homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

27 APRIL 2007

ONBEKENDE KOKERWORM GEVONDEN

In de zomer van 2006 is er aan de oostzijde van Neeltje Jans, in de monding van de Oosterschelde, een nog onbekende kokerworm aangetroffen. Hoewel alleen bekend is dat het mogelijk om een soort uit het geslacht Demonax gaat, staat het al vast dat het om een nieuwe soort voor Nederland gaat. Dat maakt de Stichting Anemoon bekend op haar website.
Peter H. van Bragt trof de honderden kleine wormpjes aan op een paar Japanse oesters tijdens opnames voor de televisiedocumentaire ‘Schatten van de Noordzee’ van de NCRV en Stichting Noordzee. De kokers zijn zacht en dun, en lijken op nat papier. De worm zelf is enkele centimeters lang en niet meer dan een millimeter dik. De borstelkrans, waarmee het voedsel tot zich neemt, heeft een doorsnede van één centimeter en kale uiteinden die in een kleine hoek zijn gebogen.
Met behulp van Godfried van Moorsel is vastgesteld dat het waarschijnlijk aan een soort uit het geslacht Demonax gaat, of anders aan een soort die aan dit geslacht verwant is. De exacte identiteit van deze worm wordt nog onderzocht.

Informatie: www.anemoon.org

lees meer
26 APRIL 2007

TWEE NIEUWE VISSEN IN NEDERLANDSE WATEREN

In 2006 zijn langs de Nederlandse kust twee vissensoorten gevonden die nieuw zijn voor de Nederlandse fauna. Het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, dat ze in de collectie heeft opgenomen, heeft onlangs vastgesteld om welke soorten het gaat. Voor de kust van Noord-Holland bleek een wrakbaars gevonden, en bij Terschelling een bandvis. Dit meldt het museum in zijn tijdschrift Straatgras.
De wrakbaars (Polyprion americanus) werd in januari 2006 door Klaas Post gevonden tussen de vangsten bij de Visafslag van Urk. De wrakbaars, een massieve roofvis met een grote kop en bek, woog drie kilo en was 53 centimeter lang. Het ging om een jong exemplaar van drie jaar. Volwassen dieren kunnen ruim twee meter worden, en honderd kilo wegen. Duikers nemen ze vaak waar rond scheepswrakken, wat hun naam verklaart. Ze leven op rotsachtige bodems tot zeshonderd meter diepte. Hun verspeidingsgebied strekt zich uit langs alle kusten van de Atlantische Oceaan, van Zuid-Amerika en Kaap de Goede Hoop tot Canada en Noord-Noorwegen. In de kustwateren van Noordwest-Europa wordt de wrakbaars zelden waargenomen.
In februari 2006 tipte Klaas Post het museum over de vangst van een bandvis (Trachipterus arcticus), door een Urker zeevisserijbedrijf. Ook deze vis werd niet verhandeld en bleef behouden voor het museum. De vissers doopten het dier ‘langsnuitzeepaard’ vanwege zijn vreemde uitstulpbare bek. De vis werd ingevroren, en vervoerd naar het museum in Rotterdam, waar vervolgens onderzocht werd. De gevangen bandvis was anderhalve meter lang en vijf kilo zwaar. De lintvormige vis kan twee meter lang worden, en wordt meestal gevonden op een diepte van driehonderd tot zevenhonderd meter. Het leefgebied beslaat de Atlantische Oceaan van Marokko tot Noorwegen, Groenland en IJsland. Soms spoelt er een exemplaar aan op de Noord-Europese kusten.

Informatie: www.nmr.nl/nmr/home.do

lees meer
25 APRIL 2007

CONCURRENTIE BEïNVLOEDT POPULATIE NIET

Concurrentie kan nauwelijks verklaren waarom populaties in grootte variëren, schrijven onderzoekers in het wetenschappelijke tijdschrift PNAS. Ze vermoeden daarom dat milieufactoren een veel grotere rol spelen in de jaarlijkse fluctuaties in populatiegrootte.
Ecologen strijden al een lange tijd over de vraag wat meer invloed heeft op de grootte van populaties: concurrentie om schaarse bronnen, of milieufactoren zoals temperatuur en neerslag. Een statistische analyse van 41 gemeenschappen, van allerlei groepen organismen, en op diverse schalen, geeft mogelijk uitsluitsel. Het blijkt namelijk dat, geheel tegen de verwachting in, de toename van de ene soort niet resulteert in de compenserende afname van andere soorten. In plaats daarvan gaat de toename of afname van alle soorten gelijk op. Dit betekent volgens de onderzoekers dat concurrentie een slechte verklaring is van de dynamiek van populatiegrootte. Milieufactoren zouden een veel grotere rol spelen.
De resultaten zijn wel afhankelijk van de schaal waarop er gekeken wordt. Concurrentie lijkt op kleine schaal een grotere invloed te hebben dan bij een grote schaalgrootte.

Informatie: www.pnas.org
Bron: Boomblad #2, april 2007

lees meer
24 APRIL 2007

REE MET GROOT GEWEI IS FITTER

Darwin stelde dat de grootte van het gewei of de horens laat zien hoe sterk of gezond hoefdieren zijn. Een team van Europese onderzoekers heeft nu bij de ree (Capreolus capreolus) aangetoond dat dit idee klopt. De studie is gepubliceerd in The American Naturalist.
De wetenschappers verzamelden zestien jaar lang gegevens van drie populaties in Zweden en Frankrijk. Daarmee konden ze aantonen dat de grootte van het gewei bij mannetjes inderdaad een indicatie is van hun individuele kwaliteit. Om precies te zijn reflecteert het de leeftijd en het gewicht van een ree. Omstandigheden zoals klimaat, voedsel en dichtheid hadden juist weinig effect. Dit is niet alleen handige informatie voor vrouwtjes en concurrerende mannetjes, maar volgens de onderzoekers ook voor wildbeheerders.
In tegenstelling tot eerder studies, is er deze keer rekening gehouden met de leeftijden van de gevangen dieren. Zoals voorspeld hadden vooral jong volwassen mannetjes de langste horens. Zij hebben ook het vaakst een harem en een territorium, en zijn seksueel dus het productiefst. Vanaf een leeftijd van acht jaar worden de horens weer kleiner, precies in de levensfase dat ook de overlevingskansen afnemen. Tenslotte bleek in alle leeftijdsklassen en op alle lokaties een hoger lichaamsgewicht samen te gaan met langere horens. Het lichaamsgewicht was de tweede indicator in deze studie voor de fitheid van de mannetjes.
Van de omgevingsfactoren die onderzocht zijn, had alleen de populatiedichtheid een significant effect op de horens. Er is daarnaast ook gekeken naar factoren zoals het klimaat (droge zomers) en de kwaliteit van de habitats (voedselaanbod), die geen effect bleken te hebben.

Informatie: www.journals.uchicago.edu/AN
Bron: Boomblad #2, april 2007

lees meer
23 APRIL 2007

KONIJNENVIRUS REDT JENEVERBES

De jeneverbes blijkt op sommige plekken in Nederland te verjongen. Onderzoekers denken dat dit komt door de afname van de konijnenpopulatie, die te leiden heeft van een dodelijk virus.
De jeneverbes vergrijst. Voor de oorzaak doen verschillende theorieën de ronde - depositie van verzurende stoffen, bodemontwikkeling, gewone veroudering, het beheer en zelfs de hoge concentraties fijn stof. Patrick Hommel van Alterra onderzocht de mogelijke oorzaken, maar kwam onverwacht op sommige plekken een verjonging van de jeneverbes tegen. Op een oude maïsakker in het Springendal bij Ootmarsum vond hij een dichtheid van wel acht jeneverbessen per vierkante meter. Dat is volgens Hommel spectaculair.
Hommel ontdekte dat de plekken waar de struik verjongt altijd vlakbij bestaande jeneverbesstruwelen liggen, maar ook dat daar nauwelijks konijnen rondlopen. De konijnenpopulatie heeft sinds 1984 te leiden van het Viraal Haemorhagisch Syndroom, een dodelijk virus, en dat lijkt de jeneverbes te redden.
Het is echter niet alleen de afname van de konijnen die gunstig is voor de jeneverbes. Vooral op de plekken waar veel vee of wild rond loopt - plekken met een hoge 'trappeldruk' - blijkt de verjonging op gang te komen. Een gunstige basenverhouding in de bodem is een vereiste. En plaggen blijkt ook te helpen.
Om de jeneverbes in stand te houden, is er volgens Hommel eigenlijk geen actie nodig. Het zal wel lastiger zijn om jeneverbesstruwelen terug te krijgen, en nog moeilijker om een compleet jeneverbesecosysteem te realiseren. In dat rijke ecosysteem komen allerlei pioniersoorten voor die groeien op kaal zand, en daarvoor zal plaggen nodig zijn.

Bron: Boomblad #2, april 2007

lees meer
20 APRIL 2007

VEEN BELANGRIJK VOOR KLIMAAT

Het onderzoek naar klimaatverandering moet meer oog hebben voor het effect van veengrond op de uitstoot van kooldioxide en methaan. Dat vonden alle deelnemers aan het congres Carbon in Peatlands, dat van 15 tot 18 april in Wageningen werd gehouden. Het congres trok twee keer zoveel bezoekers als verwacht.
Venen zijn belangrijk voor het klimaat omdat ze enorm veel koolstof bevatten. Organisator dr. Juul Limpens van Wageningen Universiteit en Researchcentrum: ‘Zoveel als 75 procent van de koolstof in de atmosfeer ligt opgeslagen in venen.’ Door veranderingen in landgebruik en klimaat dreigt die koolstof echter te oxideren, wat leidt tot uitstoot van kooldioxide. Drainage van venen en veenbranden in Zuidoost-Azië leveren, zo schat dr. Aljosja Hooijer van WL Delft Hydraulics, al een emissie op die gelijk is aan acht procent van de wereldwijde uitstoot van fossiele brandstof.
In het onlangs verschenen rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) is erg weinig aandacht besteed aan de rol van venen in het klimaat. De aanwezigen vonden het congres een eerste stap om daar verandering in te brengen.
Dat er honderdzeventig personen uit zestien landen op het congres af kwamen, is volgens Limpens echter een teken dat het onderwerp leeft. De congresdeelnemers kwamen uit diverse disciplines als landschapsecologie, hydrologie, paleonthologie, en biogeochemie, en bestreek daarmee het hele spectrum van het miniscule bodemleven tot de wereldwijde klimaatmodellen.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
19 APRIL 2007

TWIJFEL OVER GSM ALS OORZAAK BIJENSTERFTE

‘Gsm roeit bijen uit’, meldde de Telegraaf dinsdag op gezag van een aantal Engelse kranten. In Engeland en Amerika woedt een kleine mediastorm over onderzoek dat zou aantonen dat de mobiele telefoon de oorzaak is van mysterieuze bijensterfte. Tjeerd Blacquiere, onderzoeker bij Wageningen Universiteit en Researchcentrum, zegt in het weekblad Resource dat hij niet onder de indruk is.
‘Ik had vandaag ook al het Radio 1 Journaal en het blad Groente en Fruit aan de lijn. Blijkbaar is de komkommertijd vroeg begonnen. Dit is een hype, meer niet. Mensen die al jaren strijden tegen de mobiele telefoon hebben de bijensterfte bij hun verhaal betrokken.
De krantenberichten verwijzen naar een paar onderzoeken. Eén ervan is wel interessant. In Koblenz is een studentenonderzoek gedaan naar de invloed van straling. De resultaten lijken erop te wijzen dat uitvliegende bijen de weg naar de kast minder goed kunnen terugvinden als een onder in de kast gemonteerd basisstation van een draadloze huistelefoon wordt ingeschakeld. Maar dat gaat om een klein verkennend onderzoek, en de desoriëntatie zegt natuurlijk niets over sterfte en al zeker niet over sterfte van bijen zonder huistelefoon.
De mysterieuze sterfte waar ze het over hebben, gaat over colony collapse. In Amerika is daar veel over te doen. Daar melden sommige imkerijen een sterfte van tweederde van de volken. De oorzaak is niet duidelijk.
Ikzelf denk dat de varroamijt er mee te maken heeft. Wij hebben dat een paar jaar geleden ook gehad. De mijt was toen resistent geworden tegen de chemische bestrijdingsmiddelen. Ik vermoed dat datzelfde nu in Amerika gebeurt. Wij hebben dat onder de knie gekregen door de mijten te bestrijden met natuurlijke middelen zoals oxaalzuur en tijmolie. Maar dat is arbeidsintensief. Zeker voor Amerikaanse imkerijen. Je hebt daar bedrijven die net zo veel volken hebben als alle Nederlandse imkers bij elkaar.
Volgens de krantenberichten is het einde der tijden nabij als de bijen uitsterven. Zonder bijen geen bestuiving en dus geen eten. Ik denk niet dat de honingbij uitsterft, maar zelfs als het gebeurt, zal dat niet de ondergang van de mensheid betekenen. Er zijn andere insecten die ook bestuiven. Ik wil niet uitsluiten dat de mens binnenkort uitsterft, maar de honingbij zal er de oorzaak niet van zijn.’

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
18 APRIL 2007

PAARDENHOUDERIJ AANWINST VOOR LANDSCHAP?

De paardenhouderij is sterk gegroeid in Nederland. Velen spreken inmiddels van 'verpaarding' van het landschap. Gemeenten kunnen echter, door actief te sturen in het beleid, de verrommeling van het landschap door de paardenhouderij verminderen of tegengaan. Dit staat in het Alterra-rapport 'De paardenhouderij in beeld'.
De onderzoekers menen dat de paardenhouderij door goed beleid zelfs een aanwinst kunnen worden voor het landschap en de plaatselijke economie. Een verkorte versie van het rapport is inmiddels verspreid onder alle gemeenten.
Er lopen in Nederland nu zo'n 400.000 paarden rond. Het Alterra-onderzoek bevat een verkenning naar de landschappelijke verschijningsvorm van de paardenhouderij in Nederland. Voor vier stereotype vormen van paardenhouderij, zowel professioneel als hobbymatig, is beschreven wat de (ruimtelijke) kenmerken zijn. Er is op drie niveaus naar de paardenhouderijen gekeken: de bouwwerken op het bouwblok, de organisatie van het erf en de landschappelijke inpassing van erf en weilanden. Er worden adviezen aangereikt voor paardenhouders, gemeenten, landschapsorganisaties en ontwerpers/adviseurs om mee te kunnen werken aan een betere landschappelijke verschijning van de paardenhouderij. Het onderzoek laat aan de hand van beelden en ontwerphandreikingen zien hoe met relatief eenvoudige middelen betere landschappelijke inpassing en herstel van landschapskwaliteit kan worden bereikt.

Informatie: www.kennisonline.wur.nl
Bron: Kennis Online

lees meer
17 APRIL 2007

VLOKREEFT EET RIJN LEEG

Sinds 1995 rukt de Pontokaspische vlokreeft op in de Rijn. Hij blijkt zeer succesvol doordat hij zijn inheemse concurrenten opeet. Ook de slijkgarnaal uit de Zwarte Zee doet het hier goed. Hij maakt zijn omgeving zo glibberig dat het milieu onleefbaar wordt voor andere soorten, ontdekte biologe Mariëlle van Riel. Ze pleit voor het terugbrengen van meer biotopen in onze wateren, om ook de inheemse soorten een kans op overleving te geven.
De internationale scheepvaart en het verbinden van waterwegen geeft vele watersoorten toegang tot nieuw terrein. Dit leidt tot een verlies aan biodiversiteit, maar ook tot grote economische schade. Biologe van Riel heeft - als eerste - systematisch gekeken naar het verloop van invasies van kreeftachtigen in Nederland. Ze deed dat in de Rijn.
Vanaf een ponton bij Tolkamer werd de binnenkomst van de slijkgarnaal en de vlokreeft geobserveerd en geteld. ‘Negentig procent van wat aan ongewervelden langs komt drijven, is Pontokaspische vlokreeft en slijkgarnaal. De garnaal uit de Zwarte Zee werd voor het eerst in het Nederlandse deel van de Rijn gezien in 1987, de vlokreeft zit er sinds 1995. Hij kwam deze kant op vanwege het in 1992 geopende Main-Donaukanaal.
‘De twee soorten blijken ieder een totaal andere strategie te hebben om zich te handhaven. De slijkgarnaal, een filterdiertje dat leeft van fytoplankton, maakt het zich naar de zin door een laagje modder te verzamelen en daar een kokertje van te bouwen, om in te leven. Bij grote aantallen worden de stenen zo glibberig dat andere soorten zich niet meer kunnen vasthouden of onder de modder raken en verstikken. De Pontokaspische vlokreeft is daarentegen in de Rijn een roofdier. Die moordt gewoon alles uit wat een concurrent kan zijn.’ Ondertussen zitten er op bepaalde plekken op een vierkante meter wel tienduizend van deze beestjes, die zelf een millimeter tot ruim twee centimeter groot zijn.
Van Riel: ‘Op basis van mijn onderzoek kun je duidelijk zien dat het niet alleen de eigenschappen van de dieren zijn die de problemen veroorzaken. De mens heeft de Rijn veranderd in een rivier met slechts twee biotopen: stenige kanten, afgewisseld met zandige vlakken. De stenen biotoop is ideaal voor deze soorten. In de kribvakken is door het kolken van het water weinig leven mogelijk. Als er meer variatie in biotopen zou zijn, nevengeulen, andere oevers, meer soorten bodems, zouden de inheemse soorten meer kans hebben om overeind te blijven.’
Mariëlle van Riel promoveert op 23 april aan de Radboud Universiteit op haar onderzoek.

Informatie: www.ru.nl/wetenschapsagenda/
Bron: Radboud Universiteit

lees meer
13 APRIL 2007

MEER JONGEN VOOR LATE MOEDERS

Vogels die later in hun leven beginnen met broeden, krijgen meer nakomelingen dan vogels die al vroeg beginnen. Vrouwjes die later beginnen gaan langer door met het voortbrengen van jongen dan vroege starters. Dat blijkt uit onderzoek naar het broedsucces van een Afrikaanse vogelsoort, waarvoor 24 jaar lang gegevens zijn verzameld. De onderzoeksresultaten zijn gepubliceerd in Current Biology.
Volgens de gangbare theorie halen vogels het maximale succes uit hun reproductieve periode, door zo vroeg mogelijk in hun leven te beginnen met broeden.
In de nieuwe studie naar de groene boomhop (Phoeniculus purpureus), die in Afrika leeft, hebben Amanda Hawn en haar collega’s aangetoond dat vrouwtjes die later in hun leven gingen broeden, uiteindelijk reproductiever waren dan vrouwtjes die eerder begonnen met broeden. Bij mannetjes leidde een latere start overigens wel tot een lager reproductief succes.
Bij zowel mannetjes als vrouwtjes werd dit verband tussen de leeftijd bij het eerste broedsel en het uiteindelijk reproductief succes, veroorzaakt door de lengte van de zogenoemde broedcarrière. Vreemd genoeg hadden vrouwtjes die later in hun leven begonnen met broeden een langere broedcarrière dan vrouwtjes die vroeg begonnen.
De auteurs denken dat jonge, vrouwlijke broeders minder goed bestand zijn tegen de hoge lichamelijke kosten van broeden.

Informatie: www.current-biology.com
Bron: EurekAlert!

lees meer
12 APRIL 2007

STERFTE EIDEREENDEN DOOR MOSSELENTEKORT

De afgelopen vijftien jaar is regelmatig grote sterfte opgetreden onder eidereenden. De oorzaak hiervan is rechtstreeks terug te voeren op het magere aanbod van zowel diepwatermosselen als droogvallende mosselbanken in het waddengebied, ontdekte Romke Kats.
Kats: ‘Het dieet van eidereenden is wereldwijd in kaart gebracht. Waar ter wereld ze ook leven, het grootste deel van hun dieet bestaat uit mosselen. Dit wordt aangevuld met andere schelpdieren die lokaal te vinden zijn. In Nederland zijn dat bijvoorbeeld halfgeknotte strandschelpen, kleine kokkels en sinds enige tijd ook mesheften (‘scheermesjes’). Maar mosselen zijn zonder meer de belangrijkste voedingsbron.’ De mosselen zijn zelfs zo belangrijk voor eidereenden, dat Kats de eenden beschouwt als een belangrijke indicatorsoort voor de mosselstand in de Waddenzee.
Kats ontdekte dat de eidereenden in Nederland zijn op te delen in twee populaties: overwinteraars uit de Oostzee en lokale broedvogels op de Waddeneilanden. ‘Eerder werd tussen deze twee populaties geen onderscheid gemaakt, maar dat is wel degelijk van belang bij het in kaart brengen van ontwikkelingen in de twee populaties’, aldus Kats. Een belangrijk verschil tussen beide populaties is de mossel waarmee zij zich voeden.
Overwinterende eidereenden zijn afhankelijk van diepwatermosselen, zowel wild als gekweekt. Deze diepwatermosselen concentreren zich in het westelijke deel van de Waddenzee met als gevolg dat ook de overwinteraars zich hier bevinden. In jaren met een laag mosselaanbod neemt de kans op verhoogde sterfte toe. Valt dit samen met een laag aanbod van alternatieven dan is massasterfte het gevolg.
Voor broedvogels zijn juist de droogvallende mosselbanken rond de eilanden van cruciaal belang. Voordat de vrouwtjes beginnen met broeden, moeten ze een flinke energievoorraad aanleggen. Deze zorgt ervoor dat ze in staat zijn eieren te leggen en de gehele broedperiode - zo’n 28 dagen - vrijwel onafgebroken op het nest te kunnen zitten. Ook na de broedperiode is de nabijheid van droogvallende mosselbanken van groot belang. Alleen zo kunnen het vrouwtje en haar kuikens overleven.
Rond 1990 nam de broedpopulatie in Nederland af met dertig procent. Een afname die samenviel met de grootschalige onttrekking van droogvallende schelpdierbestanden door de schelpdiervisserij. ‘Gelukkig zijn er ook ontwikkelingen die hoopvol stemmen,’ vindt Kats. ‘Bij Rottum is het gehele droogvallende wad langdurig gesloten en met rust gelaten waardoor mosselbanken zijn teruggekeerd. Eidereenden reageren daar direct op. De populatie daar is sindsdien fors toegenomen. Als je een plek die groot genoeg is maar lang genoeg met rust laat.
‘Een afnemende broedpopulatie wil overigens niet zeggen dat het sterftecijfer onder broedende eidereenden enorm toeneemt,’ zegt Kats. ‘Als de mosselstand te laag is, slaan eidereenden het broeden over om sterfte te voorkomen. Ook dat is iets dat we dankzij dit onderzoek hebben ontdekt.’ Bij vorig onderzoek werd het lage aantal broeders direct gekoppeld aan een hoog sterftecijfer, maar nu de vogels over langere tijd zijn gevolgd dankzij een ring om hun poot, blijkt dit helemaal niet te kloppen. Kats: ‘Dit sterkt mij nog eens in de overtuiging dat langetermijnonderzoek van fundamenteel belang is om goed inzicht te krijgen in de redenen van populatieveranderingen.’
Op 20 april promoveert hij aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Informatie: www.rug.nl
Bron: Persbericht Rijksuniversiteit Groningen

lees meer
11 APRIL 2007

UITSTERVEN ONDERZOCHT MET DNA-CHIPS

Biologen van de Radboud Universiteit gaan als eersten in de wereld DNA-chips inzetten bij onderzoek naar het uitsterven van planten in versnipperde natuurgebieden.
Hert onderzoeksproject ontvangt 260 duizend euro subsidie van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).
Biologen debatteren over de vraag of het verlies van soorten komt door de versnippering van het landschap en de bijbehorende inteelt, of dat het uitsterven van soorten voornamelijk is toe te schrijven aan de slechte bodem-, water- en luchtkwaliteit. Joop Ouborg, aanvrager van het project, motiveert het belang van dit onderzoekt: 'De zorg voor onze natuur is een belangrijke, maar kostbare zaak. Zo kosten bijvoorbeeld natuurontwikkelingsplannen miljoenen euro’s. Je wilt dan natuurlijk wel weten of je dat geld op de meest efficiënte manier gebruikt.'
Door het construeren van DNA-chips waarmee de activiteit van duizenden genen tegelijk kan worden onderzocht, kunnen de onderzoekers uitvinden welke genen betrokken zijn bij inteelt en uitsterven. Dit project concentreert zich op duifkruid, een in Nederland bedreigde plantensoort van de rode lijst. De chips worden dit voorjaar gemaakt. In het najaar, als het duifkruid bloeit zal een junior onderzoeker beginnen met het toepassen van de chips op verschillende populaties.
'Er is altijd een scheiding der geesten geweest', zegt Ouborg. 'Veldbiologen zagen nooit veel in een moleculaire aanpak. Te technisch en te duur. Moleculair biologen vonden de ecologen maar softies, maar zij zien nu ook in dat hun genoomkennis veel meer waard wordt wanneer de functie van genen onder natuurlijke omstandigheden wordt onderzocht. Ecologen en moleculair biologen zoeken elkaar nu op. Van beide kanten krijg ik enthousiaste reacties op deze combinatie van onderzoeksgebieden.' Het Institute for Water and Wetland Research van de Radboud Universiteit, waaraan Ouborg verbonden is, heeft van ecologische en evolutionaire genomics, zoals dit nieuwe veld genoemd wordt, een nieuw speerpunt gemaakt.

Informatie: www.ru.nl/actueel/persberichten/item_686420/iwwr/de_wereld_aan/
Bron: Persbericht Radboud Universiteit

lees meer
10 APRIL 2007

MOZAïEKBEHEER GOED VOOR WEIDEVOGELSTAND

Mozaïekbeheer heeft in Noord-Nederland tot een toename van de kievit, de tureluur en de scholekster geleid. De gruttostand bleef stabiel. Dit blijkt uit een rapport van de vereniging BoerenNatuur.
Om weidevogelpopulaties te stabiliseren moeten graslanden afwisselend beheerd worden. Boeren kunnen dergelijk mozaïekbeheer realiseren door verschillende beheerpakketten te kiezen uit de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer. Zo kan het nestbeschermingspakket gecombineerd worden met zwaardere beheermaatregelen als rustperioden en bonte weideranden.
In de negen gebieden in Noord-Nederland waar agrarische natuurverenigingen weidevogelmozaïekbeheer uitvoeren, is in de periode 2000-2006 een toename van de kievit, de tureluur en de scholekster waargenomen van gemiddeld vier tot zes procent per jaar. De negen agrarische natuurverenigingen die in de rapportage van BoerenNatuur centraal staan, doen sinds zes tot zeven jaar aan collectief weidevogelbeheer (mozaïekbeheer). Jaarlijks gaat het om 2.941 hectare in Noord-Nederland.
In 2006 bereikte de kievit bij het mozaïekbeheer gemiddeld een dichtheid van 26 broedparen per 100 hectare, de grutto van 16,6 paar, de tureluur van 13,5 en de scholekster van 15,3 paren. Naar landelijke en provinciale maatstaven zijn dit redelijk hoge dichtheden. Gezien de jarenlange negatieve trends is dit een opmerkelijk feit.
Het lijkt er niet op dat 'immigratie' een belangrijke rol speelt bij het goede resultaat (vogels van buiten, die zich in de mozaïekgebieden vestigen). Schattingen van de jongenproductie in drie gebieden suggereren dat deze gebieden redelijk 'op eigen benen staan'. Er zijn echter meer gegevens nodig. Gebieden worden evenmin leeggezogen door de soms sterke afname elders. Kennelijk is de kwaliteit van de gebieden goed.

Informatie: www.fryslan.nl
Bron: Provincie Friesland

Zie ook: rapport

lees meer
6 APRIL 2007

KLEINE ZWAAN SCHAT ENERGIEVERBRUIK IN

De kleine zwaan past tijdens zijn winterse verblijf in Nederland zijn eetgewoontes aan zijn inschatting van de energetische kosten aan. Die kosten lopen op met de vliegafstand tot de slaapplek en met verstoring door mensen. Nederlandse onderzoekers schrijven dit in het meinummer van American Naturalist.
Hoe verklaar je dat dieren minder gebruikmaken van van goede voedselplekken die wat verder van hun centrale rustplaats liggen? Tot nu toe legden biologen dat uit als het verkleinen van de kans om door roofdieren gepakt te worden. Een andere verklaring is dat dit de kosten vermindert van transport van het vergaarde voedsel naar het nest waar de jongen gevoerd worden. Maar bij kleine zwanen (Cygnus columbianus bewickii) gaan geen van beide verklaringen op.
Met een niet eerder gebruikte onderzoeksmethode konden Jan van Gils van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) en amateur-onderzoeker Wim Tijsen vaststellen dat het de vliegkosten zijn die zwanen leiden bij het zoeken van voedsellocaties. De dieren schatten de afstand in die ze moeten vliegen tot hun ‘vaste’ slaapplaats. Voor zware vogels zoals zwanen kost vliegen relatief veel energie. Een tweede conclusie is dat de vogels hun keuze van voedselplekken laten afhangen van de kans om mensen tegen te komen, wat ook energie kost.
Het viel de onderzoekers op dat de landbouwgronden in de Wieringermeerpolder niet gelijkmatig door de trekvogels op eten afgezocht worden. De resten suikerbiet die daar achterblijven, vormen een makkelijke voedselbron voor kleine zwanen. Van Gils: 'Alle akkers leken evenveel eten te bieden, dus we vermoedden dat de kosten van het eten vergaren verschilden van plek tot plek.' Die kosten kun je schatten door vogels te volgen tijdens het zoeken naar eten: de voedselopname per tijdseenheid op het moment dat de vogel besluit te vertrekken geeft een goede indruk. 'De kosten voor de zwanen waren hoger naarmate ze verderaf waren van hun nachtelijke rustplek, of dichter bij een weg waren. De kosten op de korte termijn kwamen goed overeen met het ‘opvetten’ van de zwanen op de langere termijn – we voerden een buikinspectie uit per telescoop! Dit is een aanwijzing dat de dieren zo snel mogelijk opvetten. Ze maken dus strategisch juiste keuzes bij het voedselzoeken.'

Informatie: www.nioo.knaw.nl
Bron: NIOO-KNAW

lees meer
5 APRIL 2007

RECREANT STOORT VOORAL VOGELS IN STRUWEEL

Broedvogels trekken verder van de wandelpaden af, naarmate er meer bezoekers voorbijkomen. Dat blijkt uit onderzoek in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Het effect is het sterkst in struweel. In bos is er nauwelijks effect, evnemin als in open duinen, terwijl dat daar wel verwacht werd. De studie is gepubliceerd in het tijdschrift Limosa.
Volgens de onderzoekers is het voor terreinbeheerders vaak niet duidelijk of en wanneer ze maatregelen moeten nemen tegen de recreatiedruk. Met hun studie hopen ze nu een methode te hebben gevonden om snel inzicht te krijgen in de effecten van recreatie. Daarvoor hebben ze gekeken of er een relatie is tussen de passeerfrequentie van recreanten en de kortste afstand van territoria tot een wandelpad. De waarnemingen zijn gedaan in de Amsterdamse Waterleidingduinen die dankzij de landschappelijke variatie erg rijk zijn aan vogels, en die dankzij de nabijheid van de Randstad druk bezocht worden door recreanten.
Er blijkt een verband te zijn tussen de afstand van territoria tot een pad en de passeerfrequentie, ook bij soorten die niet als verstoringsgevoelig bekend staan, zoals de koolmees en de houtduif. Het landschap speelt een belangrijke rol in het effect. Met name in struweel zijn er meetbare effecten. In het bos werd er slechts bij twee soorten een effect waargenomen. In het geval van de tjiftjaf (Phylloscopus collybita) was dit een onverwacht effect, omdat deze soort zich dichter bij paden begaf die drukker waren. Het viel de onderzoekers verder op dat er in open duinen nauwelijks een effect was, terwijl daar vanwege de grote zichtbaarheid de meeste invloed verwacht werd. Verschillen tussen de soorten zijn niet waargenomen. Dit gegeven staat haaks op conclusies uit eerder onderzoek.

Informatie: home.planet.nl/~boude112/limosa/limosa.htm

lees meer
4 APRIL 2007

NIEUW IN NEDERLAND: DE ROTSBEHANGERSBIJ

De rotsbehangersbij (Megachile pilidens) is in 2005 en 2006 voor het eerst op enkele plekken in Zuid-Limburg waargenomen. De soort komt met name voor in Zuidoost-Europa en trekt waarschijnlijk onder invloed van warmere zomers naar het noordoosten. Dit wordt gemeld in het tijdschrift Nederlandse Faunistische Mededelingen.
De auteurs stellen de Nederlandse naam rotsbehangersbij voor, vanwege de voorkeur die het diertje voor rotsachtige biotopen heeft. De bij zou zich verder kunnen uitbreiden in Zuid-Limburg, omdat de waarnemingen werden gedaan in gebieden die onderdeel zijn van een groter potentieel leefgebied. Dit bestaat onder andere uit kalkgraslanden en mergelgroeven, maar ook uit ruïnes en de maasoever in Zuid-Limburg. Ook in omliggende gebieden in Duitsland en België is de soort recentelijk aangetroffen. Voorzover bekend mijdt hij de directe menselijke omgeving.
De rotsbehangersbij is bruingrijs van kleur, acht tot tien millimeter groot, en heeft een relatief brede lichaamsbouw en een afgeplat achterlijf. Vrouwtjes hebben dichte beharing op de onderbuik die dient voor het transport van stuifmeel.
De bij heeft een sterke voorkeur voor stuifmeel van vlinderbloemigen. Daarnaast verzamelt hij ook stuifmeel van schermbloemigen en vetplanten.

Informatie: www.nev.nl/hymenoptera/

lees meer
3 APRIL 2007

ROZENKRANSJE STERK BEDREIGD

De toestand van het rozenkransje (Antennaria dioica) is alarmerend. Dat schrijven onderzoekers in De Levende Natuur. Het plantje kwam vroeger algemeen voor op droge heiden en in duingraslanden, maar is nu op nog maar zes plekken in Nederland te vinden. Op slechts twee locaties zijn de populaties levensvatbaar, hoewel de trends ook daar negatief zijn.
Onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam hebben de levensvatbaarheid van het rozenkransje in Nederland onderzocht. Ze bepaalden de populatiegrootte en -opbouw op de zes locaties. De kwaliteit van de habitats werd bepaald aan de hand van de vegetatiesamenstelling en -structuur, en enkele bodemeigenschappen.
De onderzoekers noemen de situatie alarmerend. Alleen bij Bergen op Zoom en op Schiermonnikoog zijn levensvatbare populaties aangetroffen. Die zijn waren redelijk groot (respectievelijk 6000 en 600 rozetten) en hadden zowel mannelijke als vrouwelijke planten. Op de andere locaties waren de populaties erg klein (1-600 rozetten). Ze bestonden bovendien uit alleen vrouwelijke planten, of bloeiden helemaal niet.
De oorzaak van de achteruitgang is nog onbekend. Een vergelijking van de habitatkwaliteit tussen populaties die nog bestaan en die recentelijk verdwenen zijn, laat geen eenduidige oorzaken zien. Verzuring van de bodem lijkt vooralsnog geen grote rol gespeeld te hebben. Op Schiermonnikoog had het rozenkransje te lijden onder een sterke verruiging van de vegetatie met struiken en bomen. Oorzaak daarvan is de sterke afname van konijnen op het eiland. Op Texel werd een dergelijke relatie niet waargenomen.
Een andere oorzaak is waarschijnlijk de sterke afname van de grootte en dynamiek van populaties, zeker in combinatie met een te grote ruimtelijke isolatie. In kleine populaties kan genetische variatie bij toeval verloren gaan. Dit uitte zich op sommige plekken in het wegvallen van de mannelijke planten. Bovendien kan door inteelt de kwaliteit van zaden en kiemplanten aangetast worden, waardoor populaties op den duur uitsluitend bestaan uit klonen die door vegetatieve uitbreiding gevormd zijn. Aanvoer van nieuwe individuen wordt bemoeilijkt door een lage zaadproductie en door de grote afstanden. Alsof dat nog niet erg genoeg is, worden er lokaal ook nog eens klonen uitgestoken.
De onderzoekers denken dat herintroductie alleen zin heeft als de habitatkwaliteit voor de lange termijn gegarandeerd wordt. Actieve verstuiving en verjonging in het duingebied zou hieraan kunnen bijdragen. Probleem van herintroductie is wel dat er nauwelijks geschikte bronpopulaties beschikbaar zijn.

Informatie: www.delevendenatuur.nl

lees meer
2 APRIL 2007

NATUURLIJK GRASLAND LABIELER EN BIODIVERSER

Graslanden met meer ingezaaide plantensoorten leveren meer stabiliteit op. Onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO) en Wageningen Universiteit schrijven in het tijdschrift Nature dat er echter een verschil is tussen 'onnatuurlijke graslanden' en 'vrije natuur'. Die laatste is weliswaar instabieler, maar heeft uiteindelijk ook de meeste soorten.
De biologen Martijn Bezemer en Wim van der Putten reageren met hun werk op een groep Amerikaanse onderzoekers onder leiding van de bekende ecoloog David Tilman. In Minnesota voeren zij al tien jaar lang een groot experiment uit. Graslandjes zijn ingezaaid met verschillende soorten planten. De resultaten wijzen uit dat de veldjes met de meeste plantensoorten ook de meeste 'biomassa' produceren. In de veldjes met de meeste soorten was de biomassa ook het meest constant, als je de verschillende jaren vergelijkt. De conclusie was dat ecosystemen minder stabiel worden door het verlies van soorten. Het is de vraag, volgens Tilman, of dit echt zo werkt in de natuur.
Een belangrijke beperking van dit experiment is dat de soortenrijkdom kunstmatig in stand wordt gehouden. Zo'n 50 mensen verwijderen jaar in jaar uit met de hand de planten die niet zijn ingezaaid. Dat gebeurt niet in het experiment dat het NIOO al sinds 1996 uitvoert op de Veluwe. Daar volgen Bezemer en Van der Putten wat er gebeurt met graslanden als je wel of niet planten inzaait. Na het inzaaien elf jaar geleden bleven ze verder van de planten af en mochten de landjes ‘veronkruiden’.
De onderzoekers schrijven in Nature dat ze in de met weinig (vier) of veel (vijftien) plantensoorten ingezaaide graslandveldjes hetzelfde vinden als het Amerikaanse team: hoe biodiverser hoe stabieler.
Belangrijker was hun bevinding dat "de niet-ingezaaide veldjes met alleen spontaan gevestigde planten de hoogste diversiteit van allemaal hadden, maar tegelijkertijd de laagste stabiliteit. Plantensoorten verschenen en verdwenen hier vaker van jaar op jaar."
De resultaten zijn van belang voor het natuurbeheer. Beheerders zien graag een stabiele natuurontwikkeling, maar aan de andere kant is soortenrijkdom dus ook gebaat bij enige mate van instabiliteit.

Informatie: www.nioo.knaw.nl/
Bron: Nederlands Instituut voor Ecologie

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk