homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

31 JULI 2007

WAT MAAKT NATUURBEHEER IN STAD SUCCESVOL?

Wanneer Europese steden aan natuurbeheer doen, dan is dat vaak ad hoc, versnipperd en kleinschalig. Het Gewest Brussel heeft laten onderzoeken welke factoren in de praktijk juist leiden tot succes. Dit blijkt vooral af te hangen van duidelijk beleid, grote betrokkenheid en integratie met economie en samenleving.
De milieu- en natuurafdeling van het Gewest Brussel, heeft een onderzoek uit laten voeren naar hoe andere Europese steden met biodiversiteit omgaan.
Voor het onderzoek werden 27 Europese hoofdsteden en steden met meer dan een half miljoen inwoners bekeken. Meer dan 32 steden bleken Natura 2000 gebieden te hebben. Daar bevindt zich 40 procent van de bedreigde biotooptypen van de EU-Habitatrichtlijn, de helft van het aantal vogels en een vierde van het aantal vlinders van de Vogel-en Habitatrichtlijn. Natuur in de stad is ecologisch gezien dus niet van geringe waarde.
Volgens de onderzoekers kunnen de volgende factoren ertoe leiden dat natuur succesvol in de stedelijke planning wordt opgenomen.
Allereerst blijkt het belangrijk te zijn om te weten welke (potentiële) natuurwaarden in een stad aanwezig zijn, en om deze informatie toegankelijk te maken voor derden. Steden met goed natuurbeleid hebben bovendien een duidelijke visie over welke natuur ze willen hebben, die is vertaald in meetbare doelstellingen, en die onderhandeld en aanvaard is door andere belanghebbenden. Daarnaast zijn biodiversiteits-doelstellingen volledig geïntegreerd in bestemmings-en ontwikkelingsplannen, en is er een duidelijke regelgeving. De verschillende belanghebbenden krijgen ook de nodige praktische handleidingen, ondersteuning en aanmoedigingen om maatregelen uit te voeren.
Noodzakelijk is de politieke wil om economische, sociale en ecologische aspecten gelijkwaardig te behandelen. Daar waar biodiversiteit als deel van de oplossing gezien wordt, en niet als beperking, slagen steden er tevens in om de woonkwaliteit te verbeteren.
Ten slotte hangt succes af van de betrokkenheid van alle actoren. Vaak is er in het begin aanmoediging en ondersteuning nodig vanuit de overheid, maar wanneer alle stakeholders betrokken zijn kan, volgens de onderzoekers, gezamelijk veel meer bereikt worden dan de overheid ooit hoopt te kunnen.



Zie ook: rapport

lees meer
30 JULI 2007

KLEI AFGRAVEN VERDUBBELT AANTAL WEIDEVOGELS

Natuurmonumenten gaat bij Harlingen in Friesland veertig hectare weideland afgraven. De organisatie wil het gebied zo geschikt maken voor grutto's en tureluurs. Bij een soortgelijk project bij Groningen verdubbelde het aantal broedende weidevogels. De klus zal zo'n zes jaar in beslag nemen.
Omdat de voormalige zandwinput wordt begrensd door de autoweg A31 en landbouwgronden, kan Natuurmonumenten niet het grondwaterpeil verhogen om de omstandigheden voor weidevogels te verbeteren. Daarom graaft de eigenaar nu de grond af. Met name de grutto zou daar baat bij hebben. Als de klei is verwijderd, worden de graszoden teruggebracht.
Met de kleiopbrengst kan vijfentachtig procent van de kosten worden betaald, schat projectleider Roelof Schuiling van Natuurmonumenten. Naar verwachting moet zo'n 350.000 kubieke meter klei worden afgevoerd. Dit zal worden hergebruikt voor het verzwaren van zeedijken. Bovendien heeft een aardewerkfabriek interesse getoond in de klei.
‘We werken met gesloten beurzen. Het totale bedrag is dus onduidelijk’, zegt Schuiling. In ieder geval is er €140.000.- nodig voor zaken als archeologisch onderzoek en nieuwe dammen en hekken. De provincie draagt bij aan deze herinrichtingskosten. Rijkswaterstaat legt een parkeerplaats aan, van waaruit een wandelpad leidt naar een nieuw te bouwen vogelhut.
Aan de oostkant van het Hegewiersterfjild zullen grondwerkers ook nog vijf hectare afgraven. Sloten worden omgevormd tot brede slenken, zodat een kunstmatig kweldergebied ontstaat waar scholeksters en kluten kunnen foerageren.

Bron: Leeuwarder Courant

lees meer
27 JULI 2007

EENVIJFDE VAN DE ZWEEFVLIEGEN GAAT ACHTERUIT

Ruim twintig procent van de Nederlandse zweefvliegen (Syrphidae) is de afgelopen jaren sterk achteruit gegaan. Met name de soorten van laagveengebieden met goed schoon water doen het slecht. Dat bleek onlangs tijdens een bijeenkomst van Natuurmonumenten.
De belangrijkste reden voor de achteruitgang in laagveengebieden is de vermesting waardoor bloemenrijkdom en waterkwaliteit achteruit zijn gegaan. Zweefvliegen genieten in Nederland echter geen bescherming en er wordt bij het (natuur-)beheer niet speciaal rekening mee gehouden. Dat terwijl Nederland een internationale verantwoordelijkheid heeft voor deze soorten: op Europese schaal komen ‘laagveen-zweefvliegen’ met name in ons land voor. In het buitenland staan er veel van op de Rode Lijst.
Om meer aandacht te krijgen en vooral om inzicht te krijgen in de verspreiding en de ‘toestand’ van de zweefvliegen zijn totaal 400.000 waarnemingen verzameld (waaronder uit het jaar 1863) en tot een verspreidingsatlas verwerkt. Het monumentale werk komt medio 2008 uit en wordt uitgegeven door EIS-Nederland (European Invertebrate Survey) en Naturalis.
Nederland telt 328 soorten zweefvliegen. De volwassen dieren leven van nectar, en de larven – afhankelijk van de soort - van bacteriën in het water, bladluizen, planten of bacteriën en schimmels in het hout, en het hout zelf. De larven van laagveensoorten zoals de kortspriet, korsetzweefvlieg en het moeras-glimlijfje leven voornamelijk in het water. Met de houtbewonende soorten zoals de doodskopzweefvlieg (zie foto) gaat het goed, met name door de toename van bos en het natuurlijk bosbeheer.
Zweefvliegen zijn zeer veelvormig en maken gebruik van mimicry; ze lijken op ‘gevaarlijke’ dieren zoals bijen of wespen en schrikken zo predatoren af. Zweefvliegen hebben echter niet vier maar twee vleugels en kunnen in tegensteling tot bijen en wespen stil hangen in de lucht en razendsnel accelereren. Dat gaat niet vanzelf; sommige soorten maken 300 vleugelslagen per seconde.


lees meer
26 JULI 2007

KONIJNEN IN DE DUINEN HERSTELLEN ZICH

Vooral in de duinen lijken de konijnenpopulaties zich de laatste paar jaar goed te herstellen. Dat meldt het Milieu-en Natuurcompendium. Konijnen waren in de tweede helft van de twintigste eeuw sterk achteruitgegaan, waardoor de vergrassing en verstruiking van de duinen toenamen en de biodiversiteit afnam.
Door de ziekte myxomatose zijn konijnen na 1954 sterk achteruitgegaan in de duinen. Na een aanvankelijk herstel neemt het aantal konijnen sinds 1990 verder af, onder meer in de duinen van Noord-Holland, waar het aantal tussen 1990 en 2003 met meer dan 70% afnam. De oorzaak van deze recente afname is een andere konijnenziekte: het viraal haemorrhagisch syndroom (VHS), ook wel aangeduid met rabbit haemorrhagic disease (RHD). De laatste twee jaar lijkt er in de duinen een herstel van de populatie op te treden. Ook de landelijke trend van het konijn laat dat herstel zien.
Voorheen hielden konijnen de begroeiing in de duinen kort, maar inmiddels is de stand zo laag dat er slechts lokaal nog enige invloed is op de vegetatie. De biologische diversiteit van grasland blijkt positief gecorreleerd te zijn met de aanwezigheid van konijnen. Ook versterkt de achteruitgang van het konijn de vergrassing en verstruiking van de duinen. Als vergrassing en verstruiking eenmaal op gang komen, kunnen konijnen deze nauwelijks meer terugdringen.
Enkele duinbeherende instanties tellen in het voor- en najaar op vaste routes enkele keren per jaar de konijnen. De landelijke gegevens zijn ontleend aan het landelijke meetnet dagactieve zoogdieren van het Netwerk Ecologische Monitoring.

Informatie: www.mnp.nl/mnc/i-nl-1129.html
Bron: Milieu- en Natuurcompendium

lees meer
25 JULI 2007

GEEN HARDE NATUURGRENZEN VOOR WADDENZEE

De Raad voor de Wadden adviseert om geen harde grenzen te stellen aan het menselijk gebruik van de Waddenzee. In plaats daarvan zou een veiligheidsmarge gehanteerd moeten worden om de toelaatbaarheid van activiteiten te beoordelen. Dat schrijft de Raad in een rapport dat is opgesteld in opdracht van het Minsterie van LNV.
De zogenaamde natuurgrens is eerder al toegepast bij de besluitvorming over de gaswinning onder de Waddenzee. Het is een grens die door de natuur aan het menselijk gebruik worden gesteld, en geen grens die aan de natuur worden gesteld. De Raad voor de Wadden heeft verschillende belangengroeperingen, ondernemers en wetenschappers uitgenodigd om hun oordeel hierover te geven.
De behoefte aan harde natuurgrenzen bleek bij niemand aanwezig. Bovendien zegt de Raad dat het stellen van harde grenzen wordt bemoeilijkt doordat de Waddenzee een zeer dynamisch ecosysteem is dat continu verandert. Ook zijn er volgens de natuurwetenschap nog veel onduidelijkheden over het functioneren van het waddenecosysteem, waardoor een zekere veiligheidsmarge in acht moet worden genomen bij het toelaten van activiteiten in het gebied.
De Raad adviseert om de natuurgrens als een bandbreedte te beschouwen, waarbinnen de effecten van activiteiten op de natuur onzeker zijn. Als effecten van activiteiten zich binnen deze marge begeven, moet de initiatiefnemer maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat effecten weer in het veilige traject terechtkomen. Hiermee wordt op een verantwoorde manier omgegaan met de onzekerheden die er onvermijdelijk zijn bij de bepaling van effecten van activiteiten op het ecosysteem. Door de voorgestelde bandbreedte van duidelijke grenzen te voorzien, krijgt het bedrijfsleven duidelijkheid én wordt er een veiligheidsmarge ingebouwd die vanuit natuurbelang gewenst is. Binnen de bandbreedte kan ook veilig de ruimte worden geboden voor innovaties, adaptief beheer en experimenten waarmee de kennis over het ecosysteem vergroot wordt. De grenzen zullen periodiek moeten worden herzien op basis van nieuwe inzichten, of op basis van gewijzigde omstandigheden.
De Raad stelt ook dat de overheid verantwoordelijk is voor de kennisopbouw rond de basisfuncties van het waddenecosysteem. Deze kennis moet vervolgens vrij toegankelijk zijn voor iedereen. Natuurgrenzen worden in hoge mate bepaald door maatschappelijke en politieke opvattingen. Daarom zal volgens de Raad ook het nodige socio-economische onderzoek in het Waddengebied plaats moeten vinden.

Bron: Persbericht Raad voor de Wadden

Zie ook: rapport

lees meer
24 JULI 2007

TOPJAAR KERKUIL DANKZIJ VELE VELDMUIZEN

De kerkuil beleeft een van de meest succesvolle broedseizoenen van de laatste decennia. Dat zegt Anton Meenink, coördinator van Kerkuilenwerkgroep Achterhoek-Noord. De zachte winter heeft geleid tot een groot aantal veldmuizen, en daar profiteert de kerkuil waarschijnlijk van. Exacte cijfers komen later dit jaar beschikbaar.
‘Ik heb in 2007 al vijfhonderd jonge kerkuilen geringd’, zegt Meenink. ‘Dat heb in mijn functie als vogelringer van de Nederlandse Ornithologisch Unie nog niet eerder meegemaakt.’
De werkgroep Achterhoek-Noord bestrijkt een groot gebied tussen Zutphen en Borculo. Daar kunnen de kerkuilen kiezen uit 450 nestkasten. Meenink schat dat daarvan zo'n dertig procent is bezet. ‘Er zijn opvallend veel grote legsels bij dit jaar, gemiddeld komen we op zeker drie, misschien wel vier jongen per nest.’
Bert Hanekamp, controleur bij de Kerkuilenwerkgroep Veluwe, ziet ook dat de kerkuil in topconditie is. ‘Had ik in 2006 maar vier nesten, halverwege juni had ik er al twaalf.’ Op een grotere tijdschaal gezien Hanekamp denkt wel dat de kerkuilenstand gewoon op en neer gaat met de muizenstand. Door de late sneeuwval in februari 2006 stortte de muizenpopulatie in. Het aantal broedende kerkuilen daalde vervolgens met vijftig procent. ‘De bos- en steenuilen hebben een breder voedselpakket. Die komen niet gauw tekort. Maar de kerkuil is een voedselspecialist, die is afhankelijk van veldmuizen en spitsmuizen. In een strenge winter sterven ze bij bosjes’, aldus Hanekamp.
‘Het is een uitzonderlijk goed muizenjaar’, zegt Meenink. Hij denkt dat het te heeft met de zachte en droge winter van 2006-2007. ‘De kerkuilen begonnen vier á zes weken eerder dan normaal met broeden. Daardoor vliegen nu al overal jonge uilen rond. Hoe meer voedsel het mannetje aandraagt, hoe meer eieren het vrouwtje legt.

Informatie: www.destentor.nl/lochem/article1648912.ece, www.destentor.nl/veluwewest/article1661305.ece

lees meer
23 JULI 2007

BEDRIEGLIJKE STABILITEIT VAN DE SCHORREN

Beheerders van de schorren langs de Nederlandse kust moeten er rekening mee houden dat sommige soorten bij een bepaalde drempelwaarde van de waterstand plotseling kunnen verdwijnen. Dat is een van de conclusies die biologe Bregje van Wesenbeeck trekt in haar promotieonderzoek naar Engels slijkgras.
Engels slijkgras Spartina anglica is een soort die voorkomt in het getijdengebied dat tweemaal daags wordt overstroomd door de zee. De pionier kan zijn omgeving ingrijpend veranderen, en wordt daarom ook wel een ecosystem engeneer genoemd. De plant remt de waterstroming zodat kleine sedimentdeeltjes neerdalen in de pol. Deze deeltjes hogen de bodem op, waardoor Engels slijkgras bij vloed minder lang onder water staat. Hierdoor overleeft het beter, en ontstaan er schorren. Van Wesenbeeck onderzocht wat de gevolgen zijn van ecosystem engeneering op de dynamiek en ruimtelijke structuur van ecosystemen.
De pollen op het slik zijn vaak ongelijk verdeeld. Eén van de mogelijke oorzaken blijkt de interactie met de wadpier (Arenicola marina). Deze soort wordt in de pionierzone van schorren gevonden, maar op een schaal van een vierkante meter komt hij zelden samen met Engels slijkgras voor. Daar waar Engels slijkgras de bodem slibberiger maakt door sedimentdeeltjes in te vangen, verwijdert de worm het slib juist uit het systeem.
Een ander opvallend resultaat is dat pollen van het slijkgras scherpe overgangen vertonen naar het omliggende sediment en bijna altijd aanwezig zijn in grote hoeveelheden. Met experimenten toont Van Wesenbeeck aan dat er geen graduele overgang is van vegetatie met hoge biomassa naar vegetatie met lage biomassa, omdat de soort onder een bepaalde drempelwaarde van biomassa niet kan overleven.
‘Bij het beheer van onze kustgebieden moeten deze effecten meegenomen worden’, stelt Van Wesenbeeck. Omdat de vegetatie in zijn verspreiding geen gradiënten in dichtheid laat zien, kunnen de gevolgen van een veranderende waterstand plotseling optreden, omdat ze de hele vegetatie ineens beïnvloeden. ‘Het kan betekenen dat er bij de eerste centimeters stijging niets te merken of te meten is aan de vegetatie, maar dat de planten bij tien centimeter extra zeewater plotseling verdwijnen.’

Informatie: www.nioo.knaw.nl
Bron: Persbericht NIOO-KNAW

lees meer
20 JULI 2007

'LANDSCHAP NEDERLAND WORDT LELIJKER'

Een meerderheid van bijna 60 procent van de Nederlanders denkt dat het landschap in de komende vijf jaar lelijker wordt. Dat blijkt uit een rapport dat TNS Nipo heeft opgesteld in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Minister Gerda Verburg heeft het rapport maandag naar de Tweede Kamer gestuurd.
De bewindsvrouw heeft de representatieve steekproef laten uitvoeren om erachter te komen hoe Nederlanders denken over zaken als landschap, natuur, milieu, dierenwelzijn en agrarisch ondernemerschap. Twee op de tien geënquêteerden is positief gestemd over de toekomst van het landschap in Nederland. Zij denken dat de schoonheid zal toenemen. Een kwart denkt dat de schoonheid van het landschap ongeveer gelijk blijft. Stedelingen geven zich vaker over aan sombere toekomstbespiegelingen wat betreft het landschap dan mensen die op het platteland wonen.
De onderzoekers hebben ook gevraagd naar wie het best en wie het slechtst omgaat met het landschap. De Vereniging Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer hebben het beste imago. Negen op de tien Nederlanders vindt dat deze organisaties goed omgaan met het landschap. De boeren hebben een bijna even goed imago. De lokale, regionale en landelijke overheden scoren aanzienlijk minder, maar wel een stuk beter dan het bedrijfsleven en de projectontwikkelaars. Deze hekkensluiters gaan volgens bijna 80 procent van de geënquêteerden slecht om met het landschap.
Het idee om boeren geld te geven voor natuuronderhoud en behoud van karakteristieke landschappen valt in goede aarde bij negen op de tien ondervraagden. De agrarische sector roept sowieso warme gevoelens op bij de gemiddelde Nederlander. Zo onderschrijft 83 procent de stelling 'Ik draag de Nederlandse boeren een warm hart toe'.

Informatie: www.tweedekamer.nl/nieuws/anp_nieuws/anpnieuws.jsp?open&file=0000FFCA
Bron: Persbericht ANP

lees meer
19 JULI 2007

NIEUWE NATUUR HELPT GELDERSE ECONOMIE

Recreatie en toerisme in de Gelderse Poort - in de driehoek Arnhem, Nijmegen, Lobith - groeien sneller dan in de rest van Nederland. Dat is toe te schrijven aan de natuurontwikkeling in dat gebied. Introductie van het edelhert als publiekstrekker kan een extra impuls geven. Dat stellen onderzoekers van het instituut Alterra in een nieuw rapport.
De ontwikkeling van nieuwe natuur in gebieden als de Ooijpolder en de Millingerwaard is niet alleen goed voor de natuur zelf. Ook de lokale economie lijkt ervan te profiteren, en dat komt economisch gezien goed uit. Het areaal landbouwgrond is in deze regio, ondermeer door de uitbreiding van bebouwing, infrastructuur en natuurontwikkeling, afgenomen.
De onderzoekers namen verschillende positieve trends waar. Zo zijn er in de Gelderse Poort meer agrarische bedrijven die iets doen met recreatie of natuur- en landschapsbeheer, dan het landelijk gemiddelde. Het aantal banen is bovendien in de gemeenten Millingen en Ubbergen tussen 2000 en 2005 gestegen, ook toen de werkgelegenheid in de rest van Gelderland afnam.
Daarnaast is het aantal overnachtingen in deze regio sneller gestegen dan het landelijk gemiddelde. In 2004 kwam dat neer op 65.000 overnachtingen. Fietsen, wandelen en andere routegebonden activiteiten werden in 2004 ruim 600.000 keer ondernomen. Ook de inkomsten bleven niet achter. In datzelfde jaar gaven recreanten die niet overnachtten 17 miljoen euro uit, wat resulteerde in 200 arbeidsplaatsen. Toeristen die overnachtten gaven 6 miljoen euro uit, goed voor 90 arbeidsplaatsen. De omzet en werkgelegenheid die de natuurontwikkeling opleverde, compenseerde de afnemende economische betekenis van de landbouw.
De Gelderse Poort is niet alleen een prettig gebied geworden om de vrije tijd in door te brengen, maar ook om er te wonen. Zo blijken burgers uiterwaarden met nieuwe natuur aantrekkelijker te vinden dan zonder, vooral wanneer de dynamiek van de rivier te zien is. De onderzoekers vermoeden dat deze waardering ook terug te vinden is in de huizenprijzen. In de gemeenten Millingen en Ubbergen zijn de huizenprijzen in de laatste jaren relatief snel gestegen.
De introductie van het edelhert kan extra publiek opleveren. Het toerisme draait pas op volle toeren, schrijven ze, als er een goede promotie is van het gebied. Het edelhert kan daar een belangrijke rol in spelen.



Zie ook: rapport

lees meer
18 JULI 2007

ONVOLDOENDE GELD VOOR EHS

Er is onvoldoende geld om de noodzakelijke milieukwaliteit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in 2027 te realiseren. Als het huidige financiële beleid wordt voortgezet is er een tekort van 2,3 miljard euro. Dat blijkt uit het onlangs verschenen rapport van de stuurgroep Milieutekorten, die ingesteld is door de provincies, waterschappen, en de Ministeries van LNV, VROM en V&W.
Als het huidige financiële beleid wordt voortgezet, is er tot 2027 twee miljard euro beschikbaar.
Daarmee kan de EHS-opgave voor driekwart van het gebied worden gerealiseerd. Voor het resterende kwart is nog eens 2,3 miljard euro nodig, meldt het rapport van de stuurgroep.
De stuurgroep heeft op landelijk niveau een beeld geschetst van de kosten voor de realisering van de noodzakelijke milieukwaliteit van de EHS en de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (VHR). Ook zijn de financieringsmogelijkheden in kaart gebracht. De aanleiding voor het onderzoek was de rapportage uit begin 2006 van de Commissie Verheijen, die meldde dat er binnen het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) naar verwachting een tekort aan financiële middelen is om de doelstelling ‘realisatie milieukwaliteit EHS en VHR’ te kunnen waarmaken.
Bij het afsluiten van de ILG-contracten tussen de twaalf provincies en de minister van LNV, eind 2006, is afgesproken aan de slag te gaan met de beschikbare financiële middelen en gedurende de uitvoering te bezien in welke mate aanvullende middelen nodig zijn. De stuurgroep geeft daarvoor nu een indicatie. De totale gebiedsgerichte kosten voor de realisering van de gewenste milieucondities in de EHS (inclusief de VHR-gebieden) worden geschat op 4,3 miljard euro, waarvan 2 miljard euro voor maatregelen tegen verdroging en 2,3 miljard euro voor maatregelen tegen verzuring. Er is nog geen zicht op de kosten van de aanpak van de vermestingproblematiek.
De stuurgroep heeft mogelijkheden geïnventariseerd voor kostenreductie, met behoud van de oorspronkelijke doelstelling met betrekking tot arealen en doelsoorten. Dit betreft het bundelen van versnipperde natuurgebieden tot grotere ruimtelijke eenheden, meer integraal werken en gebieden waar de gewenste milieukwaliteit niet of alleen tegen zeer hoge kosten kan worden gerealiseerd waar mogelijk vervangen door gebieden waar dit goedkoper kan. Andere mogelijkheden die de stuurgroep noemt zijn meer tijd nemen voor de uitvoering en het verlagen van de ambitie. De ruimte daarvoor wordt echter mede bepaald door internationale verplichtingen.

Bron: Persbericht Interprovinciaal Overleg

Zie ook: rapport

lees meer
17 JULI 2007

VOGELZANG AAN MODE ONDERHEVIG

Wanneer het lente is, en tijd voor de witkruingorzen om te paren, dan zoeken de vrouwtjes van deze Noord-Amerikaanse vogelsoort een mannetje dat een liefdeslied zingt. Maar dan wel een die de nieuwste versie van het liefdeslied zingt. De variatie aan melodieën die binnen een soort bestaat, of die in de loop van de tijd ontstaat, kan dan ook een rol spelen in de natuurlijke selectie. Dat stellen onderzoekers in het tijdschrift Evolution.
Biologe Elizabeth Derryberry van Duke University speelde twee versies af van de zang van de witkroongors ( Zonotrichia leucophrys ) temidden van de vogels. Ze ontdekte dat een opname uit 1979 de vogels lang niet zo veel inspireerde als een opname uit 2003. ‘Niet dat ze helemaal niet reageerden,’ zegt Derryberry, ‘het is gewoon niet even interessant voor ze.’
Tussen de twee versies van het lied bestonden slechts subtiele verschillen. De melodie uit 1979 begint met een hogere fluittoon en eindigt met een trilling die sneller is dan die uit 2003.
De vrouwtjes hadden duidelijk een voorkeur voor het nieuwere lied. In een test in het laboratorium brachten ze bij het horen van het nieuwste lied hun staart en snavel omhoog, en wenkten ze met hun vleugels. Wanneer het ze echt beviel, begonnen ze zelfs te dansen voordat het lied voorbij was.
Om te zien hoe de mannetjes reageren op de verschillende melodieën, werd het lied in het veld ten gehore gebracht. Om te zien in hoeverre de verschillende melodieën als bedreigend ervaren worden bij het betreden van het territorium, plaatste Derryberry de luidspreker in het midden van twintig territoria, en bekeek hoe dicht ieder mannetje de luidspreker naderde. Het lied uit 1979 bleek minder bedreigend te zijn voor de territoriale mannetjes, dan de versie uit 2003.
Evolutionair biologen vragen zich al enige tijd af waarom de zang van een bepaalde soort sterk van populatie tot populatie kan verschillen. Het werk van Derryberry laat nu zien dat de melodieën ook in de tijd kunnen veranderen. Bovendien, denkt ze, kan de selectieve manier waarop de vogels ermee omgaan, onderdeel zijn van een subtiel proces waardoor een vogelsoort verandert in twee vogelsoorten.

Bron: Persbericht Duke University

lees meer
16 JULI 2007

NIEUWE ZEENAAKTSLAK IN NEDERLAND

In de Nederlandse kustwateren is op twee locaties een exemplaar van de zeenaaktslak Doto hydrallmaniae aangetroffen. Omdat daarmee aannemelijk is dat hij op meerdere plaatsen voor de kust voorkomt, kan gesteld worden dat Nederland een zeenaaktslak rijker is. De lijst van de Nederlandse zeenaaktslakken komt daarmee op vijftig soorten. Dat meldt de stichting Anemoon op haar website.
De eerste zeenaaktslak Doto hydrallmaniae , die behoort tot de familie van de kroonslakken, werd op 4 mei gevonden door Peter van Bragt in het zuidwestelijke deel van de Oosterschelde. Hij stuitte daar op een klein exemplaar van een kroonslak (Dotidae) met een eisnoer op de gekromde zeeborstel (Hydrallmania falcata). Van de kroonslakken is bekend dat ze zeer specifiek zijn in hun voedselkeuze. Zo wordt de roodgevlekte kroonslak (Doto coronata) hoofdzakelijk op zeecypres (Sertularia cupressina) gevonden, en de trage kroonslak (Doto fragilis) specifiek op haringgraat (Halecium halecinum). Het was ook bekend dat er kroonslakken kunnen voorkomen op gekromde zeeborstel, die nog niet eerder op de Nederlandse kust zijn aangetroffen. Dat bleek bij de vondst van Van Bragt het geval. Enige tijd later, in het hemelvaartsweekend, werd ook op Texel een kroonslak op gekromde zeeborstel aangetroffen, die net als in de Oosterschelde een Doto Hydrallmaniae blijkt te zijn.
Omdat Doto hydrallmaniae nu ook in de Nederlandse kustwateren voorkomt, verdient hij volgens Van Bragt ook een Nederlandse naam. Hij stelt voor deze soort 'zeeborstelkroonslak' te noemen.

Informatie: www.anemoon.org/anemoon/spuisluis/doto-hydrallmaniae-de-50ste-nederlandse-zeenaaktslakkensoort
Bron: Stichting Anemoon

lees meer
13 JULI 2007

‘KRITIEK AGRARISCH NATUURBEHEER ONTERECHT’

Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) schildert de resultaten van het agrarisch natuurbeheer niet alleen veel te negatief af, ook wordt ten onrechte gesuggereerd dat het met vergelijkbare natuur in natuurgebieden veel beter gaat. Daarom is de aanbeveling om de doelen en werkingssfeer van het agrarisch natuurbeheer drastisch in te perken, onterecht en erg eenzijdig. Dit zeggen Natuurlijk Platteland Nederland (NPN) en LTO Nederland.
De organisaties reageren op de MNP-evaluatie van de ecologische effecten van de subsidieregelingen voor natuurbeheer. Een van de conclusies is dat de regeling voor agrarisch natuurbeheer weinig effectief en niet duurzaam is. Op basis van het onderzoeksmateriaal had deze conclusie echter nooit getrokken mogen worden, vinden NPN en de werkgroep Agrarisch Natuurbeheer van LTO.
Het onderzoeksmateriaal, dat zich concentreert op het weidevogelbeheer, laat zien dat zowel in landbouwgebied als natuurgebied de doelen van de regeling worden gehaald, maar dat de weidevogels niettemin achteruit gaan, in natuurgebieden net zo hard als in de landbouwgebieden. Dat daarmee de landelijke natuurdoelen niet worden gehaald, is volgens NPN en LTO een probleem van de regelingen en niet van de beheerders, en kan dus niet worden toegeschreven aan één bepaalde vorm van natuurbeheer. Maar in plaats van de pijlen te richten op verbetering van de regelingen, richt het MNP ze op de kwaliteit van het agrarisch natuurbeheer.
Ook de conclusie ten aanzien van de duurzaamheid is geheel uit de lucht gegrepen, vinden NPN en LTO. De conclusie van het MNP dat boeren vaak al na een paar jaar hun overeenkomst beëindigen, is gebaseerd op de drastische stelselwijziging die in 2000 is doorgevoerd. Toen hebben veel deelnemers hun oude overeenkomst niet ‘omgezet’. Daar staat tegenover dat de nieuwe regelingen - waarop de evaluatie betrekking heeft - een vliegende start hebben gemaakt. Op dit moment ligt de taakstelling op schema en worden jaarlijks slechts enkele procenten van de overeenkomsten beëindigd. Gezien de vele wijzigingen die na 2000 nog in de regelingen zijn doorgevoerd, is dus juist sprake van een sterke 'regelingstrouw'.
Het rapport van het MNP komt op een moment dat er hard wordt gewerkt aan een effectiever weidevogelbeheer. In 2006 zijn er nieuwe afspraken gemaakt tussen alle betrokken partijen over het stoppen van de achteruitgang. In 2007 is een groot praktijkexperiment gestart met nieuwe vormen van beheer. Het MNP gaat hieraan geheel voorbij en plaatst zich daarmee in de achterhoede van de discussie. Het rapport komt ook op een moment dat minister Verburg een nieuwe visie op natuurbeheer opstelt. LTO en NPN vinden de conclusies geen geschikte bouwstenen voor die toekomstvisie De organisaties zullen de minister binnenkort ook zelf bouwstenen voor haar toekomstvisie aanleveren.

Bron: Persbericht LTO en NPN

lees meer
12 JULI 2007

BIJVOEREN HELPT PLATTELANDSVOGELS

Zangvogels op het platteland kunnen geholpen worden door ze ‘s winters bij te voeren. Dat blijkt uit twee grootschalige experimenten op boerenland in Groot-Brittannië. Of de maatregel effectief is, hangt af van het tijdstip en de omstandigheden. De studie is verschenen in de Journal of Applied Ecology.
Uit het Britse onderzoek blijkt dat ’s winters bijvoeren met zaad bij sommige soorten zangvogels zorgt voor een minder grote afname van de populatiegrootte. De onderzoekers vergeleken hiervoor drie jaar lang meer dan honderd agrarische stukjes land, een deel mét en een deel zonder bijvoeren in de winter. Daaruit kwam niet naar voren dat bijvoeren leidt tot populatiegroei, maar in sommige gevallen wel tot vermindering van de afname van de populatiegrootte.
Zo werd op terreinen waar vier keer meer voedsel werd neergelegd dan op de meeste andere bijvoerplaatsen de afname geremd van het aantal heggenmussen, roodborsten en geelgorzen. Ook was er een grote variatie in het daadwerkelijke gebruik van het voedsel, en dus in de hoeveelheid zaad die de vogels binnenkregen. Bij de geelgors, de heggenmus, de vink, de rietgors en de huismus bleek dat wanneer zij vaker gebruikmaakten van het extra voedsel, de afname van de populatiegrootte nog sterker werd geremd.
Dit bewijst voor deze soorten dat het voedselaanbod in de winter een belangrijke beperking vormt, aldus de onderzoekers. Daarnaast laat het zien dat de effectiviteit van het bijvoeren afhankelijk is van de timing waarmee dat plaatsvindt. De onderzoekers stellen dat het zaad in de juiste hoeveelheden gegeven moet worden op momenten dat er het meest behoefte aan is.
Uit het onderzoek blijkt dat de vogels aan het eind van de winter het meest gebruikmaakten van het voedsel. Britse voorschriften voor agrarisch natuurbeheer houden hier volgens de wetenschappers onvoldoende rekening mee. Het is bijvoorbeeld toegestaan om in februari de stoppelvelden - met plantenresten die overblijven na de oogst - te ploegen.
Ten slotte denken de onderzoekers dat het verspreid en verdekt neerleggen van het voedsel het de vogels niet makkelijker maakt het voedsel te vinden. Aan de andere kant zou het wel de concurrentie met andere dieren zoals ratten en herten verminderen, ten opzichte van het aanbieden op grote hopen. Nieuw onderzoek moet duidelijk maken wat de optimale omstandigheden zijn.

Informatie: www.blackwellpublishing.com/jpe

lees meer
11 JULI 2007

STADSBOMEN GEBAAT BIJ BURGERPARTICIPATIE

In de laatste tien jaar is het aantal klachten over bomen in de stad toegenomen, evenals het aantal initiatieven om ze te behouden en aan te planten. Voor een beter behoud van de bomen zou de overheid burgers erbij moeten betrekken en ze beter informeren. Dat blijkt uit een onderzoek van de Wetenschapswinkel van Wageningen UR.
De Wageningse Wetenschapswinkel onderzocht de oorzaken van de veranderende houding van burgers ten opzichte van bomen in de stad, met behulp van een aantal casussen en een enquête onder 64 gemeenten. De meerderheid van de mensen erkent het belang van natuur in de stad, allereerst als decor voor het dagelijks handelen. Degenen die meer nadruk leggen op andere waarden, zoals ecologie, gezondheid, of educatie, zijn vaak actiever in het behoud van bomen. Mensen wegen deze waarden wel af tegen overlast die bomen kunnen veroorzaken en tegen andere functies die ruimte vergen. Als burgers mogen kiezen, wordt voor bomen gekozen die zo min mogelijk hinder veroorzaken, of zelfs voor een andere inrichting van de ruimte, bijvoorbeeld met parkeerplaatsen.
Een deel van de toename van klachten over bomen bij gemeenten wordt veroorzaakt door de toegenomen mondigheid van de burger en door de vergrote klantgerichtheid van gemeenten. Bij veel burgers heerst onvrede over het functioneren van de gemeenten, vooral omdat ze geen consequent beleid voeren.
Uit het onderzoek blijkt dat er geen eenduidig recept is voor succesvol behoud van bomen in de stad. Initiatieven kunnen een succes worden door acties van gemeenten, intermediaire organisaties, individuele burgers of burgerorganisaties. Dit kan bijvoorbeeld door solistisch optreden van de gemeente, of juist door samenwerking tussen gemeente en bewoners en door burgeracties. Van belang hierbij is: kennis opbouwen (van bomen en procedures), consequent handelen (beleid en bezwaren) en enthousiasme genereren. Het is zinvol om burgers meer informatie te geven over de waarden en functies van bomen in de stad, de wijze waarop gemeenten en bewoners bomen en groen kunnen onderhouden en hoe bomen door bewoners gebruikt kunnen worden (eronder zitten, er in spelen, ervan oogsten). Om de binding van bewoners aan de bomen in de stad te vergroten, moet deze informatie zo concreet mogelijk zijn en toegespitst op de specifieke situatie, versterkt door mogelijkheden voor participatie in inrichting en onderhoud door bewoners.

Informatie: www.wur.nl/NL/onderzoek/Wetenschapswinkel/
Bron: Persbericht Wageningen UR

Zie ook: rapport

lees meer
10 JULI 2007

‘PLATTELANDSBELEID BERUST OP MISVERSTAND’

Omdat boeren massaal stoppen komt er veel ruimte vrij voor natuur, denken velen. Maar de praktijk is anders, zegt Leo Lamers in zijn boek Het Grote Groene Misverstand, dat hij op vrijdag 6 juli presenteerde. De Nederlandse overheid baseert haar beleid voor het platteland op een volledig verkeerd beeld van de processen die gaande zijn in het landelijk gebied. Daardoor staan natuur en landschap onder druk.
Steeds meer boeren stoppen met hun bedrijf, onder druk van een strenger milieubeleid, de afschaffing van landbouwsubsidies en concurrentie van goedkoper producerende landen. Uit vrees voor lege weilanden en verpauperde plattelandsdorpjes willen overheid, burgers, wetenschappers en boeren de landbouw redden met nieuwe functies zoals boerencampings en zorgboerderijen. Maar dat is nergens voor nodig, zegt Lamers, adviseur Groene Ruimte bij Arcadis, in zijn boek. Want schijn bedriegt. Het platteland loopt helemaal niet leeg. Sterker nog, de Nederlandse landbouw is en blijft groot door schaalvergroting en intensivering.
Lamers wil met het Grote Groene Misverstand de ‘tunnelvisie op de landbouw en het landelijke gebied ontmaskeren’. Omdat de Nederlandse maatschappij uitgaat van een verkeerd beeld, is er geen aandacht voor wat er werkelijk aan de hand is. De Ecologische Hoofdstructuur vordert bijvoorbeeld veel langzamer dan gepland. ‘Als zoveel landbouwbedrijven stoppen komt er vanzelf ruimte voor natuur, denken velen. Maar de praktijk is anders’, zegt Lamers in zijn boek. ‘Er komt te weinig landbouwgrond vrij om de nieuwe natuurgebieden te maken, terwijl die juist hard nodig zijn om de natuur te behouden en te herstellen.’
Ook zal de landbouw het milieu zeker niet minder belasten omdat er minder bedrijven zijn. Want ondanks de afname in aantal landbouwbedrijven is de productie flink toegenomen, terwijl de technische verbeteringen om milieubelasting te reduceren onvoldoende effect hebben. Bovendien dragen de grootschalige landbouwbedrijven allerminst bij aan behoud van historische landschappen.
In zijn boek laat Lamers zien dat de ‘spanningen tussen landbouw, milieu, natuur en landschap alleen maar groter worden’. Het blijft puzzelen met de schaarse ruimte en milieuregels zijn harder nodig dan ooit. ‘Niet de vermeende krimp van de landbouw is een bedreiging voor natuur en landschap, maar juist de grote omvang en de neiging tot verdere groei van de landbouwsector.’

Informatie: www.landwerk.nl/uitgeverij/uitgeverij-uitgaven.htm

lees meer
9 JULI 2007

VREES VOOR NIEUWE WET RUIMTELIJKE ORDENING

Provincies en milieufederaties vrezen dat de kwaliteit van natuur en landschap achteruitgaat met de nieuwe Wet ruimtelijke ordering (Wro). Want als die wet in januari 2008 in werking treedt verliezen provincies het recht gemeentelijke plannen af te keuren. Provincies kunnen wel vooraf eisen stellen, maar dat vraagt om een enorme cultuuromslag. Dat bleek op donderdag 28 juni tijdens een debat over de gevolgen van de wet, georganiseerd door Alterra en het tijdschrift Landwerk.
‘De landschapspareltjes buiten de ecologische hoofdstructuur staan onder druk’, zegt spreker Toine Cooijmans van de Brabantse milieufederatie. Het lot van veel waardevolle stukken landelijk gebied en natuur ligt bij ingang van de nieuwe Wro in handen van gemeenten, en daar blijken zowel milieufederaties als provincies weinig vertrouwen in te hebben. ‘De provincie Brabant keurt nu veel plannen af omdat ze de ruimtelijke kwaliteiten aantasten. Nu kan dit nog. Straks niet meer, dan kiezen gemeenten alsnog voor woningbouw’, voorspelt Cooijmans.
Toch is er ook optimisme, blijkt tijdens het debat. Want de nieuwe wet biedt wel kansen voor de natuur. Provincies kunnen vooraf in een structuurvisie een aantal hogere doelen aangeven, zoals realisatie van de ecologische hoofdstructuur (EHS), waar gemeenten zich voor moeten inzetten. Kans op uitvoering neemt hierdoor toe. Maar de nieuwe wet vraagt om een andere manier van werken, waarvan de provincies zich afvragen of die haalbaar is. Ze moeten namelijk van tevoren bepalen waar ze grip op willen hebben, in plaats van achteraf de plannen keuren. Dit betekent een enorme omslag in de cultuur, en die is niet zomaar gemaakt. ‘Wij zijn gewend dat er een plan binnenkomt en dat keuren we goed of niet’, zegt Olaf Slakhorst van de provincie Gelderland. ‘Met de nieuwe wet moeten we heel bewust bepalen waar we invloed op willen hebben, bijvoorbeeld de rondwegen, bedrijventerreinen of de Veluwe. Maar dat hebben provincies nog helemaal niet helder voor ogen.’
Het is dus nog maar de vraag of het provincies gaat lukken goede plannen op te stellen die voorkomen dat gebieden dichtslibben. ‘Als provincies echt willen, kunnen ze veel. Maar dan moeten ze de instrumenten die ze hebben met veel ambitie gaan invullen’, zegt Cooijmans. Volgens hem missen ze daarvoor echter de motivatie. ‘Tot nu toe weigert de provincie Brabant zelfs de EHS daadwerkelijk vast te leggen. Nu al. Dan valt er straks al helemaal weinig te verwachten.’

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
6 JULI 2007

HOOGLANDERS VELUWEZOOM REDDEN ZICHZELF

De kudde Schotse Hooglanders in Nationaal Park Veluwezoom gedijt het best onder zo natuurlijk mogelijke omstandigheden. Bijvoeren in de winter is op lange termijn slecht voor de populatie. Dat blijkt uit het afstudeeronderzoek van Hans van Dijk, deeltijdstudent Bos- en natuurbeheer bij Van Hall Larenstein en als boswachter verantwoordelijk voor beheer en begrazing van het park, dat wordt beheerd door de Vereniging Natuurmonumenten.
De bosbegrazing in Nederlands startte met in 1982 met tien Schotse Hooglanders op 167 hectare in Nationaal Park Veluwezoom. Tegenwoordig loopt daar een kudde van 110 dieren, op 4326 hectare. Van Dijk evalueerde de ontwikkelingen rond de kudde Hooglanders de afgelopen 25 jaar. Hij onderzocht de relatie tussen de conditie van de runderen en de populatiedynamiek, het terreingebruik en het weer.
Tussen 1996 en 2002 werden de runderen in de winter bijgevoerd, waardoor de kudde flink groeide, met een hoogtepunt van 250 runderen. In 2002 mochten van landbouwminister Veerman eenmalig 150 dieren worden afgevoerd. Sindsdien wordt niet meer bijgevoerd. Van Dijk: ‘De populatie mag alleen nog veranderen door natuurlijke geboorte en sterfte. De kudde is nu veel stabieler en groeit gemiddeld met zes procent. Dat moet uitkomen op nul procent, en dat gebeurt denk ik binnenkort.’
Weersomstandigheden hebben geen invloed op de kudde, de temperatuursom wel. Want als de som van de dagtemperaturen 180 graden Celsius is – gerekend vanaf 1 januari – gaat het gras groeien. ‘Hoe eerder dat is, hoe beter voor de dieren’, legt Van Dijk uit. ‘Er is een significante relatie tussen de wintersterfte en de temperatuursom. Wordt de kudde bijgevoerd, dan ontbreekt die relatie, wat ook laat zien dat je dan het natuurlijke evenwicht verstoort, en dat is op lange termijn slecht voor de populatie.’
Tussen de conditie van de dieren in september en de wintersterfte bestaat geen verband. Van Dijk: ‘Je kunt niet van tevoren voorspellen hoeveel en welke dieren in de winter zullen sterven. Bij de Oostvaardersplassen speelde hierover een discussie. De sterftepiek ligt in maart en april. We grijpen dan in door dieren dood te schieten die voldoen aan criteria als apathisch gedrag in combinatie met een slechte conditie. Dit onderzoek onderbouwt het huidige begrazingsplan van de Vereniging Natuurmonumenten.’

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
5 JULI 2007

ZUID-EUROPESE BOMEN NAAR NEDERLANDS BOS

Bosbeheerders overwegen de natuur een handje te helpen met hun aanpassing aan de klimaatverandering door bomen aan te planten uit warmere oorden. Geen tropische palmbomen, maar wel bijvoorbeeld beuken en eiken uit Frankrijk of Tsjechië. Dat bleek bij de presentatie van de Rassenlijst voor Bomen op 27 juni.
De Raad voor Plantenrassen presenteerde op 27 juni de achtste editie van de Rassenlijst voor Bomen, die voor groenbeheerders een belangrijke bron van informatie is over welke bomen en struiken geschikt zijn voor de Nederlandse steden en bossen. Met de verwachte veranderingen in het klimaat is het echter de vraag of de lijst nog voldoet. ‘Natuurbeheerders willen bomen aanplanten die jarenlang meegaan. Het zou jammer zijn als ze na twintig of dertig jaar doodgaan omdat het klimaat is veranderd’, vertelt onderzoeker Sven de Vries van het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN) die aan de lijst heeft meegewerkt.
Het klimaat verandert naar verwachting sneller dan de bomen zich kunnen aanpassen. ‘Bovendien kunnen nieuwe bomen zich moeilijk vrij vestigen doordat vrijwel elke vierkante meter in Nederland al is ingenomen.’
Door exemplaren te planten uit zuidelijker streken, van soorten die hier nu al groeien, kunnen natuurbeheerders de natuur een handje helpen. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat beuken uit warme streken eerder uitlopen dan hun verwanten uit gematigder streken, óók als ze in koudere gebieden groeien. ‘Ze hebben genetisch gezien iets andere eigenschappen, waardoor ze wellicht beter bestand zijn tegen de klimaatverandering dan onze huidige populaties’, zegt De Vries.
Toch staan straks niet plotseling alle Nederlandse bossen vol met bomen uit Frankrijk of België. ‘Het gaat niet om vervanging van bomen, maar om verrijking van het genetische materiaal met de zuidelijke soorten. Als een deel van de aanplant uit zuidelijke bomen bestaat, dan kunnen de soorten op natuurlijke wijze met elkaar kruisen en zich zo misschien sneller aanpassen.’

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
4 JULI 2007

KABINET VERGEET LANDELIJK GEBIED

Het beleidsprogramma van het kabinet erkent onvoldoende het belang van het landelijk gebied. Zo wordt van de extra uit te geven 10 miljard slechts 125 miljoen geraamd voor landschap, natuur en groen om de stad, terwijl de benodigde extra investering de komende vier jaar ligt op 450 miljoen voor natuur en bijna 1 miljard voor de nationale landschappen. Dit stelt de Raad voor het Landelijk Gebied in een bijdrage aan het debat over het beleidsprogramma, dat op 22 juni aan het kabinet is toegestuurd.
Nederland beschikt over een indrukwekkend en gevarieerd landelijk gebied met essentiële waarden voor onze gezondheid, sociale samenhang, economie en identiteit. Het beleidsprogramma van het kabinet gaat nauwelijks in op de betekenis van het landelijk gebied. Geen van de tien voorgestelde projecten heeft rechtstreeks betrekking op het landelijk gebied. Zelfs een kernbegrip als duurzaamheid wordt vooral geoperationaliseerd naar duurzame energie en nauwelijks naar natuur en landschap.
De voorstellen van het kabinet voor duurzame energievoorziening, waterbeheer en ruimtegebruik zijn belangrijk voor het landelijk gebied. Maar van de extra uit te geven 10 miljard is 125 miljoen geraamd voor landschap, natuur en groen om de stad, terwijl de benodigde extra investering de komende vier jaar echter aanzienlijk groter is: 450 miljoen voor natuur en bijna 1 miljard voor de nationale landschappen. Al deze investering verdienen zichzelf maatschappelijk, waaronder economisch, meer dan terug. Met alleen regelgeving en kennisvoorziening is het verdampen van het Hollandse landschap niet te stoppen, ook financiële middelen zijn nodig.
De nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de burger voor zijn gezondheid, verplicht het kabinet tot grotere investeringen voor een leefomgeving die een gezonde levensstijl stimuleert, zoals parken, groene speelplekken, toegankelijk landelijk gebied en natuurgebieden. Zeker de jeugd, met overgewicht als serieus probleem, moet door een motiverende omgeving tot bewegen worden uitgenodigd. Het kabinet benadert natuur te eenzijdig als kwantitatieve opgave. Ook de kwaliteit van natuur binnen én buiten natuurgebieden vraagt aandacht. Zeker nu door klimaatverandering de verspreidingsgebieden van flora en fauna in beweging komen door verschuivende klimaatgordels.

Informatie: www.rlg.nl
Bron: persbericht Raad voor het Landelijk Gebied

lees meer
3 JULI 2007

DIVERSITEIT ONDER EDELHERTEN VERKLAARD

Tot nu toe konden evolutiebiologen niet verklaren waarom een groep edelherten genetisch onderling meer verschilt dan volgens de evolutietheorie te verwachten is. Nu menen Schotse biologen het antwoord te hebben: goede genen voor mannetjes zijn soms juist slecht voor vrouwtjes, zo schrijven ze in het tijdschrijft Nature.
Alle mannelijke edelherten op het Schotse Rum Island willen paren, maar alleen de sterkste bokken krijgen uiteindelijk hun zin. Allen zij geven dan hun genen door aan de volgende generatie. Zwakke mannen krijgen maar heel zelden een kans om te paren, dus hun genen zijn binnen een paar generaties van het eiland verdwenen.
Dat is het idee van de evolutietheorie. Maar de waarheid blijkt anders: er zit meer genetische variatie in de groep dan verwacht. De genen van de zwakke mannetjes laten zich niet zomaar wegwerken. Hoe kan dat?
De biologen onderzochten de groep edelherten op Rum die werden geboren tussen 1971 en 2005. Ze beschouwden het krijgen van veel of weinig nakomelingen als een erfelijke eigenschap. Van sterke, gezonde mannetjes die veel paren, verwachtten ze natuurlijk veel nakomelingen. Dat klopte. Maar als ze verder keken dan één generatie, bleken de krachtigste bokken helemaal niet zo succesvol.
Uit alle berekeningen bleek dat mannetjes met veel voortplantingssucces die eigenschap alléén nalieten aan hun zoons. De dochters van deze sterke heren waren juist losers, en brachten gedurende hun leven weinig nakomelingen ter wereld. En dat kroost was zelf ook nog slecht in het krijgen van nakomelingen.
De zwakke mannetjes kregen daarentegen relatief succesvolle dochters - als ze tenminste de kans kregen om te paren. Hun genen waren dus helemaal niet zo zwak, zo lang ze maar in een vrouwtje zaten. Daardoor stierven deze genen niet uit.
De onderzoekers concluderen dat de ideale genen voor mannetjes anders zijn dan voor vrouwtjes. Antagonistische selectie noemen ze dat, selectie die voor de twee seksen een tegengestelde richting op werkt. Het fenomeen was al eerder aangetoond in laboratoriumproeven met fruitvliegjes, maar nog nooit in het wild. Het speelt een belangrijke rol in het handhaven van de genetische variatie binnen soorten, vermoeden de Schotse biologen.

Informatie: www.noorderlicht.vpro.nl
Bron: Noorderlicht

lees meer
2 JULI 2007

HOUTWALLEN VERDWIJNEN DOOR GEBREK AAN GELD

De Landschapswacht is ernstig bezorgd over het tempo waarin vooral de kleine landschapselementen in Nederland verdwijnen. Voor de oorzaken wijst de organisatie naar gebrek aan onderhoud door een structureel tekort aan vergoeding. Zo komen elementen die op de verkeerde plek liggen voor geen enkele regeling in aanmerking. Volgens het inventarisatierapport van de Landschapswacht, dat op 25 juni werd gepresenteerd, is er een tekort voor het reguliere landschapsonderhoud van 66 miljoen euro per jaar.
Op maandag 25 juni 2007 presenteerde Landschapswacht het rapport ‘Erfgoed is niet vrijblijvend. Over de dilemma’s en problemen bij beheer van ons landschappelijk erfgoed in particuliere handen’, waarvan het eerste exemplaar werd overhandigd aan minister Verburg van LNV.
Het rapport is een weergave van 29 voor Nederland toonaangevende landschapselementen in 12 provincies die zijn opgeknapt en gerestaureerd, en een inventarisatie van de middelen die nodig en beschikbaar zijn voor beheer en onderhoud van de elementen. Het rapport benoemt de oorzaken van verval en geeft oplossingsrichtingen aan.
Bij geen enkele overheid vond de landschapswacht een overzicht van het aantal of de locaties van de erfgoedwaardige elementen. Bovendien bleken 18 van de 29 eigenaren niet op de hoogte van het bestaan van subsidiemogelijkheden. Opvallend is ook dat voor geen van de gerestaureerde elementen subsidie beschikbaar was in het Programma Beheer voor het uitvoeren van achterstallig onderhoud. Wel is geld beschikbaar voor het terugbrengen van verdwenen gedeeltes van een element. Maar omdat hier de grondwaardedaling niet vergoed wordt – landbouwgrond wordt omgezet naar natuur – is hiervan geen gebruik gemaakt, aldus het rapport.
Twintig van de 29 landschapselementen bleken gelegen in gebieden waar het Programma Beheer niet van toepassing is. ‘Het is de landschapswacht duidelijk geworden dat Programma Beheer uitsluitend in bepaalde gebieden slechts bepaalde elementen voor subsidie in aanmerking laat komen.’ Voor tuunwallen en vlechtheggen zijn helemaal nergens subsidies in het Programma Beheer beschikbaar.
Waneer het achterstallig onderhoud met ander middelen is weggewerkt en er wel vergoeding beschikbaar is vanuit het Programma Beheer is die structureel te laag, aldus het rapport.
De Landschapwacht gaat de komende twee jaar nog ten minste zestig elementen verspreid over twaalf provincies restaureren en per provincie ook een rapportage uitbrengen, waarin nauwgezet kenbaar zal worden gemaakt welke financiële tekorten bestaan voor het behoud van ons laatste landschapschoon. De organisatie roept de overheid op met grote spoed te komen tot een landsdekkende inventarisatie, waarbij urgente restauratiewerkzaamheden direct aan bevoegde instanties moeten worden doorgegeven.



Zie ook: rapport

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk