homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

28 SEPTEMBER 2007

GRONDBANK VOOR NATUURCOMPENSATIE

Nederland is vergeleken met veel andere landen vooruitstrevend in haar beleid rondom natuurcompensatie. Maar voor de praktische uitvoering kunnen we nog veel bruikbare ideeën in het buitenland opdoen, blijkt uit een analyse van het LEI. Zo experimenteert Duitsland met een ‘compensatiebank’ die geschikte percelen grond verzamelt.
Als de bouw van woningen of wegen beschermde natuur aantast, gaat het project niet door. Tenzij het van groot ‘openbaar belang’ is, zoals de uitbreiding van een vliegveld. Wel moeten projectontwikkelaars dan de schade compenseren door ergens anders vergelijkbare natuur te ontwikkelen. In de praktijk komt hier echter weinig van terecht door onduidelijke regelgeving, gebrek aan controle, hoge kosten en onvoldoende zicht op geschikte gronden.
Om de uitvoering te verbeteren onderzocht het LEI in opdracht van het ministerie van LNV hoe andere landen omgaan met natuurcompensatie. Een ‘concept met potenties’ dat in het rapport wordt beschreven is de Duitse grondbank voor natuurcompensatie. Deze bank koopt alvast percelen grond aan waarop in de toekomst natuur kan worden ontwikkeld. Via makelaars kunnen projectontwikkelaars zo beter goede locaties vinden waarop ze de schade goed kunnen maken die hun bouwprojecten toebrengen aan beschermde natuur. Een bijkomend voordeel is dat de bank versnippering kan tegengaan door bij de aankoop te letten op aansluiting van gronden.
Engeland blijkt een inspiratiebron te zijn voor het toezicht. Terwijl in Nederland niemand verantwoordelijk is voor de controle op de daadwerkelijke compensatie van natuurschade, heeft Engeland een onafhankelijke overheidsinstantie ingesteld die erop toeziet dat gemeenten en projectleiders hun afspraken nakomen.
Het LEI constateert verder dat Nederland goed op weg is met de formulering van richtlijnen voor de ecologische hoofdstructuur. In veel andere landen zijn de compensatieregels namelijk nauwelijks op papier uitgewerkt. ‘In het kader van de Vogel- en habitatrichtlijn krijgen alle EU-lidstaten vroeg of laat te maken met compensatie. Nederland kan dan wellicht als gidsland dienen’, concluderen de onderzoekers in hun rapport.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

Zie ook: rapport

lees meer
27 SEPTEMBER 2007

VERDROGINGSBESTRIJDING KAN NU ECHT VAN START

De Tweede Kamer is op dinsdag 25 september akkoord gegaan met de plannen om de verdroging met prioriteit aan pakken in de 287 gebieden op de zogenoemde ‘TOP-lijst verdroging’. Het ministerie van LNV heeft hiervoor 450 miljoen euro beschikbaar gesteld.
Vele verdrogingsgevoelige ecosystemen – moerassen, natte heide, hoogvenen, beekdalen en broekbossen – dreigen in Nederland te verdwijnen door een te lage grondwaterstand of een tekort aan kwelwater. Ondanks vele maatregelen blijft de bestrijding van de verdroging ver achter bij de doelstelling van de overheid. Zo stelde de overheid in 1997 dat veertig procent van het verdroogd areaal in Nederland in 2010 hydrologisch hersteld zou moeten zijn. Omdat duidelijk werd dat deze doelen niet gehaald zouden worden stelde het ministerie van LNV in 2005 een Taskforce Verdroging in, die de strijd tegen de verdroging van de Nederlandse natuur een nieuwe impuls moest geven. De Taskforce adviseerde een TOP-lijst op te stellen van gebieden waarin verdroging met prioriteit bestreden moet worden. De lijst is samengesteld op basis van een ‘hotspotskaart verdrogingsbestrijding’ van het Milieu- en Natuurplanbureau en een prioriteitenlijst die de provincies hadden opgesteld voor het Investeringsbudget Landelijk Gebied.
Nu de TOP-lijst door de Kamer met instemming is ontvangen kan voor de afgebakende natuurgebieden - die veertig procent van de verdroogde natuurgebieden in Nederland beslaan - onder regie van de provincies maatregelen worden getroffen om de waterstanden in en om die gebieden te herstellen vóór 2015.


lees meer
26 SEPTEMBER 2007

EU-LANDBOUWBELEID MOET INZETTEN OP VOGELS

Het huidige Europese landbouwbeleid heeft volgens Vogelbescherming Nederland een negatieve invloed op populaties van boerenlandvogels. Om daar iets aan te doen adviseert de organisatie in een notitie aan de Europese Unie om in het toekomstige landbouwbeleid te zorgen voor schoon water, gezonde ecosystemen en het behoud van traditionele landschappen. Ze doet daarvoor zes aanbevelingen.
Vogelbescherming Nederland is vooral bezorgd over de broedvogels op het platteland. Maar liefst 47 van de 72 soorten broedvogels op de Rode Lijst zijn afhankelijk van het agrarische landschap. De organisatie vindt het zorgelijk dat juist deze vogelsoorten de snelste en grootste achteruitgang laten zien. Het aantal broedparen van de grutto in Nederland is bijvoorbeeld afgenomen van 125.000 in de jaren ’60 tot zo’n kleine 30.000 nu. De veldleeuwerik was eens een algemene broedvogel van graslanden en akkers en is in dezelfde periode met zelf negentig procent afgenomen. De veranderingen in het boerenland zijn een gevolg van de intensivering van de productie, die voor een belangrijk deel aangestuurd wordt door het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.
De vogelbeschermers adviseren de EU daarom in de eerste plaats om het toekomstige beleid te richten op duurzame landbouw en plattelandsontwikkeling. Er moet dan ook gezorgd worden voor voldoende budget voor dat beleid. Daarnaast moet de kwaliteit van ontwikkelingsprogramma’s en regelingen voor agrarisch natuurbeheer omhoog. Ook moet de landbouw een positieve rol gaan spelen in het proces van klimaatverandering, en moet onderzoek gedaan worden naar de mogelijk veranderende omstandigheden voor de landbouw, als gevolg van klimaatverandering. Landbouwsystemen met een hoge natuurwaarde moeten beschermd worden. En ten slotte moeten Natura 2000-gebieden in het landelijk gebied goed beheerd worden.
De visie van Vogelbescherming is gebaseerd op de BirdLife-visie op de toekomst van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, die op 3 oktober in Brussel wordt aangeboden aan EU-landbouwcommissaris Fischer Boel.

Bron: Persbericht Vogelbescherming Nederland

Zie ook: rapport

lees meer
25 SEPTEMBER 2007

NATUURGERICHT VEE HOUDEN HEEFT PRIJSKAARTJE

De inkomstenderving van veehouders die deelnemen aan het pilotproject Boeren voor Natuur ligt tussen de 1000 en 1500 euro per hectare. Dat heeft Wageningen Universiteit berekend. De veehouders belasten het milieu minder, maar daardoor dalen ook de inkomsten. Die inkomstenderving kan worden vergoed.
In het project Boeren voor Natuur (BVN) sluiten deelnemende bedrijven een contract af, waarmee ze beloven dertig jaar lang geen ruwvoer, krachtvoer, (kunst)mest en strooisel aan te voeren. Ook gebruiken ze geen bestrijdingsmiddelen, en passen ze de waterhuishouding op het bedrijf aan. Door de ontwikkeling en het beheer van het land zal er een grotere samenhang ontstaan tussen landbouw en de omliggende natuurgebieden, en zal er ook meer ruimte ontstaan voor de biodiversiteit van flora en fauna.
Door het minder intensieve gebruik van de grond neemt de milieubelasting flink af, maar dalen ook de inkomsten. Boeren kunnen binnen dit project een vergoeding krijgen voor hun natuurgericht beheer. Binnen de Europese Unie is echter afgesproken dat overheden niet meer dan de inkomstenderving mogen vergoeden in regelingen naar individuele boeren.
Door middel van economische modellen, en in samenwerking met betrokken veehouders, hebben wetenschappers van de Animal Sciences Group van Wageningen Universiteit een vergelijking gemaakt tussen gangbare bedrijven en BVN-bedrijven. Daaruit blijkt dat de inkomstenderving ligt tussen 1000 en 1500 euro per hectare. De vergoeding voor de natuurgerichte ondernemer wordt betaald uit bijdragen van het ministerie van LNV, de provincies, gemeenten en waterschappen.

Informatie: www.asg.wur.nl/NL


Zie ook: rapport

lees meer
24 SEPTEMBER 2007

NATTE NATUUR TERUG IN KENNEMERDUINEN

Het stopzetten van de drinkwaterwinning in het nationaal park Zuid-Kennemerland heeft een positief effect gehad op de natuur. In driekwart van de duinvalleien groeien weer vochtminnende planten, en de door omwonenden gevreesde grondwateroverlast aan de duinrand is uitgebleven. Dat blijkt uit onderzoek van het waterleidingbedrijf PWN.
Om de gevolgen van het stopzetten van de waterwinning goed te kunnen volgen, is de grondwaterstand in de afgelopen jaren op tientallen plaatsen gemeten. Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat de grondwaterstand in de duinen één tot enkele meters is gestegen. Als gevolg daarvan bloeien parnassia, duizendguldenkruid en orchideeën weer in de Kennemerduinen. In de woonwijken aan de duinrand is het grondwater, mede door de aanleg van drainagesystemen, niet of nauwelijks omhoog gekomen. Uit het onderzoek blijkt zelfs dat deze in een aantal wijken tot enkele decimeters is gedaald.
Na ruim honderd jaar grondwaterwinning werden de pompen op 1 mei 2002 stopgezet. Dat was nodig om de verdroging van dit unieke duinlandschap tegen te gaan, maar ook omdat de waterzuivering bij Overveen niet meer aan de toenmalige eisen voldeed. Het besluit tot stopzetting was destijds omstreden, omdat de vrees bestond voor grondwateroverlast aan de duinrand. Kelders, kruipruimten en tuinen zouden onder water komen te staan, zo verwachtte men destijds.
Vanwege voorziene problemen namen PWN, de provincie en de betrokken gemeenten maatregelen, zoals de aanleg van drainagesystemen, die het overtollige water moesten afvoeren. Ook werden laaggelegen terreinen opgehoogd. Het waterschap zorgde voor het graven van sloten en woningeigenaren konden drie jaar lang een beroep doen op subsidie, waarmee bijvoorbeeld kelders waterdicht konden worden gemaakt. In totaal werd hierbij twaalf miljoen euro geïnvesteerd en maakten ruim driehonderd woningbezitters gebruik van de subsidiemogelijkheid. Deze maatregelen werden overigens niet alleen getroffen vanwege de stopzetting van de grondwaterwinning, maar ook om de toegenomen regenval te kunnen verwerken.

Informatie: www.noord-holland.nl
Bron: Persbericht Provincie Noord Holland

lees meer
21 SEPTEMBER 2007

MINDER KOUDEMINNENDE SOORTEN

Koudeminnende diersoorten gaan de laatste jaren in Nederland sterk in aantal achteruit en warmteminnende soorten nemen juist toe. Dat blijkt uit een analyse van het instituut Alterra en het Centraal Bureau voor de Statistiek. De veranderingen worden toegeschreven aan het warmer worden van het wereldwijde en het Nederlandse klimaat.
De leefomstandigheden in Nederland worden ongunstiger voor koudeminnende soorten, die daardoor in aantal achteruitgaan. Voor warmteminnende soorten worden ze steeds gunstiger, waardoor ze in aantal toenemen. Dit geldt voor soorten uit allerlei soortgroepen.
Deze ontwikkelingen blijken uit de zogenaamde Soortgroep Trend Index. Deze indicator is door Alterra en het CBS ontwikkeld als graadmeter voor het effect van klimaatsverandering op de biodiversiteit.
Als indicatoren zijn dertien koudeminnende soorten gekozen, uit verschillende soortgroepen (vogels, dagvlinders en amfibieën). Al deze soorten zijn naar verwachting gevoelig voor temperatuurstijging. Daarnaast zijn er vijfendertig warmteminnende soorten geselecteerd (vogels, reptielen, amfibieën, dagvlinders en libellen). Deze soorten profiteren naar verwachting van de huidige klimaatsverandering.
De selectie van warmte- en koudeminnende soorten is gebaseerd op de verschuiving van hun verspreiding, en op modellen die hun toekomstige verspreiding voorspellen op basis van het huidige verband tussen klimaat en het voorkomen van deze soorten. Steeds meer zuidelijke soorten vestigen zich in Nederland, terwijl de soorten met een noordelijk areaal mogelijk geheel gaan verdwijnen.
De gegevens over de trends zijn ontleend aan landelijke meetnetten broedvogels (SOVON), reptielen, amfibieën (RAVON), libellen en dagvlinders (Vlinderstichting) van het Netwerk Ecologische Monitoring.

Informatie: www.milieuennatuurcompendium.nl
Bron: Milieu en NatuurCompendium

lees meer
20 SEPTEMBER 2007

TOCH NOG EIKELMUIZEN IN LIMBURG

Eikelmuizen komen nog in twee gebieden in Zuid-Limburg voor. Dat is de verrassende conclusie na een intensief onderzoek naar het uiterst zeldzame slaapmuisje. Drie jaar geleden werd geen spoor meer van het dier gevonden. Deze zomer troffen lokale vrijwilligers en leden van Zoogdiervereniging VZZ een negental dieren in levende lijve aan.
De dieren werden gevonden in het Savelsbos in Margraten en aan de overzijde van de Maas, in het Cannerbos in Maastricht. Drie van de dieren zijn levend gevangen en weer losgelaten. Verder bleken enkele eerder geplaatste nestkasten bewoond.
Drie jaar geleden voerde de VZZ en de stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen in Limburg een uitgebreid onderzoek uit naar het voorkomen van het dier. Dit gebeurde door de plaatsing en periodieke controle van 250 nestkasten in bosranden en het aansluitend agrarisch gebied met landschapselementen als holle wegen, hoogstamboomgaarden en heggen, bosjes en bosranden. Daarnaast werden oproepen geplaatst om waarnemingen door te geven. Er werd toen geen enkel spoor meer van het dier aangetroffen. Aanwijzingen dat er nog resterende plekken zouden zijn waar het dier voorkwam, konden toen niet bevestigd worden met harde resultaten.
Uit het recent uitgevoerde onderzoek blijkt dat er nog steeds eikelmuizen voorkomen, zij het in lage dichtheden. De onderzoekers wijten dat laatste onder meer aan het steeds monotoner worden van het cultuurlandschap.
Deze slaapmuis is uiterst zeldzaam geworden in Nederland en België. Vroeger kwam de soort, die jaarlijks vier tot zes nakomelingen krijgt, in een groot deel van Zuid-Limburg voor. Vanwege zijn voorkeur voor fruit in het najaar stond hij ook wel bekend als ‘fruitdief’. Het dier komt zowel voor in ruige bermen, groeves, stenige hellingen, hagen als in boomgaarden en loofbossen waar het zich voedt met insecten, vruchten, noten en slakken. Ze leven in zelfgebouwde nesten, maar kunnen ook gebruik maken van boomholtes, nestkasten of schuurtjes.

Informatie: www.vzz.nl
Bron: Persbericht Zoogdiervereniging VZZ

lees meer
19 SEPTEMBER 2007

PARTICULIER NATUURBEHEER WERKT NIET

Het agrarisch natuurbeheer zal bij gelijkblijvend beleid zelden de natuurdoelen kunnen halen die terreinbeherende organisaties wel halen. Het overige particuliere natuurbeheer werkt evenmin naar wens, door een gebrek aan animo. Dat concludeert het Milieu- en Natuurplanbureau in een onderzoeksrapport over de recente omslag in het natuurbeleid.
Sinds een aantal jaren wil de rijksoverheid agrariërs en andere particulieren sterker betrekken bij het natuurbeheer. Dit wordt ‘de omslag’ genoemd. Voorwaarden zijn een gelijkblijvende natuurkwaliteit en een gelijkblijvend budget, vergeleken met verwerving van natuurgrond door de overheid.
Om te kijken of dit realistisch is, heeft het Milieu- en Natuurplanbureau het natuurbeheer door terreinbeherende organisaties, door particulieren en door agrariërs onderling vergeleken, met betrekking tot de bereidheid tot deelname, de natuurkwaliteit en de economische effecten.
Particulier natuurbeheer blijkt wel bedrijfseconomisch aantrekkelijk en de deelname kan met gerichte informatie en begeleiding van de overheid worden verbeterd. Het agrarisch natuurbeheer vergt aanvullend beleid met betrekking tot continuïteit en inrichtingsmogelijkheden en daarnaast aanvullende financiële vergoedingen. Omdat agrarisch natuurbeheer nu goedkoper is dan het beheer door terreinbeherende organisaties bestaat hiervoor onderhandelingsruimte.

Bron: Persbericht Milieu- en Natuurplanbureau

Zie ook: rapport

lees meer
18 SEPTEMBER 2007

NEDERLANDER TEVREDEN MET LANDSCHAP

Het merendeel van de Nederlanders is tevreden over het landschap en het stedelijk groen, maar er zijn grote verschillen tussen groepen mensen en gebieden. Het landschap krijgt gemiddeld een 7,3 als rapportcijfer. Het groen in de buurt wordt hoger gewaardeerd. Dat blijkt uit de Belevingswaardenmonitor van het Milieu- en Natuurplanbureau en het Ruimtelijk Planbureau.
Nederlanders waarderen vooral landschappen met een natuurlijk en historisch karakter. Nationale Landschappen worden daarom meer gewaardeerd dan het landschap daarbuiten. Verstedelijking en horizonvervuiling hebben een duidelijk negatieve invloed op de aantrekkelijkheid. De hoogste aantrekkelijkheid van het landschap is gemeten in het noordelijke en oostelijke zandgebied, het heuvelland, kusten en duinen en het noordelijke laagveengebied. De industrie- en havengebieden en de droogmakerijen met hun grote openheid en hoge verstedelijkingsdruk worden het laagst gewaardeerd.
Driekwart van de stedelingen is verder tevreden over het groen in de buurt. Over het groen in de nabijheid van de stad en van de woning is tweederde van de stedelingen tevreden. Mensen die in een groene straat wonen zijn het meest tevreden. Deze waardering hangt vooral samen met de aanwezigheid van voortuinen, kleine groenstroken en bomen in de straat. In binnensteden en Vinex-wijken ontbreken deze elementen vaak, en parken liggen er verder van de woning. Bewoners zijn in die gebieden dan ook het minst tevreden over het groen in hun buurt.
Jongeren en allochtonen blijken minder tevreden over het landschap en het stedelijk groen dan de gemiddelde Nederlander. Deze groepen recreëren er anders dan gemiddeld; jongeren wandelen minder maar zijn actiever, allochtonen zijn vooral op de fiets in het buitengebied veel minder actief.
Inwoners van de Randstad zijn het minst tevreden over het groen om de stad. Vooral de hoge recreatiedruk, het ontbreken van stilte en de geringe variatie in het groen rondom de stad zijn verklaringen voor die lage waardering. De aanleg van nieuwe bos- en natuurgebieden in de nabijheid van de stad voorziet dan in een behoefte.

Bron: Persbericht Milieu en Natuur Planbureau

Zie ook: rapport

lees meer
17 SEPTEMBER 2007

STRIJD TEGEN VERSNIPPERING NIET OP SCHEMA

De hoeveelheid natuur die het kabinet wil realiseren, wordt met het huidige beleid niet gehaald. Daarcvoor zou er méér natuur moeten komen én de natuurgebieden moeten veel groter worden. Versnippering is niet alleen het grootste obstakel voor natuur, maar ook voor het landschap. Dat concludeert het Milieu- en Natuur Planbureau in de Natuurbalans 2007.
De hoeveelheid natuur is de laatste jaren weliswaar toegenomen, maar als het kabinet de gestelde doelstelling wil halen, zullen de provincies meer areaal moeten aankopen om gebieden een natuurfunctie te geven. Dat geldt zowel voor natuur die bestemd is voor recreatie als voor de te beschermen natuur.
Het gaat niet alleen om het aantal hectares, maar ook om de kwaliteit van de natuur. Zelfs bij volledige realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) bestaat de Nederlandse natuur in 2018 voor een groot deel uit kleine gebieden. Terwijl er juist gróte natuurgebieden nodig zijn om bedreigde soorten te beschermen en natuurlijke processen de ruimte te geven. Nederland heeft zich namelijk in Europees verband verplicht om bepaalde soorten en gebieden in stand te houden. Bovendien is het in grotere gebieden goedkoper om de kwaliteit van het milieu en het water te verbeteren.
Dorodat de groene ruimte in grootte afneemt en versnippert is ook de stilte schaarser geworden. In Zuid-Holland is de groene ruimte het meest versnipperd, door woonwijken, bedrijventerreinen, glastuinbouw, wegen en spoorlijnen, windturbines en hoogspanningsmasten. Vooral Nationale Landschappen met openheid als karakteristiek boeten aan waarde in, als gevolg van verspreide bebouwing. Voor het landschap hangt veel af van de sturing door Rijk en provincies om de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) op het juiste schaalniveau te implementeren, aldus MNP.

Bron: Persbericht Milieu- en Natuur Planbureau

Zie ook: rapport

lees meer
14 SEPTEMBER 2007

BEGRAVEN IN DE NATUUR WEKT NOG WEERSTAND

Hoewel het verschijnsel natuurbegraven aan populariteit wint, zijn overheden nog uitermate voorzichtig. Deze conclusie valt te trekken uit het stageonderzoek van Koen Verstegen. De vierdejaars student Bos- en natuurbeheer aan Van Hall Larenstein in Velp onderzocht de mogelijkheden voor de aanleg van een natuurbegraafplaats in Reiderwolde.
Op een natuurbegraafplaats worden mensen op milieuvriendelijke wijze begraven in een groene omgeving. De graven liggen dan bijvoorbeeld onder een boom waar een kleine inscriptie op komt, of bij een kunstwerk van natuurlijke materialen. ‘Natuurbegraafplaatsen zijn tientallen jaren terug in Groot-Brittanië ontstaan als reactie op onpersersoonlijke en commerciële uitvaarten’, vertelt Verstegen. ‘Inmiddels zijn daar meer dan tweehonderd natuurbegraafplaatsen. Ook in Nederland is er een groeiend milieubewustzijn en een grotere behoefte aan een persoonlijker invulling van het afscheid.’
Momenteel zijn er twee natuurbegraafplaatsen in Nederland, een op de Veluwe en een in Limburg. Uitvaartonderneming Algemeen Belang heeft plannen om in het nieuwe natuurgebied Reiderwolde bij Winschoten een derde natuurbegraafplaats aan te leggen. Dit natuurgebied van circa 250 hectare ligt in de buurt van villawijk De Blauwe Stad en wordt beheerd door agrariërs.
In het onderzoek dat hij deed in opdracht van de organisatie voor particulier en agrarisch natuurbeheer SBNL, bekeek Verstegen landschapstechnische, juridische en financiële aspecten. Hij vond op die punten geen grote belemmeringen voor een natuurbegraafplaats in Reiderwolde. De obstakels zijn vooral politiek. Groningen is niet enthousiast, omdat Reiderwolde midden in de ecologische hoofdstructuur (EHS) ligt. De provincie wil er pas over discussiëren als ecologisch onderzoek heeft aangetoond dat natuurbegraven geen aantasting van milieu en natuur oplevert.
'Niet alleen provincies en gemeenten zijn uitermate voorzichtig, ook omwonenden verzetten zich vaak. Zij vinden het een eng idee dat er lijken in de bossen liggen of zijn bang voor verkeersoverlast', vertelt Verstegen. Hij denkt dat de weerstand niet voortkomt uit onwil, maar uit de relatieve onbekendheid in Nederland van het verschijnsel natuurbegraven. 'Hierdoor, en door gebrek aan specifiek beleid weten beleidsmakers nog niet zo goed wat ze ermee aan moeten.' Volgens Verstegen wordt het onder invloed van de huidige maatschappelijke discussie en met de wijziging van de wet op lijkbezorging in 2008, makkelijker om de aanleg van natuurbegraafplaatsen mogelijk te maken.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
13 SEPTEMBER 2007

KRUISEN TEGEN INTEELT VEILIG

Om in kleine populaties de gevolgen van inteelt te bestrijden, is kruisen met naburige populaties een veilige oplossing. Dat concluderen onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the Royal Society B. Biologen zijn huiverig voor de methode, omdat daarmee aanpassingen aan lokale omstandigheden kunnen verdwijnen.
Fragmentatie van leefgebieden zorgt voor minder genetische variatie, en daardoor voor een slechter vermogen van individuen om zich voort te planten. Biologen zijn over het algemeen terughoudend om dit probleem bij planten aan te pakken door te kruisen met individuen uit naburige populaties. De maatregel zou de negatieve gevolgen van inteelt - die in combinatie met omgevingsfactoren kunnen leiden tot het lokaal uitsterven van een soort - kunnen voorkomen. Maar de maatregel zou er ook toe kunnen leiden dat bijvoorbeeld aanpassingen aan lokale omstandigheden verdwijnen.
Om dit effect te onderzoeken, maakten de onderzoekers kruisingen van veertien populaties van de kruipende waterranonkel Ranunculus reptans, in Zwitserland en Duitsland. De nakomelingen van twee opeenvolgende generaties werden in een gewone tuin opgekweekt. Ze stonden in twee groepen: een met de natuurlijke concurrent fioringras (Agrostis stolonifera) en een zonder.
Uit het experiment blijkt allereerst dat de gezondheid van de kruisingen tussen de populaties groter was dan van kruisingen bínnen populaties. Deze resultaten waren hetzelfde voor de eerste en de tweede generaties. Er was dus geen bewijs voor de gevreesde negatieve gevolgen. Daarnaast bleek dat kleine populaties meer profiteren van het kruisen dan grotere populaties, zowel bij eerste als tweede generatie, maar dan in het bijzonder in de situatie zonder concurrentie van fioringras. Kleine populaties zonder concurrentie blijken in de tweede generatie géén groter voordeel meer te hebben van kruisen dan grote populaties.

Bron: Boomblad #4, september 2007

lees meer
12 SEPTEMBER 2007

VERSNIPPERING BEDREIGT BIODIVERSITEIT NIET

De fragmentatie van habitats leidt waarschijnlijk niet tot een lagere soortendiversiteit. Die bijzondere conclusie trekken onderzoekers in het vaktijdschrift Proceedings of the Royal Society B. In tegenstelling tot collega's die het tegendeel beweren, maakten zij in hun onderzoek onderscheid tussen het effect van versnippering en het effect van het verlies van ruimte. Die twee effecten worden normaal gesproken samengenomen, stellen de onderzoekers.
Bekijk je het effect van versnippering, waarbij je het effect van verlies van ruimte uitsluit, dan leidt dat tot een verrassend resultaat, blijkt uit de studie. De versnippering op zich vormt geen bedreiging voor de soortendiversiteit.
De wetenschappers onderzochten de invloed van versnippering op de soortendiversiteit aan de hand van drie groepen organismen - planten en twee keverfamilies - in een sterk gefragmenteerd landschap in Israel. In 25 stukjes land, verspreid over een gebied van 13 vierkante kilometer, namen ze steekproeven om de soortendiversiteit binnen deze groepen te bepalen. Geen van de keversoorten is overigens in staat om te leven op het omliggende, agrarische land. Vervolgens zijn er twee statistische analyses op de data losgelaten, waaruit de onderzoekers concluderen dat er geen significante relatie bestaat tussen versnippering en biodiversiteit. Dit zou ook gelden op het grotere niveau van eilanden en continenten.
De onderzoekers stellen overigens wel dat het voor het voortbestaan van individuele soorten toch belangrijk kan zijn om een aaneengesloten leefgebied te hebben. Dat geldt in het bijzonder voor de grotere diersoorten. Ze merken daarbij op dat onder die grotere diersoorten veel soorten zijn met een zeker charisma, zoals in Nederland het edelhert. De samenleving eist daarvan min of meer dat ze beschermd worden. In het geval waarbij een dergelijke soort zou verdwijnen, waarbij wel de biodiversiteit op peil zou blijven - doordat een andere soort zijn plaats inneemt - dan nog zou om bescherming geroepen worden, schrijven de onderzoekers. Maar dat is niet erg, zeggen ze erbij, want natuurbescherming gaat om meer dan alleen het behoud van het aantal soorten.

Bron: Boomblad #4, september 2007

lees meer
11 SEPTEMBER 2007

MEERHERSTEL WERKT MAAR EVEN

Maatregelen voor het herstellen van ondiepe meren met een overschot aan voedingstoffen hebben in veel gevallen een positief effect op de waterkwaliteit. Maar na acht tot tien jaar dreigt vaak een terugkeer naar de oorspronkelijke, troebele toestand, tenzij de maatregelen herhaald worden. Dat blijkt uit een omvangrijke evaluatie van herstelmaatregelen.
In de evaluatie werd gekeken naar herstelmaatregelen die sinds de jaren tachtig zijn uitgevoerd bij zeventig Nederlandse en Deense meren. De resultaten weden gepubliceerd in de Journal of applied ecology.
Maatregelen die in de loop der jaren genomen zijn om de waterkwaliteit te verbeteren, zijn onder andere baggeren, het fixeren van sediment met behulp van ijzer of aluminium, het doorspoelen van de meren, beluchten, het uitzetten van roofvis als de snoek, van zebramosselen of van bepaalde planten. Maar het verlagen van de visstand bleek de meest populaire methode te zijn. Dan gaat het voornamelijk om vissen die dierlijk plakton eten. Dierlijk plankton voedt zich met plantaardig plankton, zoals algen. Het wegnemen van grote aantallen blankvoorn en brasem bijvoorbeeld, bemoeilijkt zo het herstel. De verwijderde hoeveelheden vis varieerden van minder dan tien procent tot meer dan tachtig procent van de totale visstand (100 tot 870 kg per hectare). De effecten op het water blijken voornamelijk uit metingen aan de helderheid van het water, de hoeveelheid bladgroen, en de concentratie van de voedingsstoffen stikstof en fosfor.
Volgens de onderzoekers is het niet gemakkelijk om de effectiviteit van de afzonderlijke maatregelen te bepalen. De oorzaken van het succes van sommige projecten blijven grotendeels onbekend, bijvoorbeeld doordat verschillende soorten maatregen tegelijk of vlak na elkaar worden genomen.

Bron: Boomblad #4 - 2007

lees meer
10 SEPTEMBER 2007

VITALITEIT DOUGLAS EN EIK DAALT GESTAAG

Het kronendak van de douglasspar en de eik wordt sinds 1990 steeds dunner. Over de oorzaak tasten onderzoekers in het duister. Er is in ieder geval geen relatie met chemische veranderingen in de atmosfeer, want zowel de verzuring als de neerslag van stikstof neemt af - hoewel die laatste nog wel problematisch is. Dit staat in een rapport van onderzoeksinstituut Alterra.
Het bladerendak van de eik neemt in de periode 1990 – 2006 met gemiddeld 0,77 procent per jaar af. Bij de naalden van de douglasspar is die afname zelfs 1,24 procent per jaar. Voor de oorzaak keken de onderzoekers allereerst naar een relatie met de luchtkwaliteit. Maar daarin is te zien dat de hoeveelheid sulfaat (SO4) afneemt, vooral sinds het jaar 2000. Ook is er, op een deel van de onderzochte terreinen, een neerwaartse trend te zien van de neerslag van stikstof. Deze trends zijn ook terug te vinden in de in de naalden van douglasspar en grove den, waar de hoeveelheden stikstof en zwavel afnemen. Andere opvallende trends, op een deel van de onderzochte terreinen, zijn de afnemende concentraties nitraat (NO3), aluminium en magnesium. Gerelateerd aan de afname van sulfaat, maar ook aan afnemende concentraties aluminium, is de verzuring dan ook minder sterk geworden. Dit zijn de resultaten van een monitoringsonderzoek dat al loopt sinds de jaren tachtig en is ingesteld door de VN omdat de vitaliteit van Europese bossen sterk achteruitging. Dat werd oorspronkelijk toegeschreven aan de luchtvervuiling.

Informatie: www.boomblad.nl
Bron: Boomblad #4 – 2007

Zie ook: rapport

lees meer
7 SEPTEMBER 2007

KINDEREN LIJDEN AAN ‘NATUURTEKORT’

Kinderen van nu weten veel van het tropisch regenwoud, maar het bos of stuk grasland dichterbij huis is steeds vaker onbekend terrein. Dat is slecht nieuws voor de toekomst van de natuur én het kind, zei de Amerikaanse wetenschapsjournalist Richard Louv op 3 september tijdens zijn lezing in Wageningen over zijn boek ‘Het laatste kind in het bos’. Want zonder band met de natuur zullen ze zich ook niet inzetten voor het behoud ervan.
‘Als jongetje van acht liep ik de achterdeur uit, de tuin uit, door de akkers naar het bos. Dit was in mijn ogen oneindig, en het voelde alsof het van mij was. Nog steeds zit dat bos in mijn hart. Herinneringen als deze lijken echter met mijn generatie verloren te gaan’, vertelt Louv aan de goedgevulde zaal.
Anno 2007 zijn er nog maar weinig kinderen die urenlang door het bos struinen of hutten bouwen in verwilderde gebieden. Jongeren brengen steeds meer tijd binnen door en lijden volgens Louv zelfs aan het ‘natuurtekortsyndroom’.
De trend baart hem zorgen. ‘Toen er bulldozers in mijn bos kwamen, trok ik de markeerstokken, die aangaven waar gekapt moest worden, eruit’, vertelt Louv. ‘Niet omdat ik dacht aan de ecologische waarde, maar omdat het van mij was. Bij kinderen van nu zit natuur in hun hoofd. Ze leren over de Amazone, maar weten niets van de bomen in hun buurt of de dieren in de beek verderop. Hoe kunnen zij, zonder die persoonlijke band, straks strijden voor het behoud ervan?’ Bovendien is spelen in de natuur belangrijk voor de ontwikkeling van een kind, zegt Louv. ‘Het leert ze creatief, ondernemend en coöperatief te zijn.’ Eerder is al aangetoond dat in wijken met weinig groen relatief meer kinderen met overgewicht wonen. Ook depressies en ADHD wijt Louv aan het gebrek aan speeluurtjes in de natuur.
Ouders spelen een grote rol in de tendens dat kinderen steeds meer in de buurt blijven, zegt Louv. Ze zijn bang voor ongelukken, ontvoering en aanranding. Louv: ‘We leven in een maatschappij van angst. Natuurlijk is elke ontvoering er één teveel, maar is het een reden om een hele cultuur te veranderen in eentje waarin kinderen niet meer op ontdekkingstocht mogen?’
Maar zelfs al mochten kinderen uren buiten zwerven, dan nog kunnen ze er moeilijk onbezorgd op uit. ‘Spelen buiten de aangelegde speelveldjes, in de wilde natuur lijkt haast verboden’, zegt Louv. Boompje klimmen, bloemen plukken en buiten de paden struinen is schadelijk voor de natuur en mag daarom niet. ‘We werken met zijn allen zo hard aan het behoud van natuur voor toekomstige generaties, dat kinderen van nu er nauwelijks meer van lijken te mogen genieten.’

Richard Louv – Het laatste kind in het bos. Hoe we onze kinderen weer in contact brengen met de natuur. Uitgeverij Jan van Arkel, Utrecht. 385 pagina's. 19,95 euro.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
6 SEPTEMBER 2007

HOND VERJAAGT VEEL VOGELS

Honden uitlaten in natuurgebieden kan de aantallen en de diversiteit van vogels sterk verminderen. Vooral vogels die dicht bij de grond leven, worden afgeschrikt. Dat blijkt uit een onderzoek van Australische wetenschappers. Zij pleiten voor een langdurig hondenverbod in gevoelige natuurgebieden. Hun studie verscheen in Biology Letters.
Peter Banks van de universiteit van New-South Wales leidde het onderzoek: ‘We vonden in onze veldstudies dat het uitlaten van honden leidt tot een afname van de soortendiversiteit met 35 procent, en van de aantallen vogels met 41 procent’, zegt hij. ‘Dit effect is zowel te zien in gebieden waar honden uitlaten normaal is, als in gebieden waar dat verboden is. Dat toont aan dat vogels niet gewend raken aan herhaalde verstoringen door honden. Dit is dus een sterk argument om in gevoelige natuurgebieden het uitlaten van honden langdurig te verbieden’, zegt Banks.
Met zijn collega’s voerde Banks een experiment uit in negentig gebieden ten noorden van de stad Sydney. Die regio was gekozen omdat daar wandelroutes liggen waar honden veel uitgelaten worden, én waar dat juist verboden is. Vogels die voornamelijk op de bodem leven, bleken het meest benadeeld te worden door de aanwezigheid van honden. De helft van deze vogels bleken afwezig op plekken waar honden uitgelaten werden. Dit effect was volgens Banks dichtbij het pad het sterkst. ‘Binnen tien meter van het pad waren 76 minder vogels wanneer honden werden uitgelaten, dan in controlegebieden. Dat suggereert dat de vogels beschutting zochten voor de nabije dreiging.’

Bron: University of New South Wales

lees meer
5 SEPTEMBER 2007

'GRAANSCHAARSTE VERTRAAGT EHS'

De vraag naar landbouwproducten neemt sterk toe, en daardoor zal ook de prijs van landbouwgrond omhoog gaan. Volgens Dirk Strijker, bijzonder hoogleraar Plattelandsontwikkeling aan de Rijksuniversiteit Groningen, heeft dit gevolgen voor de natuurontwikkeling in Nederland.
Hij verwacht dat de afronding van de Ecologische Hoofdstructuur vertraging oploopt.
De hoge graanprijs van de laatste tijd wordt vooral veroorzaakt door een toenemende vraag uit Zuidoost-Azië, legt Strijker uit. ‘Door de economische ontwikkelingen zijn ze daar meer vlees gaan eten. Het eten van dierlijke producten is inherent aan stijgende welvaart. En om je varkens te voeden die dat vlees moeten leveren heb je graanproducten nodig. Daardoor is de markt krapper geworden.’ De huidige graanschaarste heeft ook consequenties voor andere producten die van het land afkomen. ‘Die zullen ook duurder worden, want alles hangt met touwtjes aan elkaar vast. Waar je het een teelt, kun je het andere niet telen. Dus als boeren meer graan gaan verbouwen, kunnen ze minder koolzaad verbouwen.’
Door de huidige schaarste aan landbouwproducten neemt de mondiale vraag naar landbouwgrond toe. Daardoor zal landbouwgrond duurder worden, ook in Nederland . Strijker: ‘Dat heeft geen gevolgen voor bijvoorbeeld de woningbouw, omdat grond die geschikt is voor woningen veel meer waarde heeft.’ Wel heeft deze trend gevolgen voor natuurontwikkeling. De laatste jaren is veel landbouwgrond door de overheid aangekocht om natuurgebied van te maken. ‘Dat zal lastiger worden door de hogere prijzen. Het is immers een activiteit die bekostigd moet worden met een beperkte hoeveelheid gemeenschapsgeld. Boeren zullen nu minder snel genegen zijn hun grond te verkopen.’ Strijker verwacht daarom dat de afronding van de ecologische hoofdstructuur minder snel zal gaan.
Strijker vindt dat overigens geen slechte zaak. ‘Er is al een mooie slag gemaakt. Misschien kunnen we beter wat kalm aan doen tot de prijzen voor landbouwgrond weer dalen, en dan weer verder gaan. We zijn ook te ver doorgeschoten, denk ik wel eens. Bij nogal wat nieuwe natuur blijkt goed beheer lastig en duur. Is het dan niet mooier om daar gewoon koeien te laten lopen?’ Bovendien is volgens Strijker de steun vanuit de politiek en de samenleving voor het omvormingsbeleid afgenomen. ‘Het is vergelijkbaar met de kunstsubsidies: de natuur die nu gemaakt wordt is vooral interessant voor een kleine groep hoogopgeleide mensen.’
Strijker voorspelt dat de grote vraag naar graan en andere landbouwproducten ook ooit weer op zal houden. ‘Bij een toename in welvaart zie je dat mensen van het platteland naar de steden trekken. Daardoor wordt de arbeid op het platteland schaarser, en gaat de landbouw mechaniseren. Door nieuwe technieken wordt de grond intensiever gebruikt, en na verloop van tijd zullen die landen zichzelf min of meer kunnen voeden. Ik schat dat dit nog zo'n tien tot vijftien jaar gaat duren.’

Informatie: www.rug.nl/Corporate/nieuws/opinie/opinie28
Bron: Rijksuniversiteit Groningen

lees meer
4 SEPTEMBER 2007

ZEER ZELDZAME RUPS MASSAAL GEZIEN

De nachtvlinder kompassla-uil (Hecatera dysodea) is een zeer zeldzame vlindersoort, die slechts af en toe wordt waargenomen, vooral in het zuidwesten van Nederland. Dit jaar wordt de soort plotseling massaal als rups gevonden op diverse locaties in Midden-Nederland, meldt de Vlinderstichting.
Vooral langs weg- en spoorbermen, maar ook op allerlei ruderale terreintjes langs de grote rivieren en in industriegebieden, vaak ook midden in het stedelijk gebied, worden de rupsen van deze soort dit jaar aangetroffen. De rupsen zitten op kompassla en eten de bloeiwijzen van de plant.
Het is onduidelijk wat de oorzaak van het plotselinge optreden is, aldus de Vlinderstichting. Mogelijk is er al jaren over de soort heen gekeken. De vlinders laten zich relatief weinig zien en als er weinig mensen naar rupsen zoeken, kan dat een plausibele verklaring zijn. Andere verklaringen zijn dat de soort zich door het warmer wordende klimaat heeft kunnen uitbreiden en ook wordt gedacht dat de soort zich na een invasie uit het verleden blijvend heeft kunnen vestigen. Iets dergelijks heeft zich ook in Denemarken en Zweden afgespeeld. In Engeland was de soort verdwenen en is hij pas recent weer opnieuw vastgesteld.
De rupsen zijn vanaf juni tot in september te vinden. De vlinderstichting ontvangt graag meldingen van waarnemingen in de komende weken.

Informatie: www.vlinderstichting.nl
Bron: Vlinderstichting

lees meer
3 SEPTEMBER 2007

BIJVAL VOOR NEDERLANDSE POSTZEGELNATUUR

Vraag Nederlanders naar hun mening over de inrichting van het land en de meesten hebben hun klaagzang al klaar over lelijke bedrijventerreinen en de postzegelverzameling aan door mensenhanden gemaakte natuur. Maar buitenlandse wetenschappers kijken bewonderend naar het Nederlandse landschap, bleek tijdens een congres van de Internationale Associatie voor Landschapsecologie (IALE) begin juli in Wageningen.
Waren het vroeger de dijken die alom geprezen werden, tegenwoordig zijn het de robuuste verbindingen en natuurherstelprojecten binnen het volgebouwde Nederland die buitenlandse deskundigen bewonderen. Meer dan zevenhonderd landschapsecologen en andere betrokkenen kwamen begin juli vanuit alle windstreken naar Wageningen om ze met eigen ogen te bekijken. Het is niet zozeer de natuur zelf waar de bezoekers van onder de indruk zijn, maar het feit dat dijken worden doorbroken om de rivier weer ruimte te geven, dat natuur wordt ontwikkeld op oude landbouwgronden en dat overheden en ondernemers het belang van behoud van natuurlijke bronnen beseffen en de kosten daarvoor willen maken. Het is de maakbaarheidsgedachte die bij de buitenlandse gasten bewondering oogst.
En het mogen dan postzegeltjes natuur zijn die Nederland te bieden heeft, opgeteld is de lijst van excursiemogelijkheden waar de deelnemers uit kunnen kiezen toch indrukwekkend. De Biesbosch, Deltawerken, Tiengemeten, Oostvaardersplassen, wildviaducten, Wieden en Weerribben en nog vele andere locaties kunnen ze bezoeken om te zien hoe Nederland haar natuur aansluit op andere functies zoals transport en waterberging. Qua oppervlakte zijn veel gebiedjes in Nederland misschien maar postzegels, de natuurlijke waarde is hoog, concluderen de wetenschappers.
Een verslag van een van de excursies die de buitenlandse wetenschappers volgden is te lezen op www.resource-online.nl

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk