homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

30 AUGUSTUS 2007

STEEDS MEER AFVAL IN HET BOS

Natuurbeheerders zijn jaarlijks miljoenen euro’s kwijt aan het opruimen van afval in hun gebieden. Steeds vaker komen ze daarbij koelkasten, autobanden, bankstellen en ander grofvuil tegen. De helft van de natuurbeheerders zegt, volgens een studie van het instituut Alterra, dat er de afgelopen jaren steeds meer afval groter dan een vuilniszak wordt gestort.
Alterra berekende op basis van interviews met medewerkers van Staatsbosbeheer en de Provinciale Landschappen dat per honderd hectare gemiddeld eens per jaar afval wordt achtergelaten. De totale uitgaven voor opruimen en saneren van grond lopen naar schatting van de beheerders in de miljoenen.
Vooral extreme vondsten als kadavers, auto’s en chemische restproducten voeren de kosten flink op. In 2002 vond Staatsbosbeheer in Lelystad zelfs een compleet xtc-lab. Zonder deze bijzondere gevallen zijn de natuurbeheerders naar schatting ruim negen ton per jaar kwijt aan het opruimen van grofvuil.
Landelijk zijn de verschillen groot. Terwijl beheerders in Noord-Holland denken aan 17 dumpingen op 7 duizend hectare, kampt Limburg met meer dan 250 dumpingen per jaar op slechts 3,3 duizend hectare natuurgebied.
De beheerders denken dat de stijging vooral komt door de stortkosten bij gemeentelijke afvalwerven, maar ook door gemakzucht, beperkte openingstijden van de afvalstations en de kleine pakkans.
Het afval zorgt voor meer nutriënten in het gebied waardoor brandnetels en bramen kans krijgen andere plantensoorten te verdringen. Ook kunnen er ongewenste plantensoorten opduiken door gedumpt tuinafval.

Zie ook: Resource Online


Zie ook: rapport

lees meer
28 AUGUSTUS 2007

NIET ALLE BOMEN PROFITEREN VAN TOENAME CO2

Dennenbomen die in een Amerikaans experiment al tien jaar extra koolstofdioxide krijgen, groeien beter. Maar alleen als ze genoeg water en voedingsstoffen hebben, leggen ze voldoende hoeveelheden koolstof vast om de effecten van het broeikaseffect te kunnen verzachten. Dat werd bekend gemaakt tijdens een bijeenkomst van de Ecological Society of America (ESA).
Het experiment laat zien, volgens Ram Oren, projectleider bij Duke University, dat het succes van projecten voor het vastleggen van extra CO2 door bomen te planten, afhankelijk is van weersomstandigheden en van grootschalige bemesting van bossen. ‘Op sommige percelen was de groei vijf tot tien procent hoger, terwijl die op andere percelen wel veertig procent meer is,’ zegt Oren. ‘Dus op plekken met weinig voedingsstoffen en water zien we een zwakke reactie, en op rijkere plekken zien we een sterke reactie. Het zou zelfs kunnen zijn dat er netto geen toename van de opname van koolstof is wanneer de beschikbaarheid van water afneemt terwijl de concentratie CO2 toeneemt.’
‘De resultaten suggereren dat we grote oppervlakten moeten bemesten om werkelijk effect te hebben op de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer,’ zegt Oren. ‘En de gevolgen daarvan voor de waterkwaliteit zullen onacceptabel zijn voor de maatschappij. Water is al een schaarse bron.’
In het experiment, genaamd Free Air Carbon Enrichment (FACE), wordt al 10 jaar lang iedere dag anderhalf keer de hoeveelheid CO2 toegediend die nu in de atmosfeer zit. Dit gebeurt op vier percelen door middel van automatische ventielen op torens in een circel. Op vier andere plots wordt geen CO2 toegediend.

Bron: Persbericht Duke University

lees meer
27 AUGUSTUS 2007

WASBEERHOND BLIJFT VOGELVRIJ

Minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wil de wasbeerhond geen beschermde status geven, en evenmin een onderzoek starten naar de oorspronkelijke verspreiding van dit dier. Dat zegt ze in een brief aan de Tweede Kamer in antwoord op vragen van de Partij voor de Dieren. De wasbeerhond zou volgens een bericht in de Telegraaf oprukken in het oosten van het land.
De minister legt in haar brief uit dat in eerste instantie getracht wordt om introducties van nieuwe soorten te voorkomen. Als dat niet lukt, zal ze maatregelen nemen wanneer de populaties nog klein en beheersbaar zijn. Dan moet echter wel duidelijk zijn dat een nieuwe soort een bedreiging vormt voor de inheemse biodiversiteit, economie of veiligheid. Verburg verwacht van soorten die op eigen kracht Nederland bereiken minder schade, dan van soorten die door de mens geïntroduceerd zijn. Of de wasbeerhond (Nyctereutes procyonoides) al schade aanricht, wordt niet aangegeven in de brief aan de Kamer.
De wasbeerhond geniet daarentegen geen wettelijke bescherming door de Flora- en Faunawet. De minister maakt een onderscheid tussen soorten die van oorsprong in Nederland voorkwamen, zoals de zeearend, en soorten die nog niet eerder in Nederland waren. De wasbeerhond komt volgens de minister zonder twijfel uit Zuidoost-Azië en wordt daarom gezien als exoot. Een uitzondering voor de beschermde status kan gemaakt worden wanneer het dier wereldwijd bedreigd zou zijn, en in Nederland geen schade aan zou richten. Dat is niet het geval. In de praktijk betekent dit, dat de wasbeerhond door iedereen met een jachtakte en toestemming van de grondeigenaar het dier mag doden.
Het Kenniscentrum Dierplagen in Wageningen zegt in de Teleraaf dat midden jaren negentig drie dode exemplaren werden gevonden, maar dat het sinds 2000 om tientallen dieren gaat. Verwacht wordt dat de soort zich hier blijft uitbreiden. De nachtelijke rover zou ook voor problemen zorgen. Ooievaarsstation De Lokkerij in het Drentse De Wijk wijst de wasbeerhond aan als hoofdverdachte voor een massaslachting onder ooievaars.

Informatie: www.minlnv.nl/cdlpub/servlet/CDLServlet?p_file_id=20731
Bron: Ministerie van LNV en Telegraaf

lees meer
24 AUGUSTUS 2007

EERDER EIEREN DOOR WARMER KLIMAAT

Vogels leggen steeds vroeger in het jaar hun eieren, als gevolg van de klimaatverandering. Gegevens van 45 zangvogelsoorten laten zien dat tussen 1985 en 2005 de start van de eileg gemiddeld een week naar voren is geschoven, van 11 naar 4 mei. Dat blijkt uit de Vogelbalans van de Vogelbescherming, een jaarlijks overzicht van de vogelstand.
Volgens de Vogelbescherming hebben vogels wereldwijd last van klimaatveranderingen. 'Sommige soorten zijn nu al zeer sterk in aantal achteruit gegaan en bijna verdwenen. Als de opwarming toeneemt, zullen veel soorten domweg uitsterven. In Europa kunnen dat tientallen vogelsoorten zijn,' zegt de organisatie.
Ook voor Nederland liggen veranderingen in de vogelstand in het verschiet. 'Zachte winters stimuleren de opmars van een aantal zuidelijke broedvogels, waaronder bijeneter, cetti's zanger en kleine zilverreiger. Er zullen dus steeds vaker ook nieuwe soorten in ons land bivakkeren', concludeert de Vogelbalans. Aan de andere kant trekken er vogels weg uit Nederland, richting het noorden, zoals de korhoen en kemphaan.
Ons land is populair bij overwinteraars. In januari verblijven maar liefst vijf miljoen watervogels in Nederland. De Vogelbescherming verwacht dat er door de warmere winters een afname zal plaatsvinden van het aantal wintergasten. Dit geldt niet alleen voor watervogels, maar ook bijvoorbeeld voor de roek en de bonte kraai.

Bron: BN De Stem

Zie ook: rapport

lees meer
23 AUGUSTUS 2007

KNMI VOLGT VOGELTREK MET WEERRADAR

Het KNMI gaat de vogeltrek in kaart brengen met behulp van Doppler-weerradars en een speciaal voor dit doel ontwikkelde mobiele vogelradar, de superfledermaus. De weerradar wordt meestal gebruikt om neerslagverwachtingen te maken.
De Dopplerfunctie van de radar is geschikt voor windwaarnemingen en geeft informatie over windrichtinge en windsterkte op verschillende hoogtes in de atmosfeer. De vogeltrek verstoort het signaal van deze radars. Nader onderzoek aan de hand van metingen stelt de onderzoekers in staat de Doppler-radar beter op de vogeltrek af te stemmen en de kwaliteit van de radargegevens verder te verbeteren. Bovendien is het monitoren van de vogeltrek wellicht een nieuwe toepassing voor het netwerk van meer dan 150 weerradars in Europa waarover het KNMI tegenwoordig de leiding heeft. Met name voor de militaire luchtvaart zijn gegevens van de veelal laagvliegende vogels van belang. Bovendien is informatie over de vogeltrek van belang in verband met de verspreiding van ziektes zoals de vogelpest.
In totaal worden twee meetcampagnes georganiseerd, de eerste startte op 20 augustus in De Bilt en Soesterberg en wordt op 24 september vervolgd in Wideumont/St. Hubert in België). De tweede meetcampagne vindt plaats in maart 2008 bij Trappes in Frankrijk.
Het vogeltrekproject wordt gefinancierd door de European Space Agency (ESA) in het kader van het 'Integrated Applicaties Program' en uitgevoerd door het KNMI in samenwerking met de Nederlandse en Belgische Luchtmacht, de nationale meteorologische diensten van België en Frankrijk en het Zwitsers Ornithologisch Instituut.


lees meer
21 AUGUSTUS 2007

MINISTER WIL INVESTEREN IN LANDSCHAP

Minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) gaat in enkele pilotgebieden investeringen in landschap bevorderen. Zij gaat in gesprek met vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en overheden om te kijken wat de mogelijkheden zijn. In het najaar komt de minister in een 'Agenda Landschap' met een nadere uitwerking en de concrete aanwijzing van de pilotgebieden.
Het aanwijzen van pilotgebieden is een uitvloeisel van het onderzoeksrapport Investeren in het Nederlandse Landschap. Opbrengst: geluk en euro's. In dit onderzoek heeft onderzoeksbureau Witteveen en Bos berekend dat investeren in landschap lonend is. Verburg heeft het Centraal Planbureau (CPB) om een reactie gevraagd.
Het CPB plaatst in zijn reactie enkele kritische kanttekeningen, maar laat ook weten dat in meer algemene zin, investeringen in het Nederlandse landschap bij kunnen dragen aan de maatschappelijke welvaart. Het CPB concludeert dat de kosten-baten analyse van Witteveen en Bos methodisch juist is uitgevoerd maar de empirische onderbouwing van diverse batenschattingen te onzeker is om er beleid op te baseren. Het CPB suggereert om als experiment in een gebied te beginnen met investeren in landschap langs de lijnen zoals voorgesteld in de studie van Witteveen en Bos.
Omdat zij uit diverse provincies belangstelling verwacht en om een breed beeld te krijgen van het rendement van landschapsinvesteringen, wil de minister meer dan één gebied aanwijzen.

Bron: Persbericht Ministerie van LNV

Zie ook: rapport

lees meer
20 AUGUSTUS 2007

LAGERE KOSTEN NATUURBEHEER

De kosten die in Nederland worden gemaakt voor natuur- en landschapsbeheer kwamen in 2005 uit op zo’n 880 miljoen euro. Daarmee liggen deze kosten 36 miljoen euro lager dan in 2003 en 70 miljoen euro lager dan in 2001. Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek.
De kosten die voor rekening van de overheid komen, liggen in deze periode vrijwel vast op een bedrag net boven de 500 miljoen euro. De daling van de kosten doet zich met name voor bij de particuliere natuurbeschermingsorganisaties. Zij gaven in 2005 28 miljoen euro minder uit dan in 2003. De activiteiten van de particuliere natuurbeschermingsorganisaties worden in belangrijke mate mogelijk gemaakt door bijdragen van huishoudens. In 2005 ging het om 135 miljoen euro. Dit bedrag komt onder andere uit contributies, giften, nalatenschappen en bijdragen uit loterijen.

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek

lees meer
17 AUGUSTUS 2007

MOS WAPEN TEGEN FIJNSTOF

Als het aan de Universiteit van Bonn ligt, wordt mos hét nieuwe, natuurlijke wapen tegen fijnstof. Deze week start op de autoweg 562 bij Bonn een proef met mosmatten langs de middenberm, die moet aantonen of mos alle fijnstof die erop valt, weet te verteren. Dat meldt Dagblad De Limburger.
Het aan de universiteit verbonden Nees-Institut doet al langer onderzoek naar de functie van mossen. Daaruit bleek dat één vierkante meter van deze plant per jaar zo'n twintig gram fijnstof kan 'opeten'. Een behoorlijke hoeveelheid, vindt de leider van het onderzoek, de hoogleraar-bioloog Jan-Peter Frahm. Langs een druk bereden autoweg daalt jaarlijks ongeveer veertien gram per vierkante meter fijnstof neer.
Mos werkt, anders dan bomen en struiken, het hele fijnstof weg, zo leert het onderzoek. Anders dan deskundigen vaak aannemen bestaat fijnstof niet alleen uit afslijpsel van autobanden, remmen, koppelingen en roestdeeltjes, maar voor de helft uit ammoniumnitraat. Deze wordt gevormd door de verbinding van ammoniak (die bijvoorbeeld uit katalysators komt) met stikstof- of zwaveldioxide. Valt de fijnstof op het mos, dan houdt de plant dat vast en voedt zich ermee. De 'honger' van het mos is zo groot dat het veel fijnstof aankan.
‘Heel origineel en verrassend’, reageert Juul Limpens van Wageningen Universiteit, gespecialiseerd in mossen. ‘Mos heeft geen wortels en kan inderdaad met zijn hele oppervlakte stikstofverbindingen, fosfaten, calcium en dergelijke opnemen. De toepassing bij fijnstof kan heel efficiënt zijn. Je hebt natuurlijk ook sneller mosmatten naast een weg gelegd, dan dat je bomen hebt geplant.’ Zij heeft ook een kantekening: ‘Mos neemt alleen op als het nat is. Bij grote droogte, als het fijnstof juist het lastigst is, werkt mos niet.’ De Universiteit Bonn onderkent dat, maar wijst erop dat het gaat om het totale resultaat over een jaar gemeten. En daar zit de winst, voorspelt Frahm.

Informatie: www.limburger.nl/nieuws/limburg/article2287367.ece?secId=1581
Bron: Dagblad De Limburger

lees meer
16 AUGUSTUS 2007

VOGELRICHTLIJN HEEFT EFFECT

De Vogelrichtlijn van de Europese Unie, waarin staat welke vogelsoorten door de lidstaten beschermd moeten worden, heeft geleid tot het herstel van de meest bedreigde soorten. Daarmee is bewezen dat internationaal natuurbeleid kan werken. Dat blijkt uit een onderzoek van de Britse organisatie voor vogelbescherming (RSPB), dat onlangs werd gepubliceerd in Science.
De Vogelrichtlijn, die in 1979 van kracht werd, eist dat een aantal vogelsoorten extra beschermd worden, bijvoorbeeld door speciale beschermingszones aan te wijzen. Het onderzoek laat nu zien dat het met deze soorten beter gaat dan met de andere soorten in de Europese Unie. Bovendien doen deze soorten het binnen de EU beter dan de populaties van dezelfde soorten búiten de EU.
Ook op nationaal niveau laat het onderzoek resultaten zien. Zo zijn in het Verenigd Koninkrijk de populaties van tenminste 23 van de 64 soorten die voor 1993 op de Annex I-lijst stonden in grootte toegenomen. Opvallende voorbeelden van soorten die vooruit zijn gegaan zijn de kluut, de bruine kiekendief, de nachtzwaluw, de boomleeuwerik, de Provençaalse grasmus, de visarend, de roerdomp, en de rode wouw.
Paul Donald, bioloog bij de RSPB en eerste auteur van het artikel in Science zegt: 'Al vijfentwintig jaar steunt de Vogelrichtlijn lidstaten bij het bieden van de juiste bescherming aan vogels die het sterkst bedreigd zijn. Nu kunnen we aantonen dat deze bescherming werkt.'
De RSPB en BirdLife International hopen dat dit onderzoek overheden, vooral van nieuwe lidstaten, stimuleert zich volledig te houden aan de Vogelrichtlijn. Ze waarschuwen dat onvoldoende toewijzing en bescherming van gebieden, gebrek aan fondsen voor beheer en niet-duurzame landbouw de successen van de Vogelrichtlijn ongedaan kunnen maken.

Bron: Persbericht The Royal Society for the Protection of Birds

lees meer
13 AUGUSTUS 2007

BOOMSTAMMEN KRIMPEN TIJDENS DROOGTE

De boomomtrek krimpt tijdens een droge periode, maar herstelt snel in een natte periode. Dat blijkt uit de eerste metingen die onderzoekers van Wageningen UR in bosreservaten hebben gedaan, met een voor Nederland nieuwe methode om dagelijks de dikte van bomen te meten. De metingen moeten meer inzicht geven in effecten van klimaatveranderingen, en het aanpassingsvermogen van bomen.
De dendrometers registreren ieder uur de stamomtrek van een aantal bomen tot in tienden millimeters nauwkeurig. Het meetinstrument bestaat uit een aluminium band die op borsthoogte rond de boom is bevestigd. Een veer zorgt voor voldoende spanning, maar knelt niet.
De geautomatiseerde instrumenten die op honderd bomen (Douglas-sparren, eiken, beuken en grove dennen) in 22 bosreservaten in Nederland zijn gemonteerd, verzamelen ieder uur gegevens over stamomvang van de bomen en de temperatuur. Daarnaast wordt de hoeveelheid neerslag vastgelegd. Met de meetinstrumenten kunnen boomdiktes op de korte termijn van bijvoorbeeld een dag tot periodes van tientallen jaren gevolgd worden. Daartoe blijven de meters decennialang aan de bomen bevestigd. De registraties moeten meer inzicht geven in het korte termijn aanpassingsvermogen van de bomen aan extreme condities, zoals zeer droge of natte periodes, maar ook aan de groeivorderingen gedurende het verloop van de seizoenen. Op de lange termijn moeten groeitrends onder klimaatveranderingen helder worden. Zo zal uit de metingen na jaren een eventueel verloop in de start en einde van het groeiseizoen zichtbaar worden.
Proefmetingen in de wispelturige zomer van 2006 laten zien dat in droge tijden, zoals in juli vorig jaar, de omtrek van de stam van een Douglas-spar krimpt. In de daaropvolgende natte en koele augustusmaand zwelde de stam zeer snel. Ook bleef de omvang van de wintergroene Douglas-spar in de zachte winter licht toenemen. De droge maand april 2007 is eveneens in de omvang van de boomomtrek terug te vinden, net als de natte zomermaanden, waarin de stam een voorspoedige groei doormaakte. De Douglas-spar staat bekend om zijn gevoeligheid voor droogte.
De meetgegevens van de honderd dendrometers zullen worden gekoppeld aan resultaten van jaarringonderzoek en analyses van de groei van het cambium - de groeilaag in de bast van de boom - die in de komende jaren op dezelfde standplaatsen zijn gepland.
Bosreservaten zijn geschikte locaties voor deze dendrometrische methode, omdat veel bekend is over de voorgeschiedenis van het bos. Bovendien worden er geen bomen gekapt en kunnen de onderzoekers hun keus laten vallen op representatieve exemplaren.

Bron: Perbericht Wageningen UR

lees meer
10 AUGUSTUS 2007

PLANTENRIJK BOS DANKZIJ HAKHOUTBEHEER

Veel karakteristieke planten van de Zuid-Limburgse middenbossen, zoals de bosanemoon, herstellen zich geleidelijk dankzij hakhoutbeheer. Dat blijkt uit onderzoek waarvoor dit beheer sinds 1996 gevolgd wordt. Binnenkort worden de eerste resultaten gepubliceerd in het Natuurhistorisch Maandblad van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg.
Eeuwenlang is middenbosbeheer in de Zuid-Limburgse hellingbossen toegepast. Halverwege de twintigste eeuw is deze vorm van hakhoutbeheer echter in onbruik geraakt. Hiermee ging ook de rijke flora in deze bossen sterk achteruit. Daarom voert Natuurmonumenten sinds 1976 weer middenbosbeheer uit in twee hellingbossen van Genhoes.
Met deze vorm van hakhoutbeheer wordt een deel van de bomen tijdens de kap gespaard. Deze zogeheten overstaanders leverden vroeger hout voor de constructie van vakwerkboerderijen en andere gebouwen. De andere bomen en struiken werden als stobben beheerd. Elke vier tot twaalf jaar werden deze gekapt om in de behoefte aan takhout te voorzien. Het grotere takhout werd onder meer gebruikt voor bonenstaken en gereedschap. Het kleinere takhout verdween als brandhout in ovens en kachels. Verder liet men in deze bossen schapen en koeien grazen, werd er eikenschors verzameld voor de leerlooierijen en hield men er bijen voor de honing.
Middenbosbeheer is een arbeidsintensieve en dus kostbare activiteit. Jaarlijks verwijderen boswachters in percelen van 0,3 tot 1 hectare de houtige vegetatie met motorzagen. Sommige opgaande bomen worden daarbij als overstaanders gespaard, het takhout wordt ter plaatse verbrand. Anders dan vroeger vergt dit hoge arbeidskosten, terwijl het hout weinig of geen inkomsten meer oplevert. Hierdoor kan middenbosbeheer nog maar op kleine schaal worden toegepast. Vanwege de onzekerheid over het succes van het middenbosbeheer en de hoge kosten is deze vorm van beheer tussen 1998-2002 zelfs tijdelijk gestaakt.
Het onderzoek van Karl en Lia Eichhorn laat zien dat het wel degelijk leidt tot behoud en herstel van de karakteristieke flora. De onderzochte hellingbossen zijn de meest plantenrijke van Zuid-Limburg.

Bron: Natuurmonumenten

lees meer
9 AUGUSTUS 2007

GROTE GRAZER VAKER 'NIET-GEHOUDEN DIER'

Grote grazers hoeven in de grote natuurgebieden in Nederland niet langer te voldoen aan de indentificatie- en registratieregeling (I&R-regeling), meldt Natuurmonumenten. Ze kunnen worden aangemerkt als niet-gehouden dieren. Dat blijkt volgens de vereniging uit een reactie van minister Gerda verburg van LNV op een aanvraag van Natuurmonumenten en PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland voor een ontheffing op de I&R-regeling voor grazers in Nationaal Park Zuid-Kennemerland.
Volgens minister Verburg zijn de grote grazers in Zuid-Kennemerland niet I&R-plichtig omdat ze leven in ‘grote eenheid natuurgebied’ zoals die wordt omschreven in de Leidraad Grote Grazers. Ze vallen onder de zogenoemde A-status van deze beleidsrichtilijn.
Natuurmonumenten is verheugd over de reactie. Het opent volgens de organisatie de deuren om in meer grote natuurgebieden niet-gehouden runderen en paarden te laten leven. Tot nu toe is dat alleen in de Oostvaardersplassen en de Veluwezoom het geval.
Een ‘grote eenheid natuurgebeid’ is een grootschalig gebied, waarin natuurlijk processen zoals overstromingen of begrazing, de ontwikkelingen bepalen. Niet-gehouden dieren passen volgens Natuurmonumenten niet in het I&R-systeem, dat voor landbouwhuisdieren is bedoeld.
Natuurmonumenten gaat nu kijken welke gebieden nog meer geschikt zijn voor zelfstandig levende kuddes grote grazers. Volgend Harm Piek, beleidsmedewerker natuur en landschap van Natuurmonumenten zijn de omstandigheden in het Drents-Friese Wold en Tiengemeten zo dat hier op betrekkelijk korte termijn niet-gehouden grazers kunnen leven.

Bron: Van Nature, Natuurmonumenten

lees meer
7 AUGUSTUS 2007

VALE GIER VERANDERT IN ROOFVOGEL

Zowel uit Spanje als uit de Franse Pyreneeën komen meldingen dat vale gieren levend vee aanvallen. Dit zou een gevolg kunnen zijn van Europees beleid dat sinds 2002 verbiedt om dood vee te dumpen. Daardoor zouden de gieren te weinig aas kunnen vinden. In juni van dit jaar werden grote groepen vale gieren in Nederland waargenomen.
Een groot gebrek aan voedsel heeft de aaseters waarschijnlijk ertoe gebracht om de overstap naar levend voedsel te maken. Tot nu toe zijn er echter nog geen gezonde dieren gegrepen. Het is niet ongewoon voor gieren om zieke of pasgeboren dieren aan te vallen, maar dit lijkt nu wel steeds vaker voor te komen.
Het voedselgebrek is het gevolg van wetgeving bedoeld om de gekkekoeienziekte (BSE) te bedwingen. In 2002 verbood de Europese Unie het dumpen van karkassen. Die moeten sindsdien door bevoegde bedrijven verwerkt worden. De wetgeving maakte echter ook een einde aan een lange boerentraditie om dode dieren achter te laten voor de gieren. De vale gier is door zijn afhankelijkheid van vee het meest getroffen. De drie andere soorten gieren in Spanje voeden zich met kleine wilde dieren.
Hoewel boeren in Spanje eisen dat het aantal gieren beperkt wordt, is het Spaanse ministerie voor milieuzaken bezig met het opstellen van een wet, gebaseerd op uitzonderingen die toegestaan zijn binnen de Europese regels. De wet zal boeren toestaan om in verafgelegen gebieden gieren te gebruiken om van hun karkassen af te komen.
In feite is de intensivering van de veehouderij de oorzaak van het grote succes van de Spaanse gieren. Tussen 1980 en 2000 nam het aantal broedparen spectaculair toe van 3000 naar 20,000. Dat succes heeft nu zijn top bereikt.

Informatie: www.newscientist.com/article.ns?id=dn11970, www.guardian.co.uk/g2/story/0,,2142938,00.html

lees meer
3 AUGUSTUS 2007

EERSTE BROEDGEVALLEN WITVLEUGELSTERN

In juni en juli zijn in totaal vier broedgevallen vastgesteld van de zeldzame witvleugelstern. De acht jonge sterns in de Krimpenwaard en de Sliedrechtse Biesbosch zijn de eerste die ooit in ons land uit het ei kropen. De waarnemingen werden gedaan door vrijwilligers van SOVON Vogelonderzoek, natuur- en vogelwerkgroep 'De Krimpenerwaard' en door medewerkers van Staatsbosbeheer.
Halverwege mei van dit jaar werden in Nederland meer dan duizend witvleugelsterns (Chlidonias leucopterus) gezien. Groepjes sterns waren onderweg vanuit hun overwinteringsgebieden in Afrika naar de broedgebieden in Oost-Europa. De witvleugelstern is een vogelsoort die ieder jaar in kleine aantallen in ons land wordt gezien, maar niet eerder waren het er zoveel als dit voorjaar. De soort is nauw verwant aan de zwarte stern (Chlidonias niger), een schaarse broedvogel in Nederland.
In enkele waterrijke gebieden bleven witvleugelsterns pleisteren, en vogeltellers hoopten op een broedgeval van deze sierlijke vogel. Eén maal eerder, in 1979, was er een gemengd broedgeval. Twee eieren van een vrouwtje witvleugelstern en een mannetje zwarte stern kwamen toen niet uit.
In de Krimpenerwaard nabij Stolwijk werden in juni zes witvleugelsterns nauwlettend in de gaten gehouden. Op 28 juni werden in een slootkant aan de rand van een kolonie visdieven (Sterna hirundo) twee enkele dagen oude witvleugelsterns gevonden. Een kleine week later bleek een tweede paar ook twee jongen te hebben. Het voedsel voor de jongen bestond uit onder andere regenwormen, visjes en libellen. Op 18 juli vloog één van de jonge vogels voor het eerst boven het gebied.
In de Sliedrechtse Biesbosch werden twee broedgevallen ontdekt aan de rand van een kolonie kokmeeuwen (Larus ridibundus) en visdieven. Op 5 juli werden er voor het eerst twee jonge sterns gezien. Een week later waren er op een nabijgelegen locatie nog twee grote jongen aanwezig en vloog de eerste jonge vogel boven het gebied. Ondanks het vaak regenachtige en winderige in juli werden in totaal minimaal vijf jonge witvleugelsterns vliegvlug.

Informatie: www.sovon.nl/default.asp?id=272
Bron: SOVON Vogelonderzoek

lees meer
2 AUGUSTUS 2007

KIEVITSEIEREN RAPEN BLIJFT TOEGESTAAN

Van de rechtbank Leeuwarden mag de traditie van het zoeken en rapen van kievitseieren in Friesland in stand blijven. Het rapen van kievitseieren voldoet volgens de rechtbank aan de de Europese Vogelrichtlijn en heeft het geen negatief effect op de Friese kievitenpopulatie. De uitspraak is gedaan in een bodemprocedure die Faunabescherming heeft ingesteld.
Om aan te tonen dat het rapen van eieren geen negatief effect op de Friese kievitenpopulatie heeft, gebruikt de provincie het Europese criterium van de Vogelrichtlijn van één procent van de jaarlijkse natuurlijke sterfte, om te waarborgen dat het rapen van kievitseieren geen afbreuk doet aan de Friese kievitenpopulatie. Dit leidde er eerder toe dat het raapseizoen met acht dagen is ingekort: tot en met 31 maart in plaats van tot en met 8 april.
Gedeputeerde Anita Andriesen is verheugd over de uitspraak: ‘We spannen ons samen met de Bond van Friese Vogelbeschermingswachten (BFVW) in om de Friese traditie overeind te kunnen houden. Het eierrapen is onderdeel van een uniek weidevogelbeschermingssysteem. We hebben er vertrouwen in dat onze aanpak de juridische toetsen der kritiek kan doorstaan, maar het is toch elke keer weer spannend.’
Op 15 maart 2006 zag de voorzieningenrechter van de Rechtbank Leeuwarden al geen aanleiding om de ontheffing voor het rapen van kievitseieren te schorsen. In de bodemprocedure heeft de rechtbank vandaag de bezwaren van Faunabescherming ongegrond verklaard en de ontheffing in stand gelaten. Faunabescherming kan nog wel bij de Raad van State in hoger beroep gaan tegen deze uitspraak. Vogelbescherming Nederland heeft intussen haar bezwaren opzij gezet.
De Raad van State gaf begin december 2005 al aan dat kievitseieren rapen niet strijdig hoeft te zijn met de Vogelrichtlijn. De Raad van State erkende het Friese model werd en merkte de BFVW aan als deskundig samenwerkingsorgaan voor weidevogelbeschermers aan wie de provincie een ontheffing mag verlenen.

Informatie: www.fryslan.nl/sjablonen/1/infotype/news/newsitem/view.asp?objectID=23549&page=1
Bron: Provincie Fryslân

lees meer
1 AUGUSTUS 2007

NIEUWE STRATEGIE VOOR SOORTENRIJKE AKKERS

Zes nieuwe methoden om de biodiversiteit op akkerland met wintertarwe te verhogen, geven opvallend goede resultaten. Zo zijn de aantallen van sommige zangvogelsoorten vier keer hoger dan normaal, wanneer een aantal van de methoden gecombineerd worden. Dat blijkt uit een studie van de Britse Royal Society for the Protection of Birds.
Op 36 boerderijen in Engeland en Schotland zijn experimenten uitgevoerd met zes nieuwe beheersmaatregelen. Daaruit bleek onder andere dat het open laten van lapjes grond op akkers - door ze niet in te zaaien met wintertarwe - leidt tot vijftig procent meer kuikens van de veldleeuwerik. Dit lijkt te komen doordat volwassen veldleeuweriken hierdoor een betere toegang krijgen tot plekken waar ze voedsel kunnen vinden en nesten kunnen bouwen. De maatregel was ook voordelig voor andere soorten, zoals vinken en gorzen. De onderzoekers adviseren om de veldjes minstens vijftig meter (liefst zeventig) van de akkerrand te plaatsen, om ze te beschermen tegen predatoren.
Een tweede maatregel was het zaaien van geselecteerde wilde bloemen in de akkerranden. Er werden twee zaadmengsels van wilde bloemen en één met een standaard mengsel getest. Beide mengsels met wilde bloemen zorgden voor een toename van kevers, vlinders en hommels met tachtig procent.
In dit onderzoek werden ook twee nieuwe manieren onderzocht om akkerranden te beheren die doorgaans gemaaid worden. In één experiment werden de randen in maart en april geploegd, zodat zestig procent van de grond open lag. Dit maakte kolonisatie door éénjarige bloemen en insecten mogelijk, en maakte ze bereikbaar voor vogels. In een ander experiment werd er een herbicide gespoten om de meest hardnekkige grassen te onderdrukken. Dit bleek voordelig te zijn voor bloeiende planten, bijen en vlinders.
Er is ook gekeken naar het effect van acht herbiciden die economisch schadelijke akkeronkruiden bestrijden, maar die soorten die waardevol zijn voor de bescherming van vogels, laten staan. Eén herbicide bleek het meest succesvol. Dit resulteerde in hogere dichtheden van insecten.
Ten slotte zijn de meest veelbelovende maatregelen gecombineerd. Open stukken op akkers, samen met open veldranden, ingezaaid met wilde bloemen zorgden voor een viervoudige toename van drie vogelsoorten: veldleeuwerik, gele kwikstaart en geelgors.

Bron: Royal Society for the Protection of Birds

Zie ook: rapport

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk