homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

29 JUNI 2007

EFFECT HOUTWALBEHEER BEREKEND

Een kaart die het effect laat zien van verschillende vormen van beheer van houtwallen op de waarde van de natuur en het landschap, én op het inkomen van de boer. Dat moet een model van onderzoekers van Wageningen Universiteit mogelijk maken.
In de noordelijke Friesche Wouden willen gemeentes de houtwallen zo onderhouden dat er een typisch coulissenlandschap ontstaat met wallen en doorkijkjes. De Wageningse onderzoekers koppelen in hun model voor verschillende typen houtwallen de indicatoren voor landschappelijke en ecologische waarde aan gegevens over het bedrijfsinkomen van de boeren die de houtwallen beheren. Zo kunnen ze digitale kaarten produceren waarop kleuren aangegeven hoe het staat met de kwaliteit van natuur en het landschap en hoeveel een boer verdient.
De onderzoekers willen daarmee niet uitrekenen welke optie voor wie het beste uitkomt, maar de mogelijkheden duidelijk maken. Jellema: 'Je ziet hoe indicatoren samenhangen, en waar de omslagpunten liggen.' Het maakt de randvoorwaarden voor de ruimtelijke discussie duidelijk.
Nu heeft het model alleen nog indicatoren voor landbouw, natuur en landschap, gericht op het coulissenlandschap in het gebied. En nog is het passen en meten. Rossing: 'Wat is een goede houtwal? Er zijn vier verschillende kwaliteiten houtwallen, en die zijn niet allemaal even waardevol.'
In de toekomst kan het systeem volgens de onderzoekers uitgebouwd worden voor ruimtelijke discussies in andere omstandigheden. Ook zien ze mogelijkheden om de indicatoren uit het model te gebruiken in digitale bestemmingsplannen en streekplannen, wat direct de ruimtelijke gevolgen van een bepaald soort beheer duidelijk kan maken. Maar dat is nog toekomstmuziek.

Zie ook: Resource Online

lees meer
28 JUNI 2007

NEDERLAND HAALT EUROPESE NATUURDOELEN NIET

Bij het huidige Nederlandse natuurbeleid zullen de Europese natuurdoelen niet gehaald worden. De milieu-, water- en ruimteomstandigheden zullen wel iets verbeteren, maar onvoldoende om te kunnen voldoen aan Vogel- en Habitarichtlijnen. Dat blijkt uit het MNP-rapport ‘Perspectieven voor de Vogel en Habitatrichtlijn in Nederland', dat op 27 juni uitkwam. Natuurorganisaties zijn verontrust.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen beschermen de Europese natuurwaarden en stellen het Natura 2000 netwerk van gebieden in. Nederland bezit belangrijke Europese natuurwaarden, vooral in de duinen, de laagveenmoerassen, de getijdenwateren, de rivieren en de heiden.
Momenteel blijken de milieu-, ruitme- en watercondities onvoldoende om de Europese doelen in de natuurgebieden te halen. Zo is de toevoer van voedingsstoffen te hoog voor de schrale habitats en is er onvoldoende water van goede kwaliteit voor de natte en grondwaterafhankelijke habitats. Ook blijkt Natura 2000 alléén onvoldoende ruimte te bieden aan de te beschermen soorten.
Bij het beleid zoals dat nu is voorgenomen vermindert de milieu- en ruimtedruk in de Natura 2000-gebieden tot 2040 wel, maar worden de problemen niet opgelost. De stikstofdepositie blijft boven het niveau dat wenselijk is. Dat geldt ook voor de belasting van het oppervlaktewater met fosfaat stikstof, gebaseerd op doorrekening van het huidige mestbeleid tot 2030. De stikstofdepositie in beken en sloten komt wél in de buurt van het wenselijke niveau, maar voor meren blijft het te hoog.
Provincies en Rijk gaan per gebied beheersplannen opstellen om aan te geven hoe de Europese doelen bereikt kunnen worden, mede door verbetering van milieu- en watercondities.
De Ecologische Hoofdstructuur vervult een belangrijke rol bij het vergroten en verbinden van de Natura 2000-gebieden. Voor het in stand houden van veel soorten is een groter oppervlak natuur nodig dan aanwezig in de Natura 2000-gebieden. Voor moerassen, natte graslanden en natuurlijke beeklopen is het extra areaal in de EHS onvoldoende.
Binnen de EHS, gerealiseerd in 2018, treedt bovendien geen verbetering op van de milieuomstandigheden, door de blijvende nabijheid van bebouwing, bedrijvigheid en landbouw.
Naar aanleiding van het MNP-rapport roepen verontruste natuurorganisaties het kabinet op de Natura 2000-gebieden maximaal te beschermen, en niet te treuzelen bij de aanwijzing van de gebieden.

Informatie: www.mnp.nl
Bron: MNP

Zie ook: rapport

lees meer
27 JUNI 2007

VISSTAND VERBETERT DOOR WEGVANGEN PROOI

Noorse wetenschappers hebben een opmerkelijke manier gevonden om de stand van de overbeviste roofvis meerforel weer op peil te brengen: door zijn prooi weg te vangen. Op deze ingreep reageerde de prooienpopulatie door voor extra veel nakomelingen te zorgen, waardoor de meerforel weer voldoende hapklare brokken kreeg voorgeschoteld. Inmiddels zijn de populaties stabiel.
Het ging dertig jaar geleden niet goed met de meerforel in het Takvatn meer in Noorwegen. De smakelijke roofvis werd te veel weggevangen door de mens. Om de stand te herstellen, verwijderden biologen Lennart Persson en zijn collega's de favoriete maaltijd van de meerforel, de beekridder, ook wel trekzalm genoemd. Deze ingreep staat haaks op standaard natuurbeheer. De wetenschappers beschrijven hun bevindingen op 22 juni in Science.
De prooi van de meerforel, de beekridder, is bijzonder lui. Toen de meerforel zeldzamer werd, plantte de beekridder zich langzamer voort, en werd hij dik. Dat bleek funest voor de overbeviste meerforel, omdat die alleen kleine beekriddertjes aankan. Het roofdier had dus geen behapbaar voedsel meer en ging daardoor nog harder achteruit.
Persson besloot daarom controversieel in te grijpen. Meestal herstellen natuurbeheerders een populatie dieren door ze aan te vullen uit andere gebieden. Persson zag een andere oplossing. Hij ving de dikke, oudere vissen weg. Daardoor viel de prooivis terug in zijn oude patroon: snel voor nakomelingen zorgen om de verliezen aan te vullen. Zo kon de meerforel zijn prooi weer in behapbaar formaat eten.
Het experiment in het meer van Takvatn duurde twintig jaar. In de eerste vijf jaar viste Persson de oude beekridders weg. Vijftien jaar later is het aantal meerforellen en beekridders inmiddels stabiel. Bovendien is het formaat van de meerforel ook wat forser geworden.
Moraal van het verhaal is dat natuurbeheer zich niet alleen op de bedreigde soort moet richten, maar ook op zijn omgeving. Zoals de prooidieren. Overigens werkt deze truc volgens de onderzoekers vooral in gesloten ecosystemen met simpele voedselketens zoals grote meren.

Informatie: noorderlicht.vpro.nl
Bron: Noorderlicht

lees meer
26 JUNI 2007

AGRARISCH NATUURBEHEER TE BUREAUCRATISCH

Het agrarisch natuurbeheer in ons land dreigt ten onder te gaan aan bureaucratie. Dat is de kern van de petitie die Natuurlijk Platteland Nederland (NPN) en LTO Nederland op 21 juni hebben overhandigd aan LNV-minister Gerda Verburg. De animo voor natuurbeheer neemt af, en boeren worden gedemotiveerd, stellen de organisaties.
De kritiek van NPN en LTO op agrarisch natuurbeheer is vooral dat controles doorschieten en niet adequaat worden uitgevoerd, en dat er fikse kortingen worden toegepast voor futiele overtredingen. Er bestaat bovendien een achterstand in betalingen aan boeren, en voorschriften uit de regeling sluiten niet aan bij de praktijk op de agrarische bedrijven.
Beide organisaties ontvangen een groeiende stroom klachten van hun leden, melden ze. Bij de uitvoering van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN) is sprake van een 'acuut probleem'. Boeren vragen subsidie aan met behulp van de door de Dienst Regelingen (DR) van LNV aangereikte luchtfototechniek voor oppervlaktemeting. De AID voert echter veldcontroles uit met gps. Dat leidt tot verschillen in uitkomsten, die worden gezien als overtredingen en leiden tot terugvordering van subsidies en boetes. Meestal onterecht, stellen NPN en LTO.
Een ergernis is ook dat boeren vaak meer dan een half jaar op hun geld moeten wachten. De regels schrijven voor dat de beheersvergoedingen binnen twee maanden na het verstrijken van het beheerjaar moeten zijn voldaan. Ook de achterstand bij het afhandelen van controlerapporten is met ongeveer twee jaar onaanvaardbaar groot, vinden beide organisaties.
NPN-bestuurslid Roel Cazemier lichtte de petitie aan minister Verburg toe en deed een klemmend op de minister om snel met maatregelen te komen, om de problemen op te lossen.
De minister liet weten dergelijke signalen ook te hebben ontvangen van enkele leden van de Tweede Kamer en gedeputeerden uit meerdere provincies. Ze zal zich op korte termijn in de kwestie verdiepen.

Bron: Persbericht LTO en NPN

lees meer
25 JUNI 2007

GROTERE RANDSTAD MEEST DUURZAAM

De meest duurzame ruimtelijke ordening van Nederland is die waarbij het ruimtegebruik in de Randstad geïntensiveerd wordt. Dat blijkt uit de duurzaamheidsstudie die het MNP deze maand uitbracht. Op de kaart tekent zich een nieuw stedelijk gebied af als een grotere Randstadring vanuit de kustzone naar Rotterdam, de Brabantse stedenrij, Nijmegen, Arnhem en via Amersfoort naar Almere, Amsterdam.
In de duurzaamheidsverkenning van het MNP wordt een voorstel gedaan voor de zo gunstig mogelijke benutting van de ruimte voor de komende decennia, in een duurzaam Nederland.
Door de plannen voor natuur, landschap, veiligheid, wonen, werken en mobiliteit beter op elkaar af te stemmen kunnen de negatieve gevolgen van zowel klimaatverandering als verstedelijking en mobiliteit op korte termijn beperkt worden, stelt het MNP. Dat vraagt wel om een centrale regie.
‘De komende dertig jaar komt er nog twintig tot dertig procent aan nieuw bebouwd gebied in Nederland bij, vooral in het overstromingsgevoelige gebied. Als deze nieuwbouw in en direct rond de steden gebouwd wordt, levert dat aanzienlijke bereikbaarheidswinst op (minder files). Ook blijft er dan voldoende ruimte over voor natuur. Bijkomend voordeel is dat een dergelijke concentratie de segregatie in de grote steden tegengaat. Een aandachtspunt blijft dan wel dat er rond de grote steden voldoende groen blijft. Ook voor nieuwe bedrijventerreinen en het concentreren van de glastuinbouw is concentratie van belang. Bovenop de introductie van een kilometerheffing, levert ook de kwaliteitsverbetering van het openbaar vervoer een aanzienlijke bereikbaarheidswinst op. Tenslotte moet er ruimte gereserveerd worden voor de verwachte toename van het rivierwater via de IJssel en het IJsselmeer.’
Voor natuur zijn er volgens het rapport veel mogelijkheden voor meekoppeling in het rivierengebied, zoals bij de verbreding van de IJssel, de aanleg van een bypass in Kampen en Dordrecht, en in het IJsselmeergebied. Ook in de oostelijke helft van het Groene Hart kan de natuur profiteren van het laten onderlopen van droogmakerijen, het beperken van het doorspoelen met zoet water van elders om zout kwelwater af te voeren, en de ontwikkeling veenmoerassen. Daarnaast is meer accent nodig op (internationaal belangrijke) natte natuur en mogelijk betekent dit een herbegrenzing van de ecologische hoofdstructuur, stelt het MNP.
De (bestuurlijke) keuzes moeten gemaakt worden op het schaalniveau waarop de problemen fysiek spelen. Voor de meest gunstige combinatie van wonen, en werken (bedrijfsterreinen) natuur en landschap is dit het provinciale of het rijksniveau. Om de samenhang tussen sectoraal beleid te vergroten is het nodig dat er op centraal niveau regie komt.

Informatie: www.mnp.nl
Bron: MNP

Zie ook: rapport

lees meer
22 JUNI 2007

NATUURBESCHERMINGSBELEID VOLDOET NIET

De procedures voor ingrepen in natuurgebieden beschermen de natuur onvoldoende. Ze zorgen hooguit voor enige vertraging. Dat blijkt uit een rapport van de Algemene Rekenkamer dat aan de leden van de Tweede Kamer is gestuurd. Verplichte schadebeperkende maatregelen worden vaak genegeerd en compensatie van beschadigingen aan de natuur wordt maar beperkt uitgevoerd.
Bij ingrepen in natuurgebieden moet de initiatiefnemer van een project de relevante ecologische gevolgen bepalen. Uit het onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat daarvoor op lokaal niveau vaak onvoldoende ecologische expertise aanwezig is. Ook ontbreekt het aan kennis van het natuurbeschermingsbeleid. Het vaststellen van de schade aan de natuur leidt regelmatig tot meningsverschillen, niet zelden als gevolg van de open normen in de wet- en regelgeving.
Gemeenten en initiatiefnemers uit de onderzochte projecten zijn vaak niet goed bekend met de verplichting tot schadebeperking bij een ingreep en houden er onvoldoende rekening mee. In een aantal gevallen blijft de compensatie achterwege of wordt deze slechts gedeeltelijk uitgevoerd. Geschikte locaties voor compensatie zijn vaak schaars en dus duur. Bovendien is er nauwelijks toezicht op het goed uitvoeren van het compensatiebeginsel en zijn er meestal geen sancties aan verbonden.
Ook worden alternatieve locaties voor projecten beperkt overwogen. Initiatiefnemers hebben vaak min of meer al een locatie vastgelegd. Zo is in bestuurlijke overeenkomsten, veelal op gemeentelijke niveau, al vaak bepaald waar een woonwijk of bedrijventerrein komt. Belangenafwegingen vinden daarbij niet expliciet plaats en een heldere argumentatie ontbreekt. Een verklaring hiervoor is volgens de Rekenkamer dat de wetgever termen als 'groot openbaar belang' niet nader heeft omschreven, waardoor ruimte ontstaat voor bezwaar- en beroepprocedures, die meestal leiden tot vertraging, maar zelden of nooit tot afstel.
De minister van LNV heeft mede namens de minister van VROM gereageerd op het rapport, en wijst erop dat veel verbeteringen al in gang zijn gezet. Zo heeft het ministerie in de 'Spelregels EHS' samen met provincies en gemeenten het beschermingsbeleid uitgewerkt. Daarmee is het voorkomen van aantasting van natuur volgens het ministerie voldoende verankerd, en verscherpt toezicht niet nodig. De Algemene Rekenkamer vindt echter dat naast spelregels ook verbeterd toezicht op de daadwerkelijke uitvoering nodig is.



Zie ook: rapport

lees meer
21 JUNI 2007

VOGEL BROEDT MINDER UIT ANGST VOOR KAT

Alleen al de aanwezigheid van huiskatten is genoeg om vogelpopulaties te laten instorten. Angst voor katten beïnvloedt namelijk het broedgedrag van vogels, blijkt uit het model dat Britse onderzoekers hebben gemaakt. Daaruit blijkt ook dat de predatie door katten in het stedelijk gebied veel lager is dan vaak gedacht wordt. De studie verscheen in Animal Conservation.
Veel vogelpopulaties in de stedelijke gebieden van het Verenigd Koninkrijk krimpen. De huiskat wordt gezien als een belangrijke oorzaak daarvan, naast de afname van geschikte nestlocaties en van het voedselaanbod. Veel vogels zoals spreeuwen en huismussen zouden door Felis catus gedood worden, hoewel het niet duidelijk is hoe groot dit effect precies is.
Onderzoekers van de universiteit van Sheffield bedachten dat dit niet de enige manier hoeft te zijn waarop katten vogelpopulaties negatief beïnvloeden. Het aantal jongen dat de vogels grootbrengen zou bijvoorbeeld wel eens kunnen afhangen van de angst voor katten. Die angst zou het foerageergedrag kunnen veranderen, of het gebruik van bepaalde habitats. Daarmee komt de overlevingskans van jongen onder druk, en leggen vogels minder eieren.
Om het effect van die angst te onderzoeken maakten de wetenschappers een wiskundig model waarin de factoren angst en predatie zijn meegenomen. Uit het model blijkt dat zelfs kleine gedragsveranderingen, veroorzaakt door de aanwezigheid van katten, kunnen leiden tot het instorten van vogelpopulaties. Een afname van een jong per vogelpaar per jaar per kat, kan al leiden tot een daling van het aantal vogels van 95 procent.
Daarnaast lijkt het erop dat de predatie in stedelijke en voorstedelijke gebieden erg laag moet zijn. Maar weinig predatie betekent dus niet per se dat katten weinig invloed hebben op de vogels.
Er wordt geschat dat het aantal huiskatten in het Verenigd Koninkrijk de afgelopen veertig jaar met ongeveer dertien procent per jaar is toegenomen. In 2003 waren er ruim negen miljoen katten. Dit aantal is onafhankelijk van het aantal prooidieren, aangezien de meeste katten voer uit de supermarkt krijgen.

Informatie: www.blackwellpublishing.com/acv

lees meer
20 JUNI 2007

GOED JAAR VOOR DE KWARTELKONING

Tijdens een landelijke telling begin juni zijn bijna 150 roepende kwartelkoningen waargenomen, meldt Sovon Vogelonderzoek. Het goede resultaat bevestigt eerdere berichten die melden dat er dit jaar meer kwartelkoningen in Nederland zijn dan in de drie voorgaande jaren.
De eerste kwartelkoningtelling vorig jaar leverde slechts 18 roepende vogels op. De actuele situatie lijkt meer op die van 2002. Toen werden uiteindelijk 350 territoria gevonden. De meeste vogels lijken dit jaar in het noordoosten van het land te zitten. Tijdens de telling werden de grootste aantallen kwartelkoningen vastgesteld in het Groningse Oldambt (31) en langs de IJssel (13, met name vanaf Deventer stroomafwaarts). Opvallend weinig werden er gehoord langs de Rijn (2) en de Waal (5). Kenmerkend voor goede jaren is ook de verspreiding buiten de bekende gebieden, zoals in Noord-Brabant, Zuid-Holland en Flevoland. Nog steeds worden ook grote aantallen kwartelkoningen gemeld in Duitsland, en recent ook in Denemarken.
In de hooilanden in de uiterwaarden van de IJssel en het Zwarte Water rond Zwolle wordt dit seizoen geëxperimenteerd met speciaal beheer voor kwartelkoningen. Om te voorkomen dat vanaf 15 juni alle percelen worden gemaaid – en dus niet meer beschikbaar zijn voor kwartelkoningen – wordt een aantal percelen tot 15 augustus niet gemaaid. Ter compensatie kunnen boeren en pachters een aantal percelen waar zich geen kwartelkoningen bevinden al vroeger in het seizoen maaien.
Om te kijken hoe de kwartelkoningen reageren op dit zogenaamde mozaïekbeheer worden twintig vogels van een kleine zender op de rug voorzien. Die techniek maakt het mogelijk het terreingebruik van de kwartelkoningen op de voet te volgen, of de vogel nou wel of niet van zich laat horen. De zendertjes wegen slechts een paar gram en storen de vogels niet, volgens Sovon. Naast het terreingebruik van kwartelkoningen worden de libellen, dagvlinders en sprinkhanen en andere vogels in de percelen in kaart gebracht. Voor dit experiment werken Sovon en Vogelbescherming samen met Staatsbosbeheer.

Informatie: www.sovon.nl, www.kwartelkoning.nl

lees meer
19 JUNI 2007

SUCCESVOL BEEKHERSTEL IN DE ACHTERHOEK

De laatste decennia hebben vele tientallen beken in Oost-Gelderland een natuurlijker verloop gekregen. Uit een evaluatie van zestien locaties door instituut Alterra blijkt dat in alle gevallen de kwaliteit van de natuur verbeterd is, meldt het Waterschap Rijn en IJssel - opdrachtgever van de studie.
Op veel plekken zijn beekbegeleidende bossoorten teruggekomen, en verschillende vissoorten hebben geprofiteerd van het slingerende en snelstromende water, meldt het waterschap. Vooral in oudere projecten zijn beekbegeleidende bossen ontstaan, met kenmerkende planten als de slanke sleutelbloem en de bosanemoon. Daar waar de beken na graafwerkzaamheden weer een slingerend patroon hebben gekregen of waar sluizen zijn voorzien van 'bypasses' in de vorm van meestromende geultjes, zijn vissoorten teruggekomen als de beekprik.
Een aantal beken blijkt volgens het onderzoek van Alterra nog niet dynamisch genoeg. Om dit te verbeteren adviseert Alterra het water bovenstrooms af en toe door een oud rivierbos te leiden. Alleen dan heeft beekherstel zin; vanuit zo'n 'genenbank' drijven zaden mee naar de nieuwe natuurterreinen rond de herstelde beken. De plantengroei die voor die gebieden karakteristiek is, volgt dan vanzelf. De loop van de beek hoeft bovenstrooms soms maar weinig te worden verlegd om door een oud rivierbos te stromen.
Een ander kritiekpunt in het rapport is dat mogelijke postieve effecten van het beekherstel soms ongewild snel verloren gaan. Bijvoorbeeld wanneer bij het herstel van een oude beekloop het weggegraven zand op de oever belandt. Dat zand verstikt de waardevolle flora die al aanwezig kan zijn. Zo’n schoonheidsfout is volgens Alterra makkelijk te vermijden door het zand af te voeren.
Meanderend water in herstelde beken dient niet alleen een ecologisch, maar ook een hydrologisch doel. Water doet er in die beken namelijk langer over om weg te stromen. Daardoor wordt bij neerslagpieken benedenstrooms het gevaar op overstromingen kleiner. De komende jaren worden als gevolg van de klimaatsverandering meer en hogere neerslagpieken verwacht. Waterschappen in Oost-Nederland willen het water daarom zo lang mogelijk vasthouden en bergen in de bovenlopen. Het gebied rond Winterswijk is een van de streken die daarbij extra aandacht krijgen.

Informatie: www.wrij.nl

lees meer
18 JUNI 2007

VLINDER CORRIGEERT VOOR KLIMAATVERANDERING

De kleine wintervlinder komt steeds eerder uit zijn ei door de hogere temperaturen in het voorjaar. Tegelijkertijd voorkomt natuurlijke selectie dat de rupsen zo vroeg uitkomen dat er nog geen voedsel is. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Margriet van Asch voor het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW).
Rups van de kleine wintervlinder (Operophtera brumata) is voor zijn voedsel afhankelijk van jong eikenblad. Daarom is het belangrijk dat de rupsen uitkomen op het moment dat eikenbomen gaan uitlopen. Dankzij de gemiddeld steeds hogere temperaturen veranderen echter de tijdstippen dat dieren en planten zich ontwikkelen. Zowel de eieren van de winterrups als de bladeren van eik ontwikkelen zich eerder in het voorjaar dan twintig jaar geleden.
De wintervlinder reageerde echter veel sterker op de klimaatverandering dan de eik. In erg warme jaren kropen rupsen te vroeg uit hun ei, nog voordat eiken nieuw blad hadden aangemaakt. Door voedseltekort konden veel rupsen zich niet ontpoppen tot wintervlinder.
Uit het onderzoek van Van Asch blijkt echter dat de vlindersoort zich heeft weten te herstellen. Zij ontdekte dat de eieren van de winterrups bij dezelfde temperaturen vijf tot tien dagen later uitkomen dan tien jaar geleden. De winterrups sluit zo weer beter op het moment aan dat jong eikenblad zich ontvouwt. Door selectie blijven de best aangepaste eieren over, die op hetzelfde moment als de verse eikenbladeren uitkomen.
De kleine wintervlinder leeft in de Nederlandse bossen. Daar vormt hij het voedsel voor veel zangvogels, zoals koolmees en bonte vliegenvanger.

Informatie: www.nioo.knaw.nl/NEWS/pdf/Summary_margriet.pdf
Bron: Persbericht NIOO-KNAW

lees meer
15 JUNI 2007

LIFE VOORAL EXTRA ZAKCENTJE

Waar de meeste Europese lidstaten het geld van het Europese programma LIFE-Natuur inzetten voor aankoop van gronden, gebruikt Nederland het liever als zakcentje voor herstelmaatregelen binnen bestaande natuurgebieden. Dat blijkt uit het rapport ‘vijftien jaar LIFE-Natuur in Nederland’, een analyse uitgevoerd in opdracht van het ministerie van LNV.
Nederland liep relatief langzaam warm voor LIFE-Natuur, het Europees programma dat lidstaten helpt met de realisering van het Natura2000 netwerk. Nederlandse overheden en terreinbeheerders waren in eerste instantie weinig enthousiast over het Natura2000 netwerk. Bovendien was de aanvraagprocedure voor een financiële bijdrage een hoge drempel, omdat het idee heerste dat de competitie groot en de procedure zwaar was. Liever vroegen natuurbeheerders het geld aan Nederlandse financiers zoals het Overlevingsplan Bos en Natuur. Een luxe die veel andere lidstaten niet kennen. Voor hen is LIFE-Natuur één van de belangrijkste geldbronnen.
Toch zag ook Nederland uiteindelijk de voordelen van LIFE-Natuur en een inhaalslag was snel gemaakt. Nu draagt het Europese programma ongeveer dertig miljoen euro bij aan 28 projecten. De meeste projecten vinden plaats in laagvenen, moerassen en hoogvenen – de natte landschappen Voor sommige biotopen als bijvoorbeeld bossen wordt geen LIFE-Natuursteun gevraagd.
Wel benut Nederland het geld anders dan de andere Europese lidstaten. Terwijl de meeste landen het geld aanvragen om natuurprojecten vanaf de grond op te bouwen in samenwerking met verschillende partijen, gebruiken natuurorganisaties het liever voor aanvullende maatregelen binnen bestaande natuurprojecten, zoals duinherstel in de waddengebieden en verhoging van het waterpeil. Bovendien wendt Nederland het geld aan om nieuwe technieken te testen, bijvoorbeeld voor herstel van laag- en hoogvenen.
Uit de analyse blijkt verder dat bijna alle maatregelen die LIFE-Natuur ondersteunt succesvol zijn. Wel stelt het rapport dat Nederland meer aandacht moet besteden aan uitwisseling van haar ervaringen om van ‘Natura2000 niet alleen een netwerk van bedreigde habitats te maken, maar ook een Europees kennisnetwerk van terreinbeheerders, wetenschappers en overheid.’

Informatie: www.minlnv.nl


Zie ook: rapport

lees meer
14 JUNI 2007

PLANT HERKENT ZIJN FAMILIE

Onderzoekers hebben ontdekt dat planten sociaal gedrag kunnen vertonen. Zo gaat de zeeraket flink de concurrentie aan als hij een pot moeten delen met soortgenoten, behálve als die soortgenoten zijn eigen nakomelingen zijn. Dat betekent dat hij zijn nakomelingen moet herkennen, alsdus de Canadese onderzoekers. De studie is gepubliceerd in Biology Letters.
'Het vermogen om familieleden te herkennen en te bevoordelen is heel gewoon bij dieren, maar dit is de eerste keer dat dit aangetoond is bij planten', zegt Susan Dudley, biologe aan McMaster University in Hamilton, Canada. 'Wanneer planten hun pot delen, gaan ze concurreren en maken ze meer wortels, waardoor ze water en voedingsstoffen kunnen pakken voordat hun buren dat doen. Het blijkt echter dat ze dit alleen doen wanneer ze een pot delen met ongerelateerde planten; wanneer ze een pot met familie delen neemt de groei van hun wortels niet toe. Dit betekent mogelijk dat ze hun eigen familie herkennen,' zegt Dudly. Hoewel planten geen kennis en geheugen bezitten, toont de studie aan dat planten in staat zijn tot complex sociaal gedrag zoals altruïsme naar familieleden toe.
Het onderzoek is uitgevoerd met de zeeraket (Cakile edentula), een eenjarige plant die van nature voorkomt op de stranden van Noord-Amerika. Hij lijkt sterk op de plant die in Europa voorkomt en ook zeeraket genoemd wordt (Cakile maritima).

Informatie: www.mcmaster.ca
Bron: Persbericht McMaster University

lees meer
13 JUNI 2007

GRUTTO WORDT BLEKER

Het broedkleed van mannelijke grutto’s is de afgelopen 150 jaar bleker geworden. Dat blijkt uit onderzoek van Julia Schroeder van de Rijksuniversiteit Groningen. Een mogelijke oorzaak is een verandering van zijn habitat en zijn voedsel tijdens de trek.
Hoewel haar onderzoeksresultaten nog niet definitief zijn, schat Schroeder dat het aantal gruttomannetjes met veertig procent wit op de borst is toegenomen met dertig procent.
Ze onderzoekt hoe individuele eigenschappen van grutto’s samenhangen met hun broedsucces. Het broedkleed is zo’n eigenschap. Haar promotieonderzoek is een onderdeel van een langjarige studie die in 2004 is aan de Rijksuniversiteit Groningen is begonnen, naar de processen die de snelle afname van het aantal Grutto’s veroorzaken.
Schroeder ontdekte in de geringde populatie in de Workumerwaard in Friesland dat mannetjes met een lichter gekleurd broedkleed een vrouwtje hebben dat vroeger broedt en grotere eieren legt, waaruit zwaardere kuikens komen. ‘Als dit een echt patroon is, dan zou dit ook over de jaren terug te zien moeten zijn’, zegt Schroeder. En dat bleek ook het geval, toen ze de grutto’s in de natuurhistorische musea van Kopenhagen, Leeuwarden, Amsterdam en Leiden bekeek.
In 150 jaar zijn vooral de mannetjes bleker geworden. Maar de verandering is geleidelijk. ‘Daarom valt het ook niet zomaar op als je een grutto van dit decennium en van het vorige met elkaar vergelijkt,’ zegt ze.
Wat de oorzaken zijn, is volgens Schroeder moeilijk te zeggen, omdat er nog steeds een grote variatie is in kleur. ‘Wij doen op dit moment onderzoek naar de gevolgen van de verandering van de habitat van de Grutto, die optreedt tijdens de migratie in Spanje en Portugal. Grutto’s eten onderweg tegenwoordig rijst, terwijl het vroeger muggenlarven waren. En omdat ze tijdens de migratie het grootste deel van hun broedkleed aanleggen, nemen wij aan, dat dit ook invloed kan hebben op het bleker worden ervan.’
Het gaat hierbij nog niet om wetenschappelijke resultaten. Schroeder wil de data van 2007 nog meenemen om de kracht van de analyse te vergroten. Bovendien wil ze een genetische analyse toevoegen, omdat uiterlijke veranderingen vaak ook samenhangen met genetische veranderingen.


lees meer
12 JUNI 2007

BIOLOGISCHE LANDBOUW NIET VEILIG VOOR KIEVIT

Broedende kieviten zijn niet veilig op biologische boerderijen. Hoewel er grotere dichtheden van kievitterritoria te vinden zijn, is de overlevingskans van nesten lager dan op conventionele bedrijven. Dit blijkt uit een driejarig onderzoek in Flevoland en de Noordoostpolder, gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Ibis. De onderzoekers zoeken de oorzaak in de mechanische onkruidbestrijding.
Twee onderzoekers van de universiteit van Leiden onderzochten in oostelijk Flevoland en de Noordoostpolder of de kievit meer succes heeft op land van biologische, of op dat van conventionele boerderijen. Van 2004 tot en met 2006 verzamelden ze gegevens op veertig bedrijven, de helft biologisch en de helft conventioneel. Daarbij bepaalden ze de dichtheid van de nesten (in 2004 en 2005), en het succes van de nesten ( in 2005 en 2006). Wanneer de nesten niet succesvol waren en eieren dus niet uitkwamen, werd naar de oorzaken daarvan gezocht.
De dichtheden van de nesten bleken op biologische bedrijven bijna twee keer hoger te zijn dan op conventionele bedrijven, hoewel dat resultaat in 2005 statistisch gezien niet betrouwbaar was. Het succes van de nesten was lager op biologische bedrijven in 2005, maar in 2006 was dat op beide bedrijfstypen ongeveer gelijk. Dat kwam echter vooral doordat het succes op de conventionele bedrijven in dat jaar veel lager was dan het jaar daarvoor.
Voor het falen van nesten lag de oorzaak op biologische bedrijven vaker bij agrarische activiteiten dan bij predatie. Alle biologische bedrijven in het onderzoek bestreden hun onkruid op mechanische wijze, door te ploegen en te schoffelen. Alle conventionele bedrijven deden dat met pesticiden en bemesting. De predatie was bij beide bedrijfstypen vergelijkbaar.
De onderzoekers verwachten dan ook dat biologische landbouw alleen niet voldoende is om het broedsucces van de kievit te verhogen, en de achteruitgang van de soort een halt toe te roepen. Daarvoor zijn extra maatregelen nodig. Zo zouden nesten duidelijker gemarkeerd moeten worden, zodat boeren ze makkelijker kunnen ontwijken.

Informatie: www.blackwellpublishing.com/ibi
Bron: Ibis

lees meer
11 JUNI 2007

MASSALE STERFTE ONDER JONGE KOOLMEZEN

Dit voorjaar lijkt het alsof er veel meer jonge koolmezen dood worden aangetroffen, zowel in nestkasten als in de omgeving daarvan. Het NIOO (Nederlands Instituut voor Ecologie) stelt een onderzoek in naar de oorzaak van de massale sterfte onder jonge koolmezen. Het onderzoekssteam onder leiding van Marcel Visser heeft al wel ontdekt dat de koolmezen dit jaar eerder zijn gaan broeden, al voordat het legsel compleet is.
'Mezen leggen meestal negen of tien eieren, elke dag een. Normaal gaat het vrouwtje pas broeden als het legsel compleet is. Dit jaar hebben we gezien dat ze door de hogere temperatuur in het voorjaar hebben geprobeerd het broeden te versnellen.' Na het leggen van het zesde of zevende ei gaat moeder koolmees al op de eieren zitten, de jongen uit de latere eieren hebben dus een achterstand. 'In veel gevallen zullen die het niet halen', zegt Visser.
Een eerder onderzoek van het NIOO liet bovendien zien dat de koolmeeseieren op een minder goed moment uitkomen dan voorheen. Koolmezen voeren hun jongen met rupsen van de kleine wintervlinder, die half april uit hun ei komen en zich tegoed doen aan verse eikenbladeren. In een periode van twee weken komen de rupsen dan in grote aantallen voor op de bomen, en is het voedsel voor de mezen overvloedig aanwezig - dit heet de rupsenpiek. Wanneer deze piek te vroeg is, krijgen de mezen niet genoeg voedsel en groeien ze niet goed. Hierdoor treed een hogere sterfte op onder de jonge mezen. De piek is afhankelijk van de temperatuur in het voorjaar, en wordt de laatste jaren steeds meer vervroegd. De zomereiken lopen de afgelopen dertig jaar eerder uit, waardoor de rupsenpiek ook eerder in het seizoen plaatsvindt. Koolmezen hebben de grootste moeite zo'n verschuiving bij te benen, omdat ze zich niet zozeer zich laten beinvloeden door de temperatuur, maar door de daglengte.
Volgens Visser is 2007 een extreem jaar: de rupsenpiek van de kleine wintervlinder was dit jaar door de warme aprilmaand twee weken eerder dan normaal. Mezen in gebieden met een gevarieerde vegetatie kunnen nog uitwijken naar ander voedsel, anderen zullen te maken krijgen met een voedseltekort.
De definitieve onderzoeksresultaten van het lopende onderzoek worden deze zomer verwacht.

Informatie: vroegevogels.vara.nl/portal
Bron: Vara's Vroege Vogels

lees meer
8 JUNI 2007

LANDSCHAPSVEILING MOET NATUUR VEILIG STELLEN

Op 15 september 2007 kan iedereen met het ‘kopen’ van een landschapselement tijdens de allereerste landschapsveiling ter wereld, een daad stellen voor de natuur. Het initiatief is ontstaan vanuit de gedachte dat boeren en grondeigenaren steeds minder door de overheid financieel worden gesteund om het landschap te onderhouden.
Deze veiling is de eerste van een veilingtoer door Nederland, een initiatief van ARK, Triple E en Via Natura, en wordt financieel mogelijk gemaakt door het Wereld Natuur Fonds.
Tientallen landschapselementen onder de hamer, die zich in een omlijnd gebied in de Ooijpolder bevinden. De kopers van de elementen worden niet letterlijk eigenaar van een scheerhaag, weidestrook of oeverrand, maar ‘participant’. De eigenaar blijft altijd de boer. De participaties garanderen echter dat de landschapselementen een natuurfunctie krijgen. En dat er voldoende middelen zijn om voor een periode van tien jaar hagen te snoeien en natuurstroken te beweiden. Samen realiseren de participanten daarmee een natuurverbinding waar vele dieren en planten van profiteren, aldus de initiatiefnemers.
De landschapselementen vormen een aaneengesloten groen netwerk tussen de bossen op de stuwwal bij Beek-Ubbergen en de natuurgebieden in de polder en de Waaluiterwaarden. De toekomstige groene corridor moet een route worden voor kleine en grote dieren. Maar ook biedt ze een wandelroute door het boerenland, waar mensen kunnen genieten van het landschap én boeren hun gewassen blijven verbouwen.
De gedachte achter de veiling is dat de landelijke overheid slechts 0,2 procent van de rijksbegroting aan bescherming van natuur en landschap uitgeeft, terwijl het thema door burgers steevast in de top 3 van belangrijkste onderwerpen wordt gezet. Voor de agrarische sector is dit een nieuwe kans om inkomsten te genereren. Elk landschapselement heeft een minimumprijs om ervoor te zorgen dat de boer het beheer en onderhoud kwalitatief goed kan uitvoeren. Deze minimumprijs is berekend aan de hand van de Nederlandse Catalogus Groenblauwe diensten.

Informatie: www.groenegoededoelen.nl
Bron: Persbericht Ark, Triple E, Via Natura

lees meer
7 JUNI 2007

GROTE ZEEGRASTRANSPLANTATIE OOSTERSCHELDE

Langs de oevers van de Oosterschelde wordt deze maand duizend vierkante meter zeegras verplaatst. Het is een project ter voorbereiding op de enorme transplantatie die in 2011 op stapel staat. Dan wordt de dijk versterkt, waarbij ál het zeegras moet worden verplaatst. Nu wordt nagaan hoe dat het beste kan gebeuren. In de Oosterschelde groeit vooral klein zeegras (Zostera noltii ). Klein zeegras staat op de Rode Lijst.
Volgens Europese regelgeving moeten bij ingrepen met een significant effect op zeegrasvelden maatregelen genomen worden. Bij de dijkwerkzaamheden in de Oosterschelde in 2011 verdwijnt vijftien tot twintig meter slik (de Zuid-Nederlandse naam voor wad, droogvallende getijdenplaat). Daarbij worden over een lengte van tien kilometer stroken zeegras vernietigd van enkele tot tien meter breed. Dat is ongeveer een procent van de zeegrasvelden in de Oosterschelde.
Vanaf maandag 4 juni verplaatsen daarom shovels en vrachtwagens drie weken lang zoden met zeegras van de slikken van Viane in Schouwen-Duiveland naar Tholen. De wetenschappelijke leiding is in handen van zeegrasdeskundige Marieke van Katwijk van de Radboud Universiteit in Nijmegen.
In Zuidwest-Nederland is het areaal zeegras de afgelopen twintig jaar met negentig procent afgenomen tot zo’n 80 hectare. In het waddengebied staat nog ongeveer 40 hectare. Klein zeegras is een getijdeplant van 20 tot 25 centimeter hoog en zeer belangrijk voor het ecosysteem. Jonge vissen, krabben en garnalen vinden beschutting in het zeegras en daarom vormen velden van zeegras kraamkamers voor vissen en krabben. Ook kan zeegras zijn omgeving beïnvloeden: het is een zogeheten ecosysteemingenieur. De plant houdt sediment vast en maakt de bodem slibbiger, en dat heeft weer effect op andere planten en dieren.
‘Op deze schaal zeegras transplanteren is het wetenschappelijk bijzonder interessant: we kunnen nauwkeurig nagaan onder welke omstandigheden zeegras zich wel en niet handhaaft’, aldus Van katwijk.

In totaal worden veertig gebieden beplant met zeegras, om meerdere variabelen te onderzoeken. Zo is de Oosterscheldekust in Krabbebeek-Zuid beschut, terwijl de oever bij Dortsman-Noord veel stroming en golfslag kent. Ook worden de grassen in verschillende dichtheden aangeplant.
Van Katwijk hoopt op een honderd procent succesvolle transplantatie. ‘Sterker nog, ik verwacht een toename van zeegras. We hopen namelijk op uitbreiding van de aanplant én op teruggroei op plekken waar zeegrassen worden weggehaald. Bij het steken van de plaggen blijven altijd wat restjes zeegras achter die zich daar kunnen uitbreiden. Deze zullen dan ook weer overgeplaatst worden.’

Informatie: www.ru.nl/wetenschapsagenda
Bron: Wetenschapsagenda Radboud Universiteit Nijmegen

lees meer
6 JUNI 2007

SUCCES ROBUUSTE VERBINDINGEN ONZEKER

Vijf van de tien robuuste verbindingszones, aangegeven in de Nota Ruimte, zullen voor het edelhert niet, of in beperkte mate gaan werken. Bij het wilde zwijn geldt dat voor twee van de tien zones. De precieze afgrenzing en inrichting ervan ligt nog niet vast, dus er is nog ruimte voor verbetering. Dat blijkt uit een rapport van het instituut Alterra.
Er is onder andere onderzocht hoeveel er van de verbindingszones gebruikgemaakt zal worden. Daarvoor is een inschatting gemaakt van de geschiktheid van het habitat eromheen voor het edelhert en het wilde zwijn. De verbindingszones die voor het edelhert waarschijnlijk niet zullen gaan werken zijn: Veluwe-Gelderse Vallei, Meinweg-Reichswald, Veluwe-Duitsland, Wisselse Poort, en Beekbergse Poort. Voor het wilde zwijn zijn dat Meinweg-Reichswald, en Wisselse Poort.
Belangrijke factoren die het succes bepalen zijn vegetatiestructuur en -samenstelling en de rust. Vooral edelherten zijn gevoelig voor verstoring door menselijke activiteiten, en hebben een rustige omgeving nodig.
Verwacht wordt dat tien tot twintig procent van de bronpopulatie van edelherten naar de verbindingszones zal migreren. Die zogenaamte starters krijgen daar vervolgens te maken met de weerstand van het landschap. Hun aantal zal daardoor afnemen; soms zal geen enkel hert zelfs overleven.
Het aantal verkeersdoden in de verbindingen wordt jaarlijks geschat op ongeveer drie procent van de dieren. Bij edelherten betekent dat per zone 0-2.0 slachtoffers, en bij wilde zwijnen 0.1-1.0 slachtoffers.
Het is niet uitgesloten dat de tracé's in de Nota Ruimte nog aangepast worden. Op dit moment zijn de provincies nog bezig met het vaststellen van een concrete invulling van de plannen. Eind van dit jaar wordt een definitieve begrenzing verwacht.
Het onderzoeksrapport geeft ook aan hoeveel schade er verwacht kan worden aan landbouwgrond rondom de verbindingszones. Bij edelherten is dat 0.03 ha per individu, en bij wilde zwijnen 0.05. Voor de Havikerpoort bij Dieren, in Gelderland, is dit verder uitgewerkt. Er moet daar met een jaarlijkse schade van 5000 euro rekening gehouden worden. De overdracht van veterinaire ziekten van wilde dieren op de veehouderij wordt ingeschat op klein tot zeer klein, afhankelijk de ziekte waarom het gaat.



Zie ook: rapport

lees meer
5 JUNI 2007

WORM TOCH NIET ZO GOED VOOR KLIMAAT

Een simpele regenworm blijkt een flinke bijdrage te leveren aan de uitstoot van broeikasgassen. Opmerkelijk, want regenwormen staan juist bekend om hun positieve bijdrage aan klimaatverandering. Maar ze kunnen veel lachgas produceren, blijkt uit onderzoek van Wageningen UR, gepubliceerd in het vaktijdschrift Soil Biology and Biochemistry.
Bepaalde soorten regenwormen produceren veel lachgas en dragen zo bij aan een warmer klimaat. Welke wormsoorten de grootste boosdoeners zijn, is nog niet bekend. ‘We vermoeden dat de regenwormen die in de bovenste grondlaag zitten, de strooiseleters, het meest bijdragen aan lachgas productie, omdat zij de verse gewasresten eten’, zegt onderzoeker Jan Willem van Groenigen van Alterra.
Tijdens het verteren van de plantenresten produceren wormen lachgas in hun darmen. Daarnaast ontstaat lachgas in de grond, bij het afbraakproces van organisch materiaal door bacteriën en schimmels. ‘In de bodem is minder zuurstof en meer stikstof, waardoor lachgas eerder wordt gevormd dan bovengronds.’
Wanneer er bepaalde regenwormen in de grond zitten neemt de hoeveelheid lachgas die vrijkomt bij de afbraak van gewasresten tot achttien maal toe. ‘Dit kan de balans behoorlijk verstoren. Niet omdat het heel veel is, maar omdat lachgas een heel sterk broeikasgas is. Eén molecuul is vergelijkbaar met driehonderd moleculen koolstofdioxide.’
Tot nu toe stonden regenwormen juist bekend om hun positieve bijdrage aan klimaatverandering. Ze nemen het organisch materiaal mee onder de grond, waar het langzamer afbreekt, met een lagere uitstoot van koolstofdioxide tot gevolg. Nu blijkt dat het afbraakproces van plantenresten in de grond tegelijkertijd tot een hogere productie van lachgas leidt. Dit stelt de onderzoekers voor de vraag wat het netto effect van regenwormen is op de klimaatverandering. ‘Misschien leidt een bepaalde samenstelling van wormensoorten in de bodem wel tot de optimale balans van deze twee processen’, zegt Van Groenigen. ‘Ons onderzoek maakt nu in ieder geval duidelijk dat bodemdieren een rol spelen in de emissies van broeikasgassen uit de landbouw. Daar moeten we rekening mee houden in onze klimaatmodellen.’


lees meer
4 JUNI 2007

VERJONGING KWELDERS LASTIGE KLUS

Het idee om de veroudering van de kwelders langs de noordkust van Friesland en Groningen tegen te gaan door tijdelijk het onderhoud aan de kwelderdammetjes te staken, blijkt niet haalbaar. Het lokaal afgraven van hoge kwelders kan wel bijdragen aan de verjonging, maar moet verder worden onderzocht. Dit blijkt uit een studie van Wageningen IMARES en Altenburg & Wymenga, in opdracht van Rijkswaterstaat.
Verjonging van de kwelders is een van de doelen van Natura 2000 en van de pkb Derde Nota Waddenzee. De uitkomsten van deze studie zijn derhalve een bijdrage aan de discussie over beheermaatregelen in het kader van de komende Beheerplannen Waddenzee.
De vraag is of het mogelijk is de autonome ontwikkeling van de kwelders naar een uniforme vegetatie te doorbreken, door in een kustvak tijdelijk het onderhoud aan de kwelderwerken te stoppen. De hypothese is dat de oude kwelder dan erodeert en dat later, bij hervatting van het onderhoud, weer opslibbing plaatsvindt en een nieuwe, jonge kwelder kan ontstaan.
Uit de studie blijkt dat dit voor de korte termijn geen haalbare optie is. De pionierzone en de lage kwelder zullen snel eroderen, maar de meer naar de zeedijk gelegen hogere kwelder – juist het deel dat sterk is verouderd en eenvormig is geworden – zal nauwelijks eroderen. De erosiesnelheid van de oude kwelder zal hooguit 0,5 meter per jaar bedragen, waardoor het verjongingsproces een periode van eeuwen gaat beslaan. Cyclisch dammenbeheer is wel uitvoerbaar voor de pionierzone en lage kwelder, maar ook dan moet gerekend worden met een termijn van zo’n 100 jaar.
Een andere optie die is bekeken in de studie is het diep afgraven van de hogere kwelder. Het graven van zogenaamde kleiputten levert plaatselijk en tijdelijk een verjonging van de vegetatie op. In ongeveer 50 jaar zal de oude kwelder weer terug zijn; in de tussentijd is er wad, pionierzone en lage kwelder. De ingreep is mogelijk te combineren met aanpassing van het krekenpatroon. Deze ingreep is alleen haalbaar als de vrijkomende klei in de buurt kan worden gebruikt voor dijkverhoging of voor drinkdobbes.

Informatie: www.waddenvereniging.nl
Bron: Nieuwsbrief Waddenvereniging

lees meer
1 JUNI 2007

BIJZONDERE LIBELLEN IN HARDERBOS

Vereniging Natuurmonumenten heeft in het Harderbos bij Biddinghuizen verschillende bijzondere libellensoorten waargenomen. Het gaat onder meer om de weidebeekjuffer en verschillende soorten witsnuitlibellen. De waarnemingen tonen aan dat de waterkwaliteit in het natuurgebied uitstekend is, aldus Natuurmonumenten.
De laatste jaren heeft Natuurmonumenten via verschillende inrichtingsmaatregelen gezorgd voor een beter leefgebied voor allerlei diersoorten. In 1999 is gestart met de verbreding van de dijksloot langs de Harderdijk. Het Broekbos werd natter en de scheidingssloot langs dat bos kreeg een beekachtig karakter. Juist in die sloot is nu een populatie weidebeekjuffers ontdekt. Drie jaar later is plas De Lepelaar voorzien van flauw aflopende oevers en is het bosgebied eromheen vergaand vernat. Tenslotte heeft ook begrazing met Schotse hooglanders de omstandigheden voor bijzondere soorten verbeterd.
De dijksloot grenst aan het Broekbos, onderdeel van het Harderbos, en aan het graslandgebied Kievitslanden, ook van Natuurmonumenten. Natuurmonumenten en Waterschap Zuiderzeeland hebben samen gezorgd voor een sterke verbetering van deze waterloop.
In de sloot is nu door een onderzoeker een groep weidebeekjuffers gezien. De weidebeekjuffer is een vrij grote waterjuffer, met een groenblauwe metaalglans. Mannetjes hebben een opvallende donkerblauwe band op de vleugels, waardoor ze eruit zien als een bijzonder juweel. Weidebeekjuffers fladderen als een vlinder en zijn vaak te zien op een overhangende stengel of een blad, boven het stromende water.
De soort is kenmerkend voor helder, zuurstofrijk, stromend water van een goede kwaliteit. Dit water komt hier vanuit het randmeer als zogenaamd kwelwater omhoog in de sloot. Al deze omstandigheden bij elkaar maken dat de dijksloot kenmerken vertoont van een beek. De weidebeekjuffer denkt er blijkbaar ook zo over.
In de vroegere zandwinplas De Lepelaar in het Harderbos heeft Natuurmonumenten bovendien voor Flevoland nieuwe libellensoort en twee zeldzame soorten gevonden. De nieuwe soort is de venwitsnuitlibel.
Deze is kenmerkend voor vennen, maar leeft ook wel bij zandwinplassen zoals De Lepelaar. De twee in Nederland zeldzame soorten zijn noordse witsnuitlibel en gevlekte witsnuitlibel. Beide zijn kenmerkend voor veengebieden.
Boswachter Age Boonstra is enthousiast over de vondst van de bijzondere libellen: Ze onderstrepen dat door een goede waterkwaliteit en het juiste beheer de natuur hier in Flevoland steeds meer gaat lijken op die van veel oudere gebieden, zoals laagvenen. Steeds meer verschillende soorten zullen zich in Flevoland thuis gaan voelen.

Informatie: www.natuurmonumenten.nl
Bron: Persbericht Natuurmonumenten

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk