homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

31 MEI 2007

GROTE GRAZERS OORZAAK TEKENPLAAG?

Paarden en Schotse hooglanders zijn mogelijk de oorzaak van de tekenplaag in Nederland. Dat schreven de Gelderlander en het Reformatorisch dagblad vorige week, op basis van opvallende telresultaten op Texel. Arnold van Vliet, coördinator van het tekenonderzoek in Nederland nuanceert de berichten echter in Resource, het weekblad voor Wageningen UR.
De bron van het bericht is een vrijwilliger die voor Wageningen Universiteit teken telt op Texel. Op plaatsen waar grote grazers lopen, vond hij vier keer zoveel teken als op andere plaatsen.
Arnold van Vliet, hoe zit dat? Moeten we bang zijn voor grazers?
‘Wij kunnen die conclusie nog lang niet trekken. De vrijwilliger telt voor ons teken op Texel. Wij hebben 25 vrijwilligers die door het hele land metingen uitvoeren, hij is er één van. Hij heeft opvallende resultaten gemeten bij grazers. Die heeft hij gemeld bij de gemeente, en die heeft er een persbericht van gemaakt en zo kwam het in de krant. Ik was daar niet blij mee, want er zijn nog veel te weinig metingen om conclusies te trekken. Wij zouden wel graag onderzoek doen naar de relatie tussen grote grazers en de tekenpopulatie. Maar tot dusver hebben we daar geen geld voor gehad.’
Het klinkt wel logisch. Teken hebben zoogdieren nodig, dus de aanwezigheid van veel grote zoogdieren maakt een gebied aantrekkelijk voor teken. Of niet?
‘Dat zou best kunnen. Volwassen teken gebruiken bijvoorbeeld reeën als gastheer. Maar grazers hebben meer invloed op de natuur. Ze begrazen het gebied en hebben zo invloed op de vegetatie, en zodoende op de leefomstandigheden van muizen en andere kleine zoogdieren die ook gastheren zijn voor teken. Hoe die gecombineerde effecten uitpakken is niet op voorhand te zeggen. De aanwijzingen die we nu hebben zijn tegenstrijdig. De ene wijst erop dat de teek profiteert van grazers, andere aanwijzingen lijken juist de andere kant op te wijzen.’

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
30 MEI 2007

STELTLOPERS VERBREKEN NON-STOPVLIEGRECORD

Rosse grutto’s en Zuidzeewulpen vliegen non-stop duizenden kilometers over de Stille Oceaan. Ze verbreken zelfs het geschatte non-stopvliegrecord van zesduizend kilometer. Dat staat in het eerste rapport van het Global Flyway Network dat dit voorjaar is verschenen.
Vanuit Alaska vlogen de rosse grutto’s en Zuidzeewulpen 6.955 kilometer (in 5.5 dagen) tot 10.800 kilometer (in 9.6 dagen) naar Zuidzee-eilanden om te overwinteren. De vogels konden tijdens hun trek gevolgd worden dankzij satellietzenders die ze meedroegen.
Het continu stevig doorvliegen op grote hoogte heeft als voordeel dat er onderweg nauwelijks risico is op roofdieren of ziektekiemen. Maar het moet fysiek wel kunnen. De vogels bleken exact zoveel op lichaamsgewicht te zijn ingeteerd als voor hun vliegafstand nodig was.
Het is een van de onderzoeksresultaten die zijn opgenomen in het eerste - interne - rapport van het Global Flyway Network (GFN). Het GFN is een internationaal verbond van steltloperonderzoekers. De Nederlandse oprichter ervan, steltloperexpert Theunis Piersma, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, merkte dat vogelonderzoekers uit Argentinië, Australië en Afrika uit geldgebrek nauwelijks aan onderzoek toekwamen. Om deze wetenschappers te steunen, de steltlopers te helpen beschermen en bekendheid te geven aan het onderzoek naar de vogels, richtte hij eind 2006 het GFN op. Door in het rijke Nederland fondsen te werven van vooral Vogelbescherming Nederland, kunnen GFN-onderzoekers wereldwijd hun vleugels uitslaan.
Piersma en zijn collega’s onderzoeken ook veel andere steltlopersoorten. Veel soorten trekken twee keer per jaar duizenden kilometers, en doen onderweg pleisterplaatsen aan. Dat maakt ze kwetsbaar voor biotoopverlies. Er hoeft tussen Noordpool en tropen maar één schakel te verdwijnen, of een soort kan teloorgaan. Zoals onze kanoeten lijden onder de kokkelvisserij op de wadden, lijden zijn Canadese soortgenoten onder krabbenvisserij op hun pleisterplaats op weg naar het Argentijnse winterverblijf, ontdekte een van de GFN-onderzoekers. In de baai van Delaware aan de Amerikaanse oostkust sterken kanoeten aan op een dieet van degenkrabbeneieren. Maar de degenkrabben worden er zo grondig weggevist, dat er te weinig eitjes voor de kanoeten overblijven, blijkt uit het GFN-rapport.

Koos Dijksterhuis

Informatie: www.rug.nl/biologie/onderzoek/onderzoekgroepen/dieroecologie.

lees meer
29 MEI 2007

EERSTE PLANTEN BEPALEN NATUURHERSTEL

De eerste planten die bij natuurherstel op voormalige akkers opduiken, laten in de bodem een 'erfenis' achter. Deze erfenis - in de vorm van bodemorganismen - stuurt de snelheid en de richting van het vervolg van het natuurherstel, blijkt uit onderzoek van Paul Kardol van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW). Deze kennis kan helpen bij natuurontwikkeling.
Het lukt vaak niet om uit productie genomen landbouwgronden om te vormen tot soortenrijke graslanden en heidevelden. Dat is jammer, omdat die halfnatuurlijke ecosystemen landelijk sterk achteruit gaan.
Kardol toont aan dat het bodemleven het natuurherstel op voormalige akkers kan versnellen of vertragen. In nog jonge nieuwe natuur wordt de vegetatieverandering versneld door groeiremmende en ziekteverwekkende bodemorganismen de vegetatieverandering. Op nieuwe natuur die wat ouder is lijken juist de positief werkende bodemorganismen de herstelde natuur in stand te houden. Sommige van deze behulpzame bodemorganismen zaten al in de akker, maar in lage aantallen. Andere koloniseren de nieuwe natuur langzaamaan vanuit de omgeving en vermenigvuldigen zich als de bodemomstandigheden en de planten daar geschikt voor zijn.
In een reeks Zuid-Veluwse landbouwgronden die uit productie zijn genomen, onderzocht bioloog Kardol de relatie tussen het bodemleven en de vegetatie. Hij stelde vast welke plantensoorten voorkwamen en kweekte deze planten op in een kas, in grond van de voormalige akkers. Akkeronkruiden, die de plantengemeenschap domineren net na het uit productie nemen, worden door het bodemleven geremd in hun groei, terwijl de plantensoorten van de oudere 'natuurherstelgebieden' juist in hun groei worden bevorderd. Zo ontwikkelt de plantengroei zich snel van de eerste pioniers naar een rijke groep opvolgers. De ecologische erfenis in de bodem doet zijn werk.
Vervolgens beplantte Kardol in de kas grond van een recent verlaten akker met zes verschillende onkruidsoorten die vaak als eerste te vinden zijn: herderstasje, Canadese fijnstraal, akkerviooltje en de grassen geknikte vossenstaart, grote windhalm en straatgras. Als tweede stap plantte hij deze zes onkruiden opnieuw in dezelfde grond en vond dat elke soort het slechtst groeit in de eigen grond. Ook doen de grassen het minder goed in de grond van andere grassen; de kruidachtige soorten beïnvloeden elkaar minder. De onderzoeker filterde de bacteriën en schimmels uit de bodem. Door ze toe te voegen aan steriele grond toonde Kardol aan dat deze microscopisch kleine bodemorganismen de reactie van de planten op de verschillende bodems kunnen verklaren. Zij zijn het die de erfenis vormen van de eerste planten.
Voor de toepassing van deze bevindingen is het nu van belang om te leren hoe je het bodemleven op grote schaal kunt inzetten voor natuurherstel. Kardol: ‘Zo maar beestjes in de grond stoppen werkt niet. Ze worden door het andere bodemleven opgegeten of weggeconcureerd, of ze hebben te weinig te eten. Daar ligt dus nog een grote uitdaging. Maar het principe werkt.’
Het onderzoek maakt onderdeel uit van een groter project over patronen en processen in de bodem, gesubsidieerd door Stichting Kennisontwikkeling Kennisoverdracht Bodem, Delft Cluster en NWO.

Informatie: www.nioo.knaw.nl/NEWS/persbericht.htm
Bron: persbericht NIOO-KNAW

lees meer
25 MEI 2007

NEDERLANDSE WATEREN NAUWELIJKS SCHONER

In chemisch en ecologisch opzicht is de kwaliteit van de wateren in Nederland de afgelopen tien tot vijftien jaar nauwelijks verbeterd. Voor de chemische toestand wordt de komende jaren ook geen sterke verbetering verwacht. Voor de ecologie zijn de prognoses positiever. Dit blijkt uit jaarlijkse rapportage van het Landelijk Bestuurlijk Overleg Water.
Circa de helft van de locaties waar vorig jaar monsters zijn genomen voldeed niet aan de eisen van Brussel, die de EU-lidstaten verplichten het oppervlaktewateren en grondwater voor 2015 in een 'goede chemische en ecologische toestand' te krijgen.
De chemische toestand van de wateren zal volgens het rapport de komende jaren niet sterk verbeteren. De stoffen die de grootste problemen veroorzaken zijn zware metalen, PAK's (afkomstig uit verbrandingsprocessen), tributyltin (lang gebruikt om schepen te vrijwaren van algenaangroei) en bestrijdingsmiddelen.
De ecologische toestand zal wel verbeteren, mede dankzij de aanleg van nevengeulen die bedoeld zijn om de gevaren van hoogwater tegen te gaan. Desondanks is de verwachting dat waterplanten, macrofauna, algen en vis in de waterlichamen qua diversiteit, aantallen en bedekkingsgraden regelmatig onder het gewenste niveau blijven.
Nederland heeft met zijn ligging dubbel ongeluk. Het ligt allereerst in de delta van een paar grote rivieren. Een groot deel van de meststoffen in het water wordt via die rivieren geïmporteerd uit België en Frankrijk. Nederland ligt ook nog eens voor een groot deel beneden zeeniveau. Door dit laatste is het grootste gedeelte van de watersystemen (95 procent) door mensenhanden tot stand gekomen, wat de mogelijkheden tot een rijk natuurlijk waterleven beperkt.

Informatie: www.milieuloket.nl
Bron: Milieuloket

Zie ook: rapport

lees meer
24 MEI 2007

BIODIVERSITEIT MAAKT GELUKKIG

Mensen in een groene omgeving voelen zich gelukkiger naarmate de biodiversiteit van het gebied toeneemt. Vooral een grote diversiteit aan planten en vogels heeft effect. Het was al bekend dat groen een positieve invloed heeft op het welzijn van mensen. Onderzoekers van de universiteit van Sheffield schrijven nu in het wetenschappelijk tijdschrift Biology Letters dat dit effect afhangt van de diversiteit.
Voor hun onderzoek kozen de wetenschappers vijftien groene zones in hun stad en ondervroegen daar 312 aanwezigen over de de gevoelens die het gebied bij hen opriep. Daarmee wilden ze uitvinden in hoeverre de ondervraagden zelf het idee hadden dat ze zich beter gingen voelen door het groen om zich heen.
Ze vroegen hen ook een inschatting te maken van het aantal soorten planten, vlinders en vogels in het gebied. Zelf deden de onderzoekers nauwkeurige tellingen, om te kunnen nagaan of de bezoekers het bij het rechte eind hadden.
De groenbezoekers bleken een vrij realistisch beeld te hebben van de biodiversiteit in hun zone, tenminste als het om planten en vogels ging. De hoeveelheid vlinders wisten ze veel minder goed in te schatten. Mogelijk omdat die vaak onzichtbaar onder een blaadje of op een boomstam zitten.
Wat hun geestelijk welbevinden betreft, zeiden de ondervraagde mensen dat ze meer positieve effecten ervaren naarmate er meer soorten planten en vogels in een gebied waren. Of ze er ook echt gezonder en gelukkiger van werden, hebben de onderzoekers niet getest. De bezoekers waren waarschijnlijk niet toevallig aanwezig op de plaatsen waar ze werden ondervraagd. Het zou kunnen dat de meest gevarieerde gebieden de gelukkigste mensen aantrekken, terwijl depressieve pessimisten liever gaan zitten kniezen temidden van een zo saai mogelijke begroeiing. Keihard bewijs levert dit onderzoek dus niet.

Informatie: noorderlicht.vpro.nl
Bron: Noorderlicht

lees meer
23 MEI 2007

STADSGROEN GAAT TEMPERATUURSTIJGING TEGEN

Tien procent meer groen in de stad kan de temperatuur daar met ongeveer 4°C verlagen. Dat blijkt uit een studie van de University of Manchester. Volgens de wetenschappers kan een beperkte toename van parken en straatbomen de voorspelde temperatuurstijgingen in onze steden compenseren.
De temperatuurdaling van 4°C wordt veroorzaakt door het koelende effect van water, als het door transpiratie van de vegetatie in de lucht verdampt. ‘Groene plekken verzamelen water beter en houden het beter vast dan een bebouwde omgeving’, volgens Roland Ennos, hoofdonderzoeker van het team. ‘Als dit water van de bladeren van planten en bomen verdampt, koelt het de omringende lucht precies zoals het koelende effect van zweet op onze huid.’
Die temperatuurdaling van 4°C is gelijk aan de gemiddelde voorspelde stijging van de temperatuur door opwarming tot het jaar 2080.
De onderzoekers maakten met een Geografisch Informatie Systeem (GIS) een beeld van het landgebruik van een stad. Vervolgens berekenden ze welk gevolg de toename van de hoeveelheid groene ruimte zou hebben op het stedelijke klimaat en op het vermogen om water vast te houden. ‘Stedelijke gebieden kunnen tot 12°C warmer zijn dan meer landelijke omgevingen, door zowel de hitte die gebouwen, wegen en verkeer afgeven als een vermindering van de koelende verdamping', zegt Ennos.
‘We ontdekten dat een beperkte toename van de groene ruimte met tien procent, de oppervlaktetemperaturen in de stedelijke omgeving met 4°C vermindert. Dit maakt onze steden 'klimaatbestendig' als je de temperatuurstijging door aardeopwarming over de komende 75 jaar hiertegen afzet. Zo'n reductie heeft belangrijke gevolgen voor het welzijn en de gezondheid van mensen in stedelijke gebieden. Kansen om de groene ruimte te vergroten moeten daarom worden genomen zodra structurele veranderingen plaatsvinden, gecombineerd met de aanplant van straatbomen en de aanleg van groene daken.’

Informatie: www.manchester.ac.uk/aboutus/news/display/index.htm?id=115820
Bron: University of Manchester

lees meer
22 MEI 2007

GEZONDE VOGEL LEGT EI MET WEINIG STIPPEN

Pimpelmezen die eieren leggen met weinig stippen zijn gezonder dan mezen met veel stippen op hun eieren. Dat schrijven Spaanse onderzoekers in de Journal of avian biology. Hierdoor kan op een gemakkelijke manier de gezondheid van sommige vogels worden bepaald.
Veel zangvogels leggen eieren met roodbruine stippen, waaronder verschillende soorten mezen. De meeste van die stippen en vlekken worden veroorzaakt door pigmenten die in het bloed worden gemaakt. Daarvan was al bekend dat ze bij vrouwtjes een rol spelen in het verouderingsproces van lichaamscellen. De onderzoekers verwachtten daarom een relatie te vinden tussen de hoeveelheid stippen en de lichamelijke gezondheid van broedende mezen.
De studie werd gedaan in 2004 in een populatie broedende pimpelmezen (Cyanistes caeruleus) in centraal Spanje. De eieren werden uit de nestkastjes gehaald en onder een zogenoemde spectrofotometer gelegd, waarmee de verhouding lichte en donkere plekken op de eierschalen gemeten kan worden, en de kleuren. De volwassen dieren werden drie dagen na het uitkomen van de eieren gevangen. Hun leeftijd, lengte en gewicht werden gemeten om hun lichamelijke conditie te bepalen, en er werd bloed afgenomen. Daarin werd gezocht werd naar antistoffen die belangrijk zijn voor het verweer tegen ziekten, en naar stresshormonen.
Bij de vrouwtjes bleek dat hoe groter het aantal stippen was, hoe zwakker hun lichamelijke conditie, gemeten naar de verhouding lengte-gewicht. Dat hing bovendien samen met meer stresshormonen en minder antistoffen in het bloed, hoewel het verschil met normale waarden antistoffen marginaal was. Daarnaast hadden deze vrouwtjes ook vaker een mannelijke partner met meer stresshormonen en minder antistoffen in het bloed. Bij de mannetjes was er geen relatie met lichamelijke conditie.
Deze resultaten komen overeen met die van eerder onderzoek. Volgens de Spaanse wetenschappers kan nu makkelijker bepaald worden hoe gezond vogels zijn.

Informatie: www.blackwellpublishing.com/journal.asp?ref=0908-8857

lees meer
21 MEI 2007

ACHTERUITGANG PATRIJS IS TE STOPPEN

Om het aantal patrijzen in Nederland weer te laten groeien moeten verschillende maatregelen gecombineerd worden. Door landbouwgrond braak te leggen, en het gebruik van pesticiden te verminderen ontstaat meer beschutting en voedsel. Dat blijkt uit een analyse van Europese onderzoeken, die Vogelbescherming Nederland heeft laten maken.
Tot halverwege de vorige eeuw was de patrijs (Perdix perdix) een veelvoorkomende broedvogel van het open agrarische landschap. Tegenwoordig zijn er in Nederland naar schatting nog ongeveer 10.000 paren. Rond 1970 waren dat er zo'n 40.000. De afname is het grootst in Friesland, westelijk Groningen, de Noord-Oostpolder en oostelijk Flevoland.
Vanaf de jaren '50 (in Groot-Brittanië) en '60 (elders in Europa) begonnen de populaties sterk te krimpen. Dit proces duurde bijna twintig jaar. In die periode bleek de daling samen te hangen met een sterke daling van het aantal kuikens dat wist te overleven. Een belangrijke oorzaak daarvan is waarschijnlijk de toename van het gebruik van pesticiden, waardoor er minder insekten waren als voedsel voor de kuikens. Door intensivering en mechanisering van de landbouw ontstond er bovendien een tekort aan ruigten en brede akkerranden, waardoor er minder dekking was voor geschikte broedplaatsen.
Vanaf ongeveer 1970 in Groot-Brittanië en 1980 in de rest van Europa, daalden de populaties verder. Ditmaal als gevolg van een daling van het aantal hennen dat de winter overleefde, en een afname van het percentage uitgekomen eieren. Verschillende studies suggereren dat dit in beide gevallen komt door een toename van predatie, door soorten als de vos, hermelijn, zwarte kraai en ekster. In sommige gebieden spelen ook parasieten en de menselijke jacht een rol.
Omdat er tegenwoordig meerdere oorzaken van de achteruitgang zijn, is de meest veilige aanpak het nemen van een combinatie van maatregelen. In Groot-Brittanië heeft dat in bepaalde projecten tot positieve resultaten geleid heeft. Er is daarin allereerst gezorgd voor habitats met veel insekten, die de kuikens kunnen eten. De meest praktische manier om dat te bereiken is door de akkerranden niet meer te bespuiten met pesticiden. Ook is er gezorgd voor zadenrijke habitats, zodat volwassen dieren in de winter voldoende te eten hebben. Dat kan door akkers braak te leggen, of door percelen met speciale mengsels in te zaaien. Ten slotte is de predatie moeilijker gemaakt door de patrijs voldoende dekking te bieden, en zijn de predatoren bejaagd.

Informatie: www.vogelbescherming.nl


Zie ook: rapport

lees meer
18 MEI 2007

MONUMENTALE BOMEN VERDWIJNEN SNEL

In de afgelopen vijftien jaar is vijftien procent van de monumentale bomen gesneuveld, meldt de Bomenstichting. Ruim duizend monumentale bomen en boomgroepen van landelijke betekenis, opgenomen in het landelijk Register van Monumentale Bomen, zijn de afgelopen vijftien jaar uit dit register verdwenen. De stichting vindt dat alle bomen uit het register een beschermde status moeten krijgen.
De hoge uitval van de laatste vijftien jaar wordt niet toegeschreven aan natuurlijke sterfte, maar voornamelijk aan menselijk ingrijpen. Monumentale bomen moeten vaak wijken voor bouwprojecten, of worden door onwetendheid of onverschilligheid beschadigd. Tijdens de bouw gaan veel wortels kapot, waardoor bomen verzwakken en een aantal jaren later alsnog gekapt moeten worden.
In slechts twaalf procent van de gemeenten genieten monumentale bomen voldoende bescherming, volgens de stichting. Het ontbreekt aan nationale wetgeving of beleid dat hierop gericht is. Dit betekent dat de bomen uit het register voor hun toekomst afhankelijk zijn van wat gemeenten kunnen en willen regelen.
De Bomenstichting vindt dat de centrale overheid een actieve regie moet voeren. Daarnaast moet er ook bij de overgrote meerderheid van de gemeenten veel veranderen. Voorgesteld wordt onder andere om alle bomen in het landelijk Register van Monumentale Bomen een beschermde status te geven. Daarnaast moet voor alle bouw- en aanlegactiviteiten in de omgeving van deze bomen een Bomen Effect Analyse (BEA) verplicht worden. Ten slotte dienen particuliere eigenaren (financiële) steun te krijgen voor het onderhoud van hun monumentale boom.

Informatie: www.bomenstichting.nl

lees meer
16 MEI 2007

AGRARISCH NATUURBEHEER NIET EFFECTIEF

Terwijl de flora en fauna in natuurgebieden er in kwaliteit op vooruitgaat, is er van een positief effect van agrarisch natuurbeheer nauwelijks sprake. Het Milieu- en Natuurplanbureau concludeert dit na een evaluatie van verschillende subsidieregelingen voor natuurbeheer.
Gemiddeld genomen gaat de natuurkwaliteit, ondanks dertig jaar subsidie, in het agrarisch gebied nog steeds achteruit. Daar waar het beheer al langere tijd gericht is op de flora, blijkt de natuurkwaliteit wel gehandhaafd te worden, maar de natuurdoelen van de rijksoverheid komen niet of nauwelijks dichterbij. Waarschijnlijk komt dit door slechte omstandigheden in het omliggende landbouwareaal, of door geringe geschiktheid van de locatie van het agrarisch beheer. Bovendien houden te veel boeren het agrarisch natuurbeheer maar enkele jaren vol.
De weidevogelstand is achteruitgaan bij zowel agrarisch natuurbeheer als bij andere vormen van beheer. De onderzoekers stellen dat voor succes bij agrarisch natuurbeheer meer zwaar beheer nodig is - waarbij in twintig tot veertig procent van het gebied met uitgestelde maaidatum gewerkt wordt - en een sterkere concentratie hiervan in meer kansrijke gebieden.
In natuurgebieden is de kwaliteit de afgelopen zes tot vijftien jaar over het algemeen behouden of vooruit gegaan. Regelingen die sinds 2000 meer gericht zijn op zogenoemde 'output sturing' hebben hier waarschijnlijk aan bijgedragen. De doelen van de rijksoverheid gaan echter vaak nog verder dan deze resultaten. Voor meer dan de helft van het areaal in natuurgebieden zijn de doelen van het rijk nog niet gerealiseerd. Dit komt onder andere doordat daar meer tijd voor nodig is dan de termijn van zes jaar van de subsidieregelingen. Ook een slechte kwaliteit van het milieu, en versnippering van de natuurgebieden spelen een rol.
Het is volgens de onderzoekers mogelijk om de resultaten in natuurgebieden te verbeteren door de verschillende beheerregelingen, doelen, monitoringen en rapportages beter op elkaar af te stemmen. Ook kan de output sturing meer gericht worden op natuurdoeltypen. Daarnaast is het nodig om het oppervlak natuur te vergroten en de milieukwaliteit te verbeteren.

Bron: Milieu- en Natuurplanbureau

Zie ook: rapport

lees meer
15 MEI 2007

GROEISEIZOEN PADDENSTOELEN VERDUBBELD

De periode waarin schimmels vruchtlichamen zoals paddenstoelen vormen, is in de afgelopen vijftig jaar verdubbeld. Bepaalde soorten vormen tegenwoordig zelfs twee keer per jaar sporen– niet alleen in het najaar, maar ook in het voorjaar. Dit blijkt uit onderzoek dat in het zuiden van Engeland is gedaan. De studie is gepubliceerd in Science.
Het is bekend dat de levensritmes van planten, insecten en vogels onder invloed van klimaatsveranderingen aan het verschuiven zijn. Om te onderzoeken of dit ook bij schimmels gebeurt, bekeken wetenschappers de gegevens van 315 soorten op 1400 locaties in de bossen van Zuid-Engeland. Iedere soort werd langer dan 20 jaar gevolgd, in de periode van 1950 tot 2005.
Over die periode blijkt het aantal dagen dat de schimmels vruchtlichamen maken, toegenomen van gemiddeld 33 naar 75. Soorten die eerder begonnen met het vormen van vruchten, deden dat gemiddeld 9 dagen eerder. Soorten die later hun groeiseizoen eindigden deden dat gemiddeld 8 dagen later. Deze verschuivingen zijn volgens de onderzoekers groter dan bij planten en dieren.
Er is volgens de onderzoekers een duidelijke relatie met het veranderende klimaat. In de 55 jaar van dit onderzoek zijn de temperaturen in augustus gestegen, en is ook de regenval in oktober toegenomen. Uit een statistische analyse blijkt dat zowel de vroegere start van het groeiseizoen, als de latere einddatum, bij 90 procent van de soorten verklaard kan worden door de stijgende temperatuur en de toegenomen regenval.
Een opvallend deel van de soorten vormt tegenwoordig ook vruchten in het voorjaar. Volgens de onderzoekers is het daarvoor nodig dat het mycelium, het dradennetwerk van een schimmel, ook in de late winter actief is. Het suggereert volgens hen dat de totale afbraak van organisch materiaal door schimmels in bossen is toegenomen.

Informatie: www.sciencemag.org

lees meer
14 MEI 2007

LANGE STAART NIET ENKEL DECORATIEF

De lange staartveren van de mannelijke boerenzwaluw zijn niet slechts ornamenten om zijn seksuele aantrekkelijkheid te verhogen, zoals lang gedacht werd. Mannetjes met langere staarten vliegen beter, en vangen meer insecten. En dát vinden vrouwtjes wel aantrekkelijk, zoals blijkt uit een studie in Current Biology.
Boerenzwaluwvrouwtjes hebben een voorkeur voor mannetjes bij wie de twee buitenste, prominente staartveren langer zijn dan bij hun concurrenten. Volgens Darwin zijn deze veren slechts ornamenten, en kiezen vrouwtjes wat ze ‘mooi’ vinden. Voor het eerst hebben wetenschappers deze veronderstelling getoetst, waarbij bleek dat de lengte van de staart de vliegkunst van de mannetjes beïnvloedt.
De onderzoekers wilden weten of de vrouwtjes vallen voor decoratie of functionaliteit. Door de staarten tot verschillende lengtes te knippen bepaalden ze eerst de optimale lengte van de staart, voor een goede wendbaarheid en vangst van insecten. Vervolgens vergeleken ze de oorspronkelijke lengte van iedere staart met de optimale lengte. Zit daar verschil in, dan betekent dat dat de staartlengte groter wordt zonder dat dat positief is voor het functioneren, dus enkel voor de decoratieve waarde. Dat bleek niet het geval te zijn.
Professor Matthew Evans van de Universiteit van Exeter: ‘Wij geloven dat de staartlengte wel dient om vrouwtjes aan te trekken, maar vrouwtjes kiezen tussen de mannetjes op basis van verstandige criteria zoals de vaardigheid om te vliegen, en prooi te vangen. Het decoratieve deel van de staart zegt alleen: ‘Ik ben een man’. De resultaten van deze studie dwingen ons om oude aannames ter discussie te stellen over ornamenten en seksuele selectie.’

Informatie: www.current-biology.com

lees meer
11 MEI 2007

WANKELEND ECOSYSTEEM HERSTELT TRAAG

Een visstand die maar langzaam herstelt of een plantensoort die na een brand schoorvoetend terugkeert. Het zijn tekenen aan de wand, zeggen Wageningse ecologen in The American Naturalist. Als een ecosysteem veel tijd nodig heeft om te herstellen van een verstoring van het evenwicht, dan staat het systeem op het punt om in te storten.
Vijvers met helder water die troebel worden, koraalriffen die afsterven of bossen die plaatsmaken voor woestijnen. Het zijn ecologische veranderingen, die zich soms razendsnel kunnen voltrekken. Dr. Egbert van Nes en prof. Marten Scheffer van Wageningen Universiteit noemen die omslagen catastrophical shifts.
‘In dit artikel tonen we aan de hand van modelstudies aan dat je zulke kritische veranderingen van tevoren kunt zien aankomen’, zegt Van Nes. ‘Dat een verstoring van het natuurlijke evenwicht meer tijd nodig heeft om te herstellen als een ecosysteem op instorten staat, ligt voor de hand. Maar toen we simulaties uitvoerden ontdekten we dat al lang voordat een systeem een catastrophical shift doorgaat, het herstel van het evenwicht langzamer gaat verlopen.’
Dat is nuttige kennis voor de beheerders van zulke kwetsbare gebieden. Ze kunnen bijtijds zien aan het tempo waarmee de natuur herstelt van bijvoorbeeld brand of het de verkeerde kant opgaat. Hoe die beheerders kunnen voorkomen dat het ecosysteem onherroepelijk verandert, vertelt de studie van de Wageningers niet. ‘Dat hangt af van de oorzaak van de komende omslag’, zegt Van Nes. ‘Die is in elk ecosysteem weer anders.’
Wageningen Universiteit werkt aan verfijnder modellen die beheerders misschien meer inzicht geven in hoe ze een catastrophical shift kunnen voorkomen.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
10 MEI 2007

ZELDZAAMHEID LOONT

Soms is het goed om zeldzaam te zijn. Biologen van de universiteit van Toronto schrijven in het wetenschappelijk tijdschrift Nature dat ze de voordelen van zeldzaam zijn op genetisch niveau hebben doorgrond. Ze keken daarbij naar een gen dat bij vele andere organismen, waaronder de mens, aanwezig is.
'Er is een grote genetische variatie in de natuur, en tot nu toe konden we niet uitleggen waarom dat zo is, omdat door natuurlijke selectie alleen de beste genen overleven', zegt onderzoeker Marla Sokolowski. 'Soms overleven individuen met ongewone eigenschappen omdat hun zeldzaamheid ze minder opvallend maakt voor predatoren. Maar tot nu toe konden we dit proces niet begrijpen op het niveau van de genen.'
Nu stellen de onderzoekers dat ze door onderzoek onder fruitvliegen met twee varianten van een bepaald gen hebben ontdekt wat de voordelen zijn van zeldzaamheid op genetisch niveau. De resultaten van het onderzoek laten zien dat zeldzame variaties in het DNA een betere kans op overleven hebben.
De onderzochte fruitvliegen bezaten twee versies van een gen dat het foerageergedrag regelt. Het gen maakt van de fruitvliegen 'rovers' of 'zitters'. Larven van het rovertype bewegen meer tijdens het eten dan zitters, en gaan ook vaker op zoek naar nieuwe plekken om te eten. De onderzoekers bekeken welk mechanisme ervoor zorgt dat beide varianten in de natuur overleven.
Onderzoeker Mark Fitzpatrick creëerde fruitvliegkolonies met verschillende verhoudingen tussen rovers en zitters, en met verschillende hoeveelheden voeding. Hij hield bij hoeveel van hen het einde van hun larvestadium bereikten. Hij ontdekte dat in de concurrentiestrijd om voedsel, de sterkste larven altijd de larven waren met het minst voorkomende foerageer-gen. Rovers doen het dus beter wanneer er veel zitters zijn, en zitters wanneer er meer rovers zijn.
'Als je als rover omringd bent door zitters, dan zullen alle zitters jouw plekje willen innemen, en doe je er beter aan om verder te trekken naar een nieuwe plek', zegt Sokolowski. 'Als je daarentegen een zitter bent en je bent omringd door rovers, dan zullen de rovers verder trekken, en blijf je alleen achter met het voedsel zonder concurrentie.'
Dit kan volgens Fitzpatrick verklaren waarom genetische varianten als deze algemeen voorkomen in de natuur. 'In het geval van de fruitvlieg helpt de ene variant het overleven van de andere. In feite is geen van beide typen fruitvlieg sterker dan de ander,' zegt hij.

Informatie: www.nature.com
Bron: EurekAlert!

lees meer
9 MEI 2007

STADSE MEREL GENETISCH AFWIJKEND

Stadse merels trekken ‘s winters veel minder weg dan hun soortgenoten uit het landelijk gebied. Volgens Duitse onderzoekers is dat waarschijnlijk het gevolg van verschillen in het DNA. De aanpassing aan het leven in de stad kan bij merels leiden tot meer nageslacht, blijkt uit de studie, die is gepubliceerd in het tijdschrift Ecology.
De stadse populaties van vogels die normaal gesproken ‘s winters wegtrekken, zoals de merel en de roodborst, verschillen van de populaties die bij bos en in agrarische landschappen voorkomen. Ze trekken veel minder weg om te overwinteren dan gebruikelijk, bleek al uit eerder onderzoek. De Duitse onderzoekers wilden vaststellen of dit gedrag veroorzaakt wordt door de omgeving, of door de afwijkende genen van de populatie.
Om de genetische verankering van het gedrag vast te stellen brachten ze vogels groot die uit de stad afkomstig waren, en uit het bos, en hielden hun bewegingen dag en nacht in de gaten. Ook het vetpercentage in het lichaam werd gemeten, omdat dit een indicatie is of een vogel zich voorbereidt om te migreren. Daarnaast keken ze naar de mate waarin de vogels seksueel volgroeid waren. Daarmee wilden de onderzoekers bepalen of het seizoen waarin de voortplanting begint, beïnvloed wordt door migratie.
De vogels vertoonden, geheel volgens verwachting, meer tekenen van migratie in het voorjaar en de herfst. Ze bouwden meer lichaamsvet op en waren ’s nachts actiever dan anders. Bij de vrouwtjesvogels was daarbij weinig verschil in gedrag zichtbaar tussen de vogels uit de stad en uit het bos. De mannetjes uit de stad daarentegen, maakten zich minder vaak op voor de migratie dan de mannetjes uit het bos. Ook ontwikkelden zij vroeger in het seizoen hun geslachtsorganen. De migratieverschillen tussen stadse en landelijke vogels blijken hiermee dus genetisch verankerd, bij de mannetjes althans.
De niet-wegtrekkende vogels in de stad hebben als voordeel dat zij eerder hun territorium kunnen vormen en een vrouwtje zoeken. De vogels hebben bovendien een langer seizoen voor de voortplanting. De stadse mannetjes blijken daar dan ook helemaal voor uitgerust, door eerder geslachtsrijp te zijn. Het blijkt dus dat het stadse ecosysteem, waar het vroeger in het seizoen geschikt is om te broeden, tot een genetische selectie heeft geleid op niet-wegtrekkende individuen die vroeg geslachtsrijp zijn.
Wat het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes veroorzaakt is nog niet duidelijk. De onderzoekers geven hiervoor verschillende verklaringen. Zo zou voor de vrouwtjes het voordeel van in de stad blijven, kunnen verdwijnen door een hogere sterfte in de winter. Dit zou te danken zijn aan hun kleinere lichamen en de grotere concurrentie in de stad.

Informatie: esapubs.org/esapubs/journals/ecology.htm

lees meer
8 MEI 2007

JONGE TREKVOGELS TE LAAT VOOR RUPSENPIEK

De extreem hoge temperaturen in de afgelopen maanden hebben ervoor gezorgd dat vlinders en planten dit jaar gemiddeld 24 dagen vroeger tot ontwikkeling zijn gekomen dan in het koude voorjaar van 2006. Maar langeafstandstrekvogels, zoals de gierzwaluw, de koekoek en de tapuit, blijken maar gemiddeld drie dagen eerder terug te komen. Veel jonge vogeltjes lopen daarom grote kans de rupsenpiek te gaan missen.
Dit jaar is een bijzonder jaar voor de vlinders. Doordat de temperatuur in april bijna 5°C hoger lag dan normaal, zijn de overwinterende poppen van koolwitjes en het boomblauwtje gemiddeld ruim drie weken eerder dan gemiddeld tevoorschijn gekomen. En voor het oranjetipje, dat normaal gesproken door de meeste mensen rond Koninginnedag voor het eerst gezien, was op die dag de vliegtijd al zo goed als voorbij.
Daardoor treedt de rupsenpiek, een belangrijke voedselbron voor jonge vogels, zeer waarschijnlijk ook drie weken eerder op. Ook de zomerdip in de vlinderstand zal zeer waarschijnlijk verschuiven. Normaal gesproken is er in juni sprake van een zomerdip, wanneer de eerste generatie van vlinders, zoals het klein koolwitje en boomblauwtje, verdwenen is, en de vlinders van de tweede generatie nog moeten komen. De zomerdip zal zeer waarschijnlijk dit jaar al in mei beginnen. De Nationale Vlindertelling op 12 en 13 mei moet duidelijk maken of de jaarlijkse zomerdip van vlinders in juni ook naar voren is verschoven.
Uit analyse van de waarnemingen van De Natuurkalender in de jaren 2006 en 2007 blijkt dat de bloei en de bladontplooiing van planten dit jaar gemiddeld 23 dagen eerder plaatsvonden dan in 2006. Opvallend resultaat van de analyses is dat de terugkomstdatum van de langeafstandstrekkers als gierzwaluw, boerenzwaluw, tapuit en koekoek dit jaar maar gemiddeld drie dagen eerder was dan 2006. Eerder onderzoek aan de bonte vliegenvanger toonde aan dat deze een deel van de rupsenpiek mist indien hij niet eerder terugkomt. De resultaten van De Natuurkalender suggereren dat dit fenomeen zich dit jaar op grote schaal voordoet.

Informatie: www.wur.nl/NL/nieuwsagenda/nieuws/Jonge_trekvogeltjes_drie_weken_te_laat_voor_rupsenpiek.htm, www.hier.nu
Bron: Persbericht Wageningen UR

lees meer
7 MEI 2007

RUNDEREN BRENGEN KONIJNEN TERUG

Hoe meer runderen, hoe meer konijnen. Onderzoeker Jasja Dekker van Wageningen Universiteit toonde met wiskundige modellen aan dat een hoge dichtheid aan grote grazers in verruigde gebieden leidt tot meer kleine herbivoren, zoals konijnen. Hierin kan een oplossing liggen voor het herstel van konijnenpopulaties.
In veel gebieden waar de dodelijke konijnenziektes al een tijdje zijn uitgewoed, treedt nauwelijks herstel op van de populatie. Grote grazers kunnen hier verandering in brengen, zegt Jasja Dekker, op basis van zijn bevindingen in zijn promotieonderzoek.
Dekker onderzocht daarin hoe konijnen gebruikmaken van hun omgeving, en concludeert dat zij zich daarbij vooral laten leiden door hun angst. Konijnen grazen het liefst zo dicht mogelijk in de buurt van hun hol, waar ze zich het veiligst voelen. Pas als er te weinig voedsel is of als de kwaliteit ervan slecht is, trekken ze verder weg van hun veilig heenkomen en neemt de dichtheid van konijnen af. Koeien en andere grote grazers kunnen deze afname tegengaan. Want Dekker toonde aan dat een hoge dichtheid aan grote grazers leidt tot meer kleine herbivoren. De oorzaak daarvan is dat de grote grazers verruigde gebieden aanpakken. 'Konijnen hebben last van veroudering van vegetatie. Grote grazers maaien het weer kort.' Deze logica kan de sleutel zijn voor het herstel van konijnenpopulaties.
Bijkomend onderzoeksresultaat is dat volgens Dekker de konijnenpopulaties een unieke invloed hebben op de samenstelling van plantensoorten in een natuurgebied. Er wordt in het natuurbeheer wel gezegd dat het konijn vervangen zou kunnen worden door grote grazers, maar Dekker zet hier vraagtekens bij. Uit zijn onderzoek blijkt namelijk dat grazende konijnen patronen in ecosystemen creëren, waar grote grazers zoals koeien en paarden moeilijk toe in staat zijn. 'Konijnen leggen specifieke niches aan door de grote variatie in graasdruk over een klein oppervlak', vertelt Dekker. ‘Dat zie ik grote grazers nog niet doen.’

Informatie: http://www.wur.nl/NL/nieuwsagenda/agenda/ir_JJA_Dekker__Holbewonende_herbivoren.htm

lees meer
4 MEI 2007

ZONDER STUIFDUINEN GEEN GRAUWE KLAUWIER

De grauwe klauwier wordt steeds zeldzamer in de Nederlandse duinen door de afname van het aantal bladsprietkevers. Die kever voedt zich met jonge graswortels, die zich alleen vernieuwen bij overstuiving met vers zand. En juist dat proces is in grote delen van het duingebied tot stilstand gekomen, onder andere door stikstofdepositie. Dit melden onderzoekers in het Vakblad bos natuur landschap.
Staatsbosbeheer en de Duinwatermaatschappijen zagen de grauwe klauwier (Lanius collurio) ondanks het door hen gevoerde beheer verdwijnen. In de jaren ’50 broedde deze vogel overal in de Nederlandse duinen. Sinds 1998 wordt er in de hele duinstrook nog slechts een enkel, onregelmatig broedgeval waargenomen.
De onderzoekers dachten dat deze achteruitgang veroorzaakt werd door de afname van het aanbod aan grotere ongewervelden, zoals mestkevers, sprinkhanen en libellen. Om dit te onderzoeken, vergeleken ze de voedselecologie en het uitvliegsucces van jonge vogels van de laatste broedparen op Ameland (1998) met die van en eerdere broedgevallen op Ameland en Terschelling, en met de stabiele populatie in de duinen van Skagen, in Denemarken.
Zoals verwacht, bleken de laatste broedparen op Ameland veel kleinere prooien te eten dan op andere plekken. Ook waren de prooien kliener dan in hetzelfde gebied een tiental jaren eerder. Het prooiaanbod was ook kleiner dan in Skagen, en het uitvliegsucces bij de laatste Ameland-paren was erg laag, wat eveneens duidt op een beperkt voedselaanbod.
Opvallend was dat diverse soorten bladsprietkevers (Scarabeidae) in 1989 nog vijftig procent van het dieet uitmaakten van de grauwe klauwier, terwijl dit in 1997-98 nog maar vier procent was. In de duinen van Skagen vormen de bladsprietkevers, naast junikevers (Anomala dubia), nog steeds een groot deel van het dieet.
De larven van bladsprietkevers eten jonge graswortels, zoals van de veel voorkomende helm (Ammophila arenaria). Maar die wortels verhouten zich wanneer helm niet regelmatig met vers zand overdekt wordt. Het gevolg daarvan is dat de keverlarven minder te eten hebben. Uit een vergelijking tussen de gebieden blijkt dan ook dat ze zich vooral ophouden waar helm overstoven wordt. Op minder dynamische lokaties zoals in Nederland, duurt eht larvale stadium zelfs twee, in plaats van één jaar. De onderzoekers stellen daarom dat het voedselweb wellicht hersteld kan worden door vastgelegde duinen weer te laten verstuiven.

Informatie: www.vakbladnatuurboslandschap.nl

lees meer
3 MEI 2007

WORM SNEL RESISTENT TEGEN BODEMVERVUILING

Algemeen wordt aangenomen dat seksuele voortplanting leidt tot snelle aanpassingen. Maar bij de zich a-sexueel voortplantende nematode Acrobeloides nanus blijkt dit niet op te gaan. Dat is opmerkelijk want het is juist dit type nematode (wormpje) dat wordt ingezet als toetsingsorganisme bij bodemverontreiniging. Dit onderzoek van Wageningen Universiteit roept de vraag op of ze daarvoor wel geschikt zijn.
Bodemverontreiniging zorgt bij de onderzochte nematode tot opvallend snelle genetische aanpassingen, blijkt uit onderzoek van Agnieszka Doroszuk. De zich a-sexueel voortplantende wormpjes pasten zich snel aan als zij in vervuilde bodems werden gezet. Ze leefden langer en legden meer eieren dan de wormen in schone bodems. Deze snelle aanpassing aan het stressvolle milieu is opmerkelijk. Milieuverontreiniging is een belangrijke oorzaak van stress in natuurlijke populaties. Dit heeft niet alleen gevolgen voor de omvang, dynamiek en structuur van de populatie, er kunnen ook genetische veranderingen plaatsvinden. Doroszuk deed onderzoek naar de lange-termijneffecten van verontreiniging op de bacterie-etende nematode Acrobeloides nanus. Deze nematode is gemakkelijk te kweken en te bestuderen.
De nematode werd blootgesteld aan een combinatie van verschillende pH- en koperwaarden. De effecten van de pH en het kopergehalte in de grond blijken elkaars effect op de nematodepopulatie te kunnen versterken.
Het onderzoek is vernieuwend door de multidisciplinaire aanpak, waarbij methoden uit verschillende disciplines, zoals de eco(toxi)cologie, moleculaire- en evolutionaire biologie, inzicht geven in de invloed van bodemvervuiling op verschillende niveaus van biologische organisatie.
Met deze studie promoveerde Agnieszka Doroszuk op 1 mei aan de Wageningen Universiteit.

Informatie: www.nwo.nl
Bron: Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)

lees meer
2 MEI 2007

INVESTEREN IN LANDSCHAP LEVERT MILJARDEN OP

Een investering van bijna 9 miljard euro in het Nederlandse landschap kan meer dan 26 miljard euro opleveren, door stijgende huizenprijzen, recreatie en de welvaart die mensen ontlenen aan het landschap. De miljardenwinst is berekend door het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit.
De onderzoekers rekenden voor de voorbeeldgebieden Hoeksche Waard, de Meijerij en de Hondsrug uit wat een investering in het landschap - in de aanleg van groene landschapselementen en wandel- en fietspaden en de restauratie van monumenten - oplevert. De cijfers verschillen nogal naarmate een gebied meer of minder dichtbevolkt is. De winst in de dichtbevolkte gebieden de Meijerij en de Hoeksche Waard bedraagt ongeveer 9.500 en ruim 5.500 euro per hectare, terwijl de winst in de weinig dichtbevolkte Hondsrug maar op ruim 40 euro per hectare uitkomt.
De grootste winst wordt dan ook gehaald uit het woongenot. In de Hoeksche Waard stijgen de huizenprijzen dankzij een groene leefomgeving samen met ruim 60 miljoen euro. Daarnaast levert recreatie veel op. In de Meijerij bijvoorbeeld levert de stijgende hoeveelheid dagtochten ruim 100 miljoen euro op. De op twee na grootste inkomstenbron komt voort uit de welvaart die mensen ontlenen aan de biodiversiteit en de cultuurhistorie, waardoor mensen meer in het landschap investeren. Dat levert de Meijerij bijna 5 miljoen euro op.
De bedragen van de drie gebieden zijn door de onderzoekers opgeschaald naar Nederland. Zo levert een investering van 8.829 miljard euro nationaal gezien 26.711 miljard euro op. Een winst van 17.882 miljard euro, dus. De rekenexercitie is volgens de onderzoekers wel een theoretische exercitie, want de drie gebieden kunnen eigenlijk niet naar heel Nederland opgeschaald worden. De zeeklei-, zand- en hoogveengebieden waarvoor ze exemplarisch zijn, beslaan slechts 79 procent van het Nederlandse grondgebied. En de onderzoekers berekenden niet wat de winst zou zijn in de overige gebieden, de duingebieden, het rivierengebied en de Limburgse heuvels.

Informatie: www.minlnv.nl


Zie ook: rapport

lees meer
1 MEI 2007

VERDROGING DOOR VERRUIMING GRENSMAAS

Verruiming van de Grensmaas kan ten koste gaan van natuurgebieden, tien kilometer verderop in Vlaanderen. Dat blijkt uit een modelstudie van Rijkswaterstaat. De lagere waterstanden in de rivier, ter verhoging van de veiligheid, bedreigen de natte natuur elders. Rijkswaterstaat heeft daarom inmiddels twee drempels aangelegd in de Grensmaas, en onderzoekt de gevolgen daarvan op de grondwaterstand en de natuur.
Uit modelberekeningen blijkt dat door de verlaging van het waterpijl in de rivier, de grondwaterstand in de omgeving (op de Mechelse heide, en in de vallei van de Ziepbeek) kan dalen met 10 tot 25 centimeter. De natte natuur in deze gebieden kan hierdoor onherstelbare schade oplopen. Het gaat om beschermde Natura 2000-gebieden met natte heidevegetaties, vennetjes en veengebieden.
Om eventuele schade aan deze natuurgebieden te voorkomen, ging het projectbureau De Maaswerken van Rijkswaterstaat op zoek naar compenserende maatregelen. De modelstudie wees uit dat een serie van negen grinddrempels, als een soort ministuwtjes in het zomerbed, de waterstanden bij lage tot bovengemiddelde afvoeren voldoende kan verhogen. De bescherming bij hoogwater verslechtert hierdoor niet. Vroeger kwamen dit soort grindbanken al voor in de Grensmaas. Maar door alle ingrepen in het verleden verdwenen deze grotendeels.
De Maaswerken legde in het najaar van 2006 twee proefdrempels aan bij Meers. Eén drempel bestaat uit breuksteen en grote maaskeien, de andere uit het ter plaatse aanwezige fijnere grind en zand. Peilbuizen op vier plekken in de Grensmaas meten het opstuwende effect bij verschillende rivierafvoeren.

Informatie: www.trendsinwater.nl

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk