwenkgras, gestreepte witbol, kropaar, glanshaver en duizendblad, die langs de wegen groeien.
De bermen langs snelwegen worden slechts één of twee keer per jaar gemaaid, en op zijn vroegst half juni als veel zaden rijp zijn. Voor die tijd maaide Rijkswaterstaat vijf of zes keer per jaar.
Bovendien laten beheerders het maaisel niet meer liggen. Ze halen het nu weg zodat de grond geleidelijk voedselarmer wordt. Dankzij dit verschralend beheer zijn de bermen veel bloemrijker geworden.

Informatie: www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/natuur-milieu/publicaties/artikelen/archief/2007/2007-90082-wk.htm
Bron: CBS

lees meer
17 OKTOBER 2007

STAATSBOSBEHEER: DRUKJACHT NIET NODIG

Terwijl de Tweede Kamer debatteert over de vraag of drukjacht van wilde zwijnen op de Veluwe moet worden toegestaan, geven Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer aan dat deze jachtmethode in hun gebieden helemaal niet nodig is. In tegenstelling tot de faunabeheerders op de Veluwe weten zij namelijk wél hun populatie op peil te houden, door al vóór het grote aanbod van voedsel de stand op peil te hebben. Dat stellen zij in een brief aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 15 oktober.
Ter ondersteuning van de maatschappelijke discussie die momenteel woedt hebben Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten een brief geschreven aan minister Gerda Verburg van LNV. Hierin betuigen zij hun steun voor een praktijkproef van de één-op-één-drukjacht op de Veluwe. ‘De ervaringen met deze jachtvorm is beperkt. Door middel van het uitvoeren van praktijkproeven met drukjacht in terreinen van derden zou inzicht kunnen worden verkregen in de effectiviteit, effect op dierenwelzijn en natuur.’
Wel geven ze nadrukkelijk aan dat ze niet de wens te hebben om de drukjacht op hun eigen terreinen toe te passen. Geen van beide organisaties kampt op haar terreinen namelijk met een overschot aan wilde zwijnen. Dit in tegenstelling tot de beheerders van Veluwe. Daar lopen op dit moment naar schatting zesduizend wilde zwijnen, terwijl er ruimte is voor achthonderd. Door het grote aanbod van voedsel slagen jagers er niet in om voldoende dieren af te schieten. De zwijnen komen niet meer op lokvoedsel af.
De Veluwe heeft daarom toestemming gevraagd voor de uitvoering van de drukjacht waarbij één persoon de zwijnen naar de jager toe drijft. Deze jachtmethode is omstreden, omdat het stress bij de dieren met zich mee zou brengen, terwijl de kans op een dodelijk schot kleiner is.
Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten steunen het verzoek wel, maar zijn niet van plan om de drukjacht op hun eigen terreinen toe te passen. Zij weten hun populatie onder controle te houden, door nog voordat de eikels en beukennootjes beschikbaar komen al het grootste deel van de afgesproken hoeveelheid dieren te hebben afgeschoten. ‘Ook dit jaar is op deze wijze driekwart van het geplande afschot tijdig gerealiseerd’, stellen ze.
Door vóór het grote aanbod van voedsel de populatie flink terug te brengen, voorkomen de beheerders dat de voorjaarstand al hoog is. ‘Voor de toekomst pleiten wij er dan ook voor dat op de gehele Veluwe een afschotbeleid wordt gevoerd waarbij voor de mastval het overgrote deel van het geplande afschot gerealiseerd is.’

Informatie: www.minlnv.nl/portal/page?_pageid=116,1640330&_dad=portal&_schema=PORTAL&p_file_id=22125

lees meer
16 OKTOBER 2007

EFFECT WEIDEVOGELBESCHERMING OP BEDRIJFSVOERING ZELF TE BEREKENEN

Wageningen UR heeft een vernieuwde Beheerwijzer uitgebracht, die de gevolgen voor de bedrijfsvoering van het toepassen van weidevogelpakketten berekent. De beheerwijzer is gratis te gebruiken via internet. De berekeningen worden ondersteund door praktijkervaring op Praktijkcentrum Nij Bosma Zathe van de Animal Sciences Group, het onderdeel van Wageningen UR dat de beheerwijzer ontwikkelde.
Op Praktijkcentrum Nij Bosma Zathe worden verschillende weidevogelpakketten toegepast. Daar bleek de afgelopen jaren dat rekening houden met weidevogels goed mogelijk is op moderne melkveebedrijven. In de laatste vier jaar is het aantal weidevogels op het praktijkcentrum met dertig procent gegroeid.
Het vernieuwde programma Beheerwijzer berekent de voedertechnische en economische gevolgen van het toepassen van een of meerdere weidevogelpakketten op het bedrijf. Bijvoorbeeld een uitgestelde maaidatum, plas-dras en vluchtheuvels.
Gebruikers van Beheerwijzer krijgen door het programma snel inzicht in de bedrijfsgevolgen van het aangaan van één of meerdere pakketten op een deel van het grasland, stelt de Animal Sciences Group. Naast de vergoeding voor het pakket, worden ook de (negatieve) gevolgen voor de productie en de voeding berekend. De cijfers worden vergeleken met een basissituatie zonder beheerspakketten.
Bij de berekening wordt bepaald hoeveel voer en van welke kwaliteit van het grasland met een beheerspakket zal komen, en of dit voer (voedertechnisch) is in te passen in het bedrijf. Eventuele VEM-tekorten worden aangevuld met extra krachtvoer. Lagere kosten voor kunstmest voor beheersland worden ook meegewogen in de berekeningen.
De Beheerwijzer is gratis te gebruiken vanaf de website www.asg.wur.nl.
Beheerwijzer is ontworpen door Animal Sciences Group van Wageningen UR in opdracht van LTO. Het project is gefinancierd door het Productschap Zuivel en het Interreg IIIb programma van de Europese Unie.

Informatie: www.asg.wur.nl/NL/nieuwsagenda/nieuws/Vernieuwde_Beheerwijzer_berekent_effect_weidevogelpakketten.htm

lees meer
15 OKTOBER 2007

COMPLEXE ECOSYSTEMEN WéL STABIEL

Door een goed georganiseerd voedselweb is een ver ontwikkeld ecosysteem net zo goed bestand tegen verstoringen als een ecosysteem dat zich net ontwikkelt. Met deze conclusie, gepubliceerd in Nature van vorige week, maakt een internationaal onderzoeksteam een einde aan de discussie over de vermeende instabiliteit van complexe ecosystemen.
Onderzoekers van onder meer Alterra en de Nature Conservation and Plant Ecology Group van Wageningen Universiteit vergeleken de opbouw van organisch materiaal, schimmels, insecten en andere organismen in bodems van verschillende successiestadia, variërend van kaal zand van nog geen jaar oud tot bodems van meer dan vijftig jaar oud die bedekt zijn met bomen en struiken. ‘Het heeft helemaal geen effect op de stabiliteit van een ecosysteem als een voedselweb meer groepen organismen heeft en de voedselketens langer zijn’, concludeert onderzoeksleider prof. Peter de Ruiter, hoofd van het Centrum Bodem van de Environmental Sciences Group.
Tot de jaren zeventig gingen onderzoekers er vanuit dat hoe verder een ecosysteem zich had ontwikkeld, hoe beter het bestand zou zijn tegen verstoringen zoals natuurrampen en klimaatveranderingen. Theoretische modellen die volgden lieten echter iets heel anders zien. Volgens wiskundigen zou zo’n ecosysteem juist veel labieler zijn, omdat meer soorten met elkaar in verband staan. De kans op een willekeurige onverwachte gebeurtenis met desastreuze gevolgen zou hierdoor toenemen.
Het internationale onderzoeksteam is nu echter op basis van gemeten gegevens tot de conclusie gekomen dat niet de ingewikkelde samenstelling van een ver ontwikkeld ecosysteem van invloed is op de weerstand, maar de sterkte van de interacties tussen soorten die als voedsel dienen voor andere soorten. ‘Als een ecosysteem zich ontwikkelt neemt de hoeveelheid biomassa toe. Dit kan systemen destabiliseren. Omdat tijdens de successie zich echter tijdig predatoren aandienen, blijft de stabiliteit van het ecosysteem gehandhaafd’, zegt De Ruiter.
Tenzij de keten zwak is. De onderzoekers hebben waarden weten toe te kennen aan het effect dat voedselsoorten en eters op elkaar hebben. Als rovers en prooien sterk van elkaar afhankelijk zijn, is de kracht die ze op elkaar uitoefenen na een verstoring groter dan wanneer ze relatief weinig met elkaar te maken hebben. Sterk afhankelijke relaties vormen de zwakke plekken in een voedselweb, ontdekten de onderzoekers. Deze kunnen evengoed voorkomen in de meest simpele als de meest complexe ecosystemen. ‘Het zijn deze zwakke plekken die bepalen of een ecosysteem stabiel is of niet’, concludeert De Ruiter.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
12 OKTOBER 2007

SERVICEPUNT NIEUWE NATUUR GEOPEND

Op 4 oktober is het Servicepunt Nieuwe Natuur geopend, een informatieloket voor boeren, landgoedeigenaren en andere particuliere grondbezitters die op hun land natuur willen ontwikkelen. Het loket is opgericht door Stichting Meer Bos, het Nationaal Groenfonds, de organisatie voor particulier en agrarisch natuurbeheer SBNL en hogeschool Van Hall Larenstein.
‘Je kunt het vergelijken met een rechtswinkel waar mensen voor nop advies krijgen en indien nodig worden doorverwezen. Dat principe van eerstelijns opvang hebben we losgelaten op vragen over nieuwe natuur. Het Servicepunt is bedoeld voor particuliere grondeigenaren die grond willen omvormen naar natuur en niet weten hoe dat in zijn werk gaat’, legt Dick Timmerman uit. De docent Bos- en natuurbeheer van Van Hall Larenstein zit in de projectgroep van het nieuwe servicepunt, dat is gevestigd in het Gelderse dorp De Klomp.
Het besluit om grond om te vormen in natuur is complex. Zowel ecologisch, financieel, bedrijfsmatig als emotioneel zijn er veel aandachtspunten. Via het nieuwe servicepunt helpen deskundige adviseurs de grondeigenaar op weg.
Uit overleggen tussen de initiatiefnemers bleek dat een informatiepunt voor particuliere grondeigenaren een gemis in de markt was. In een recent rapport concludeerde ook het Milieu en Natuur Planbureau dat meer voorlichting en ondersteuning nodig is om de deelname aan particulier natuurbeheer te vergroten. Het Servicepunt speelt in op deze behoefte. Het ministerie van LNV, ondersteunt het initiatief financieel.
‘Een van de doelstellingen is om meer hectares om te vormen dan nu het geval is’, vertelt Timmerman. VHL-studenten zullen tijdens stages bij het Servicepunt eenvoudige vragen beantwoorden, in samenwerking met een professionele adviseur. Oplossingen voor overzichtelijke inhoudelijke vraagstukken en bijvoorbeeld haalbaarheidsonderzoeken kunnen studenten in projectgroepen aandragen.

Informatie: www.sbnl.nl/html/nieuws.html
Zie ook: Resource Online

lees meer
9 OKTOBER 2007

BEWEGEN IN DE NATUUR VERSLAAT SPORTSCHOOL

Bewegen in de natuur blijkt een succesvol middel te zijn in de strijd tegen obesitas. Uit Engels onderzoek blijkt dat mensen het bewegen in een groene omgeving hoger waarderen dan bewegen in sportscholen, en het daardoor langer volhouden. Staatsbosbeheer wil daarom meewerken aan het Engelse concept van ‘op doktersvoorschrift bewegen in de natuur’.
In Engeland is al een aantal jaren ervaring opgedaan met het op doktersvoorschrift bewegen in de natuur. Daar worden mensen op grote schaal in beweging gebracht door het Walking your way to Health Initiative (WHI). Via het WHI zijn 350 wandelroutes uitgezet, met bijbehorende folders en georganiseerde wandelingen, die door 20.000 vrijwilligers verzorgd worden en al een miljoen mensen hebben laten lopen. Ook heeft Natural England, het Engelse Staatsbosbeheer, een pilot afgerond met enige tientallen deelnemers gedurende 13 weken.
Staatsbosbeheer zou graag het Engelse systeem van ‘groen bewegen op recept’ in Nederland mee willen realiseren. De 240.000 hectare natuur van Staatsbosbeheer zijn daarvoor beschikbaar, zegt de organisatie.
In de Kabinetsvisie op gezondheid en preventie, die in september is uitgebracht, staat een pilot gepland voor bewegen op recept. Staatsbosbeheer wil daar met een ‘groene’ variant aan bijdragen. ‘Wij onderzoeken aan welke eisen dit moet voldoen en zoeken de samenwerking op met eerstelijns gezondheidszorg en zorgverzekeraars’, zegt Staatsbosbeheer.
Het advies ‘Natuur en Gezondheid’ dat de Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO) op 8 oktober aan de ministers Verburg van LNV en Klink van VWS aanbood, roept de betrokken ministers op om natuur in te zetten voor gezondheid. Gevraagd wordt om dit te ondersteunen door het opzetten van praktijkinitiatieven en die te begeleiden met onderzoek en monitoring. Het doel is te komen tot een lerend netwerk van onderzoekers en praktijkdeskundigen en zo bij te dragen aan gezondheidswinst voor de Nederlandse bevolking. ‘Het ‘groen bewegen op recept’ dat Staatsbosbeheer voorstelt is een voorbeeld van een praktijkinitiatief waar de RMNO in haar advies voor pleit’ stelt de organisatie.
Uit onderzoek dat voor Staatsbosbeheer door het Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (NIVEL)is gedaan, blijkt dat Nederlandse huisartsen zelden ‘groen’ doorverwijzen.

Informatie: www.staatsbosbeheer.nl
Bron: Persbericht Staatsbosbeheer

lees meer
5 OKTOBER 2007

DRUKJACHT ZWIJNEN ONONTKOOMBAAR?

Na een paar jaar met veel eikels en beukennootjes barst het op de Hoge Veluwe van de wilde zwijnen. Omdat het afschieten de laatste weken niet snel genoeg gaat, staat de provincie Gelderland een omstreden jachtmethode toe: de drukjacht. Niet nodig, zei Alterra-ecoloog Geert Groot Bruinderink in de Volkskrant. Als je de natuur haar gang laat gaan bereikt de zwijnenpopulatie vanzelf een evenwicht. Resource, het weekblad van Wageningen UR, vroeg een aantal deskundigen: Schieten of laten lopen?
Gert Jan Spek, coördinator grofwild van de Faunabeheereenheid Gelderland:
‘Tegen dat standpunt van Bruinderink is niet zo veel in te brengen, als je alle consequenties maar aanvaardt. Je hoeft niks te doen, maar dan moet je wel accepteren dat er jaren zijn dat er heel veel varkens doodgaan van de honger. De vraag is of je die sterfte ethisch verantwoord vindt. Als je vindt dat de natuur haar gang moet gaan, zou ik denken dat je ook de hekken rond de Veluwe moet weghalen. Nu staan we de varkens alleen toe om op de droge Veluwe te lopen en in natuurgebied de Meinweg in Limburg. Als ik een varken was zou ik liever naar de rijkere gronden trekken langs de rivieren. Maar ik verwacht dat er niet veel draagvlak is voor zo’n plan, als mensen merken hoeveel schade de dieren doen aan landbouw en in tuintjes.'

Huib Baayen, adjunct-opleidingsdirecteur Bos- en natuurbeheer bij Van Hall Larenstein en voormalig docent Faunabeheer:
‘Er zijn twee opvattingen: ‘laat de natuur zijn gang maar gaan’ en ‘de jacht is nodig’. Ik zit er een beetje tussenin. Een experiment op een klein terrein waarop niet gejaagd wordt, lijkt me zinnig. Maar voorlopig vind ik de drukjacht een redelijke optie. Als je nu zou stoppen met de jacht, terwijl er zoveel zwijnen zijn, verwacht ik veel narigheid voor de zwijnen, en ook voor boeren en omwonenden, omdat de zwijnen zullen proberen uit te breken als ze honger krijgen. Bovendien willen mensen denk ik niet geconfronteerd worden met veel dode zwijnen in het bos.. We houden de zwijnen kunstmatig opgesloten op de arme gronden van Nederland. Dat is geen natuurlijke situatie. Dan moeten we nu niet ineens natuurlijk gaan doen. In Engeland lossen ze het anders op. Daar zijn niet de natuurgebieden omrasterd, maar de tuinen. Dat zou misschien ook een oplossing kunnen zijn. In Duitsland wordt de populatie klein gehouden door de jacht. Daar staat om de paar honderd meter een hoogzit. Ik denk niet dat dat in Nederland zou aanslaan.’

Fred de Boer van de leerstoelgroep Resource Ecology van Wageningen UR, onderzoekt olifanten in zuidelijk Afrika:
'Ecologen spreken liever niet meer van ecologisch draagvermogen. Dat is een verouderd concept dat uitgaat van een statische natuur die je in de werkelijkheid niet vindt. In het Krugerpark gingen de beheerders er lang van uit dat de draagkracht maximaal achtduizend dieren was. Met behulp van de jacht hielden ze de populatie op dat niveau. Sinds een paar jaar doen ze dat niet meer en is de populatie gegroeid tot twaalfduizend. Dat heeft effect op de vegetatie, maar niet zodanig dat er sterfte is door voedselgebrek. De modellen voorspellen dat er minder jongen komen als er minder voedsel beschikbaar is, maar daarvoor is nog geen enkel ecologisch bewijs. Je ziet wel dat grote bomen te lijden hebben onder de dieren.
Ik denk dat je het natuurlijke proces zijn gang moet laten gaan. Vroeger, zonder menselijk beheer, konden de soorten ook naast elkaar bestaan. Ik denk dat je dan fluctuaties krijgt op een langere tijdschaal. Nu zijn er veel olifanten, over honderd jaar zijn er weer meer bomen.'

Paul Koene, etholoog bij de Animal Sciences Group:
‘Het is maar wat je wilt: echte natuur of een soort extensieve vorm van landbouw. Ik ben geen expert op het gebied van wildbeheer, maar toch denk ik dat het al dan niet hebben van hekken niet altijd een overtuigend argument is. Zelfs als er ergens geen hek omheen staat, blijven sommige populaties opvallend honkvast. Ze hebben vaak geen echt alternatief, want een natuurlijke situatie bestaat in Nederland simpelweg niet meer. Desondanks houd ik het liefst vast aan ecologische principes. En dan is jagen en bijvoeren uit den boze.
In halfslachtige situaties, waarbij je wel gaat bijvoeren en jagen, wordt het al gauw lastig om nog een goede ethische discussie te voeren. Met die ingrepen verander je namelijk het gedrag van de dieren ingrijpend. Dan krijgen we op de Veluwe uiteindelijk veel schuwere zwijnen. Niet jagen maakt het gedrag van de zwijnen dus natuurlijker en zal waarschijnlijk ook de natuurbeleving van mensen verhogen.
Ook verstoort de jacht de sociale verbanden in een populatie. Wat dat betreft zou je liever hele families willen weghalen, zoals ze bij olifanten wel doen.’

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
4 OKTOBER 2007

KABINET HOUDT VAST AAN GROEN ROND STEDEN

Het kabinet loopt achter op schema met het realiseren van meer en beter toegankelijke groene gebieden rondom de steden. Toch zal ze alles op alles zetten om uiterlijk in 2013 zo'n 16.000 hectare groen rond de steden te realiseren. Dat schrijft minister Verburg van LNV in de kabinetsreactie op de Natuurbalans 2007 van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP).
Het MNP constateert in de Natuurbalans 2007 een tekort aan recreatief groen. De realisatie van volledig ingerichte recreatiegebieden in 2013 acht de organisatie onzeker. Er worden tevens financiële knelpunten aangegeven bij de realisatie van routenetwerken voor fietsen en wandelen. Bovendien worden door het MNP bezuinigingen voorzien op de centra voor Natuur- en Milieueducatie, terwijl natuur- en milieueducatie op basisscholen aantoonbaar effect heeft.
Minister Verburg voert op dit moment een tussenevaluatie uit of de doelen van het programma ‘Recreatie om de Stad’ in de komende jaren haalbaar zijn. Tegelijk wil zij in beeld brengen wat de oorzaken van het trage tempo tot nu toe zijn.
LNV heeft ook gekeken naar de knelpunten voor wandelen en fietsen in de Landelijke Routenetwerken. Doorrekening van de kosten van het volledig oplossen van alle knelpunten voor 2013, leidt tot de conclusie dat deze ambitie niet kan worden gehaald. Verburg beraadt zich nog op eventuele aanpassingen.
Binnenkort zullen de plannen van het kabinet op het gebied van natuur- en milieueducatie naar de Tweede Kamer sturen. Het kabinet wil dat alle leerlingen die vanaf schooljaar 2007-2008 instromen in het voortgezet onderwijs een maatschappelijke stage gaan volgen. Dit biedt de gelegenheid om jongeren uit stedelijke gebieden te betrekken bij natuur, dieren en voedselproductie. Het ministerie van LNV gaat zich daarom actief inzetten voor de ontwikkeling van maatschappelijke stages. De minister is van plan om de komende jaren te zorgen voor 10.000 stageplaatsen in het groen. LNV stimuleert daartoe verschillende stageaanbieders om deze stageplaatsen beschikbaar te stellen.

Informatie: www.minlnv.nl
Bron: Ministerie van LNV

lees meer
2 OKTOBER 2007

ZEEHONDEN IN HET IJSSELMEER

Tijdens verschillende inspectievluchten van Rijkswaterstaat zijn twee volwassen zeehonden in het IJsselmeer gesignaleerd. De dieren zijn gezien op een zandplaat onder de Friese kust op zo'n 45 km zwemmen vanaf de sluizen in de Afsluitdijk. De waarneming is bijzonder omdat op deze locatie zeehonden niet zo vaak gezien worden.
De dieren hebben op eigen kracht de route gevonden: ze zijn door de afsluitdijk gekomen via de schut- of spuisluis. Waarschijnlijk rond het keren van het tij wanneer de stroming gering is en de waterstand in de westelijke waddenzee hoog is. De dieren duiken op waar dat letterlijk de beste plek voor ze is: op de kale platen van de Steile Bank, een van de meest dynamische stukken van de IJsselmeerkust.
In de Zuiderzeetijd lagen zeehonden met enkele tientallen op "de Staart" bij Urk. Na de afsluiting verdween de soort en komt deze nog sporadisch voor in het gebied. Zo eens in de 5 á 10 jaar duikt er een eenzame zeehond op. Het signaleren van twee of drie zeehonden is bijzonder.
Normaliter leven zeehonden in zout water maar de dieren kunnen kennelijk prima overweg met het zoete water, zeker als er voldoende vis is.

Informatie: www.rijkswaterstaat.nl
Bron: Persbericht Rijkswaterstaat

lees meer
1 OKTOBER 2007

BOERENWANDELPAD LEVERT WINST OP

Een wandelpad aanleggen over boerenland kost geld, maar het levert ook geld op. Huizen worden meer waard, en gezonde wandelaars hebben minder medische hulp nodig. Het LEI ontwikkelde een methode om de maatschappelijke kosten en baten in beeld te brengen én beter te verdelen.
Een boer die een wandelpad aanlegt over zijn land maakt kosten voor aanleg en onderhoud, en mist inkomsten uit landbouwopbrengsten die hij anders op dat land zou hebben. De middenstand verdient aan wandelaars die na afloop een kop koffie drinken of in de streek overnachten, en huizenbezitters profiteren omdat huizen met een wandelpad in de buurt meer waard zijn. Winst zit er ook in minder reiskosten voor wandelaars, als ze dichter bij huis kunnen wandelen.
De grootste bijdrage aan de maatschappelijke baten van wandelpaden levert het gezondheidseffect: wandelen geeft minder kans op hart- en vaatziekten en minder kans op kanker, gaat stress en overgewicht tegen, en helpt bij een burn-out. Dit geeft minder uitgaven aan medische verzorging en uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid. Op basis van buitenlands onderzoek schat het LEI de gezondheidswinst van wandelen op twee tot vier euro per wandeling.
Het LEI berekende voor twee gevallen de kosten en baten van wandelpaden over boerenland. In de Hoekse Waard kwamen de baten niet boven de kosten uit, in het Land van Wijken en Wouden, ook in Zuid Holland, zou de maatschappelijke balans van wandelpaden wel positief uitvallen.
Probleem is alleen dat de kosten niet gemaakt worden door degenen die de winst opstrijken. Boeren die wandelpaden aanleggen krijgen daarvoor vaak gemeentelijke subsidie. Terwijl eigenlijk huiseigenaren en middenstand voor de paden zouden moeten betalen, omdat zij er voordeel van hebben. Oplossing is, volgens LEI-onderzoeker drs. Ernst Bos, oprichting van een gebiedsfonds waar degenen die profijt hebben van de paden aan bijdragen, en waar aanleg en beheer van paden uit worden betaald. Ook zorgverzekeraars kunnen bijdragen aan de kosten van wandelpaden, zegt Bos, maar die mogelijkheid is in dit onderzoek nog niet meegenomen.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

Zie ook: rapport

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk