homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

30 MAART 2007

NIEUWE RIVIERNATUUR GOED VOOR BROEDVOGELS

Natuurontwikkeling in uiterwaarden heeft in de eerste tien jaar van uitvoering een positief effect op veel broedvogels. Deze conclusie trekken onderzoekers na een vergelijking van de soortenaantallen tussen uiterwaarden met en zonder natuurontwikkeling. De studie is gepubliceerd in De Levende Natuur.
Door natuurontwikkelingsgebieden te vergelijken met reguliere, meestal agrarisch beheerde uiterwaarden, kunnen trends in de nieuwe natuur onderscheiden worden van gebiedsoverstijgende processen. Deze studie vergelijkt de aantalsveranderingen van 47 broedvogelsoorten tussen 1989 en 2003 in uiterwaarden met en zonder natuurontwikkeling
Twintig soorten, waarvan zeven Rode Lijstsoorten, lieten in natuurontwikkelingsgebieden over de hele periode van tien jaar een positieve trend te zien. Zeven soorten, waaronder de veldleeuwerik, lieten niet alleen een toename zien in de nieuwe natuur, maar ook een daling in gewone uiterwaarden. Vier daarvan staan op de Rode Lijst en zijn sinds 1960 in Nederland met 50 procent in aantal afgenomen. De kievit en vier andere soorten vertoonden negatieve effecten in nieuwe natuur. Geen van deze vijf soorten staat op de Rode Lijst.
Met name pioniervogels, zoals de kleine plevier en de bergeend, en struweel- en bosvogels, zoals de grasmus en de zwartkop, lijken te profiteren van natuurontwikkeling. De effecten van natuurontwikkeling op de aantallen water-en moerasvogels en weidevogels lijken daarentegen meer te variëren.
Bij de helft van de soorten met een positieve trend over de periode van tien jaar, is echter sprake van een daling aan het einde van die periode. Dit optimum-effect is ook te zien bij twintig procent van de soorten die over die hele periode niet significante toe- of afnemen.
De gegevens voor deze studie zijn afkomstig van het Broedvogelmeetnet Zoete Rijkswateren, en werden verzameld in 129 proefvlakken in de uiterwaarden van de Rijntakken en de Maas. Van deze proefvlakken zijn er 40 aangemerkt als natuurontwikkelingsgebied.

Informatie: www.delevendenatuur.nl

lees meer
29 MAART 2007

NANODEELTJES ONGEVAARLIJK VOOR BODEMLEVEN

De eerste studie naar de gevolgen van nanotechnologie op de bodemecologie laat geen negatieve effecten zien. Dit in tegenstelling tot de vrees die bestaat in de milieubeweging. De resultaten van deze studie worden gepubliceerd in de journal Environmental Science and Technology.
Nanotechnologie is een techniek waarbij gewerkt wordt met deeltjes in de orde van grootte van een nanometer, één miljardste meter. De kunstmatige moleculen die in dit onderzoek zijn getest, bestaan geheel uit koolstof en worden in bolvorm ook wel buckyballs genoemd.
Wetenschappers van Purdue University in Amerika ontwierpen een studie om te testen hoe verschillende concentraties van buckyballs microorganismen in de bodem beïnvloeden, inclusief bacteriën die verantwoordelijk zijn voor het afbreken van organisch materiaal, en voor het produceren van onder andere koolstofdioxide. Ze mixten landbouwgrond met droge en in water opgeloste buckyballs. Over een perdiode van 6 maanden werden de grootte, samenstelling en het functioneren van de bacterie-populaties gemeten.
Als buckyballs gevaarlijk zouden zijn voor het bodemleven, dan zou een reductie van CO2-productie, en van de activiteit van bacteriën en enzymen verwacht worden. Enzymen worden geproduceerd wanneer bacteriën organisch materiaal afbreken en omzetten. Er werden echter geen significante verschillen gevonden tussen de bodems zonder toegevoegde nanodeeltjes bodems, en met hoge en lage concentraties nanodeeltjes.
Hoewel andere studies concludeerden dat buckyballs wel giftig voor microben zijn, denken de wetenschappers dat dit niet het geval is. Of dit ook geldt voor nanodeeltjes met andere vormen en groottes zal verder onderzocht worden.

Informatie: www.eurekalert.org/pub_releases/2007-03/pu-tfm032207.php
Bron: Eurekalert

lees meer
28 MAART 2007

ZELDZAME KEVERS IN NIEUW NATUURGEBIED

In het nieuwe Gelderse natuurgebied de Reijerskamp zijn in 2006 vele nieuwe keversoorten ontdekt door vrijwilligers van Natuurmonumenten, waaronder enkele zeer zeldzame soorten. De meest opmerkelijke vangst is de graanloopkever (Zabrus tenebrioides) die in ons land zeer zeldzaam is.
Andere bijzondere vondsten zijn de zeldzame Amara eurynota en een recente immigrant, de Harpalus signaticornis. In de studie werd niet alleen een buitengewoon aantal soorten ontdekt (108) , maar ook de dichtheden waren bijzonder hoog.
In 2006 werd een start gemaakt met het in kaart brengen van de loopkeverfauna en enkele andere diergroepen. De komende jaren zal de ontwikkeling verder gevolgd worden in het nieuwe natuurgebied. Natuurmonumenten werkt aan de omzetting van het voormalig landbouwgebied tot waardevolle natuur.
Bij de terugkeer van de zeer zeldzame graanloopkever heeft vermoedelijk de hete zomer een rol gespeeld. Deze soort is heel vroeger mogelijk schadelijk geweest in onze streken, met name in Zuid-Limburg, en kan dus schadelijk zijn voor de landbouw.
De Amara Eurynota is een zeldzame soort waarvan slechts incidenteel melding gemaakt wordt. Deze soort leeft op een dieet van zaden en dierlijk voedsel. Voor de voortplanting heeft de soort zaden nodig. Bij een dieet van alleen dierlijk voedsel sterven de larven.
De Harpalus signaticornis is een zeer recente immigrant in ons land. Tot het jaar 2000 kwam deze soort in ons land niet voor. Inmiddels is bekend dat de soort ook in andere gebieden in West-Europa voor het eerst is opgedoken.
Het gebied de Reijerskamp zorgt voor aansluiting van Planken Wambuis op het Rijndal, en is daarom van groot belang. Er zal een ecoduct over de A12 worden aangelegd zodat de Rijn bereikbaar is voor onder andere herten. Ook soorten als slangen, hagedissen en insecten zoals vlinders en loopkevers hebben baat bij een ecoduct

Informatie: www.natuurmonumenten.nl/natmm-internet/nieuws/actualiteit.htm
Bron: Natuurmonumenten

lees meer
27 MAART 2007

WINTERLINDE BRENGT VOORJAARSBLOEMEN IN BOS

Met de juiste bomen in het bos kunnen zelfs op voedselarme, zure bodems de voorjaarsbloemen weer bloeien, ontdekten onderzoekers van Alterra. Vooral de winterlinde heeft groot effect, meldt dagblad Trouw.
Planten als bosanemoon, salomonszegel, lelietje-van-dalen, daslook en gele anemoon kunnen bossen ecologisch waardevol maken, en aantrekkelijk voor recreanten. Op zandgronden hebben ze echter weinig kans. Bosonderzoeker Patrick Hommel en bodemkundige Rein de Waal ontdekten dat niet alleen de bodem maar ook de boomsoort daarbij een rol speelt.
Regenwormen, die gevallen blaadjes en naalden omzetten in humus, zijn erg kieskeurig, en zijn op zandgronden alleen te vinden zijn onder bomen met lekkere blaadjes. Onder bomen met onsmakelijk blad blijven ze weg. Daar hoopt het bladstrooisel zich op, spoelen de mineralen uit en wordt de bodem steeds zuurder. Op zo’n bodem, maar overigens ook op relatief rijke bodems, kunnen daarom maar weinig plantensoorten overleven.
Hommel en De Waal laten zien dat schijnbaar kansarme bodems er door bomen met smakelijk bladstrooisel weer bovenop kunnen komen. Ze vergeleken de bodemflora en bodemeigenschappen onder verschillende boomsoorten op eenzelfde bodem. Behalve de iep, es, esdoorn en hazelaar bleek met name de winterlinde een geschikte bodemverbeteraar. Zelfs op behoorlijk zure stuwwalbodems troffen de onderzoekers onder lindes een bloeiend tapijt van bosanemonen en andere voorjaarsbloeiers aan.
Het ’linde-effect’ is het sterkst op overgangsbodems tussen voedselarm en voedselrijk. Voorbeelden daarvan zijn te vinden op de Veluwse stuwwallen en de Maasterrassen in Midden-Limburg, in Drenthe en Noord-Brabant. Die bevatten ruwweg een kwart van de Nederlandse bosbodems.

Informatie: www.trouw.nl/groen/nieuws/article665781.ece/Terug_naar_het_lindenbos
Bron: Trouw

lees meer
26 MAART 2007

KLIMAATVERANDERING BEïNVLOEDT LOOPKEVERS

Door klimaatverandering breiden zuidelijke loopkeversoorten zich in Nederland uit, terwijl noordelijke loopkevers het steeds moeilijker krijgen. Met goed beheer is achteruitgang van de noordelijke soorten misschien te stoppen. Dit concluderen onderzoekers van Stichting Willem Beijerinck Biologisch Station en Wageningen Universiteit.
De onderzoekers bestudeerden het effect van verandering in weer en klimaat op twintig soorten loopkevers, die al bijna vijftig jaar gevolgd worden. In Nederland komen ongeveer 380 soorten loopkevers voor. De resultaten werden op vrijdag 23 maart gepresenteerd.
In Drenthe worden sinds 1959 wekelijks loopkevers gevangen in bodemvallen. De onderzoekers beschikken hiermee over de langstlopende continue meetreeks aan loopkevers ter wereld. Deze meetreeks maakte het mogelijk om het effect van veranderingen in de omgeving als gevolg van onder andere klimaatverandering en beheer op de loopkevers te bepalen.
Loopkevers reageren heel verschillend op veranderingen in weer en klimaat. Noordelijke soorten, zoals de zeer bedreigde turfloopkever, lijken het door de klimaatverandering steeds moeilijker te krijgen. De natte, warme winters spelen diverse loopkevers parten. Loopkevers zijn ’s winters in de bodem in winterrust.
Van de twintig onderzochte soorten loopkevers nemen er de laatste jaren maar vier soorten in aantal toe. Voorbeelden hiervan zijn de tuinschallebijter en de Poecilus versicolor. Ze profiteren van meer zon en hogere temperaturen. Door de temperatuurstijging van gemiddeld 1°C zijn er de laatste jaren twaalf nieuwe zuidelijke soorten in het studiegebied aangetroffen. Deze zijn vanwege de geringe aantallen nog niet meegenomen in dit onderzoek.
Door de warme wintermaanden worden de tuinschallebijter en de Poecilus versicolor al sinds begin maart in de vangpotten aangetroffen. Het onderzoek laat echter zien dat de start van de actieve periode van maar een beperkt aantal soorten structureel vervroegd is onder invloed van de stijgende temperaturen. Waarschijnlijk komt dit doordat ook variatie in neerslag en zonneschijn de actieve periode beïnvloeden.
Begin jaren negentig nam het aantal loopkevers toe, waarschijnlijk door grootschalige plagactiviteiten. Sinds 2000 nemen echter bijna alle loopkeversoorten in aantal af. Opvallend is dat door het plaggen een aantal noordelijke soorten zich lange tijd goed wist te handhaven. De achteruitgang van deze soorten als gevolg van de klimaatverandering is dus mogelijk stop te zetten door eens in de tien tot vijftien jaar te plaggen.

Informatie: www.wur.nl/NL/nieuwsagenda/nieuws/Klimaatverandering_beïnvloedt_loopkevers.htm
Bron: Persbericht Wageningen Universiteit

lees meer
23 MAART 2007

GRAUWE GANZEN MIJDEN GROENBEMESTER

Grauwe ganzen foerageren graag op land met oogstresten en op grasland, terwijl land met groenbemester grotendeels wordt vermeden. Dit meldt instituut Alterra in Kennis Online, naar aanleiding van onderzoek.
Alterra onderzocht vijf experimentele beheerspakketten die agrariërs via de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN) voor ganzenopvang kunnen afsluiten. De beheerspakketten kunnen afgesloten worden voor land dat door de overheid is aangewezen als opvanggebied van grauwe ganzen. Deze pakketten zijn echter minder geschikt voor akkerbouw op zware klei, hoewel deze gronden wel belangrijk zijn voor de opvang. Om die reden worden de pakketten in Zeeuws-Vlaanderen en West-Brabant gedurende drie winters (2005-2008) geëvalueerd.
In de winter van 2005-2006 zijn daarvoor de aantallen ganzen geteld om het terreingebruik vast te stellen. De hoeveelheden keutels zijn geteld als maat voor de graasintensiteit. Daarnaast zijn de gewas- en vervolgschade getaxeerd, en is de inpasbaarheid in de bedrijfsvoering geëvalueerd aan de hand van ervaringen van de deelnemers.
Het meest kostenefficiënt blijkt het oogstrestenpakket te zijn. De grauwe ganzen hebben een voorkeur voor tijdelijk beschikbare bietenresten, wintergraan en gras. Groenbemesters daarentegen zijn het meest inefficiënt. Dit pakket wordt vrijwel niet benut.
Over de gehele winterperiode kon een vijfde van de ganzen in de gebieden worden opgevangen die daarvoor aangewezen waren. Dit aandeel is nog groter (veertig procent) wanneer de piekaantallen aanwezig zijn in november en december.

Informatie: www.kennisonline.wur.nl/e-news.htm?display=actueel&id=617
Bron: Kennis Online

lees meer
22 MAART 2007

VERZURING ZEE REMT GROEI MOSSELSCHELP

Aan het eind van deze eeuw zullen mosselen en oesters meer moeite hebben om kalk in te bouwen in hun schelpen. Door de stijgende CO2-concentratie in de lucht verzuren de wereldzeeën, en daardoor daalt de concentratie carbonaat in het water, die nodig is voor de afzetting van kalk. Dat melden onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO).
Frédéric Gazeau en Jack Middelburg van het NIOO-Centrum voor Estuariene en Mariene Ecologie te Yerseke testten voor het eerst het effect van een stijgende CO2-concentratie op de schelpdieren in het laboratorium, door Oosterscheldewater in enkele uren steeds zuurder te maken met een stijgend CO2-gehalte. Daaruit bleek dat mosselen en Japanse oesters moeite hadden om hun schelpen te versterken.
De onderzoekers schatten in dat de mosselen aan het eind van deze eeuw 25 procent langzamer kalk inbouwen in hun schelpen, en oesters 10 procent. De oceaan heeft nu een zuurgraad van rond de 8, maar tegen 2100 zal deze pH-waarde volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change met ongeveer 0,35 gedaald zijn. Dat betekent dat het water zuurder wordt en minder kalk beschikbaar is. Bij nog sterkere verzuring lost een mosselschelp volgens de onderzoekers zelfs op.
Volgens de onderzoekers kan de aantasting van de schelpdieren zowel economische als ecologische problemen opleveren. De visserij op Japanse oesters en mosselen levert wereldwijd jaarlijks anderhalf miljard euro op, en zal lijden onder de verwachte mindere groei van de dieren. Ecologisch zijn schelpdieren van groot belang omdat de banken die oesters en mosselen maken een belangrijke habitat vormen voor andere planten en dieren. Daarnaast vormen de schelpdieren een belangrijk onderdeel van het voedsel voor bijvoorbeeld de eidereenden in de Waddenzee.
De onderzoekers gaan vervolgexperimenten doen, waarbij wordt gekeken of mosselen misschien kunnen wennen aan de zuurdere omstandigheden. Verder is er onderzoek nodig naar larven, omdat die nog gevoeliger zijn dan mosselen voor een verzurende zee.

Informatie: www.nioo.knaw.nl/NEWS/persbericht.htm

lees meer
21 MAART 2007

DE BESTE STRATEGIE TEGEN EXOTEN

Voor het bestrijden van exoten zijn er twee opties: de exoot zo snel mogelijk onderdrukken, óf inheemse soorten beschermen die de exoot bedreigen. Dat blijkt uit een nieuw wiskundig model. De studie is gepubliceerd in het Journal of Theoretical Biology.
De Leidse biologe Haccou ontwikkelde samen met Japanse collega’s een computermodel dat invasies in de natuur beschrijft. Daarin kunnen gegevens gestopt worden over het effect van een nieuwe soort op een ecosysteem, de gewenste populatiegrootte van de inheemse soorten, en de kosten van bestrijding en bescherming.
Met het model kan de beste strategie gekozen worden om ecosystemen te beschermen tegen invasieve soorten. De keus hangt onder andere af van de lokale situatie, maar ook van de kosten van bescherming of bedreiging.
Er blijken grofweg twee beste strategieën te zijn: de aanval en de verdediging. Afhankelijk van de situatie is het bijvoorbeeld de ene keer beter om muskusrattenbestrijders aan te stellen, en de andere keer om te voorkomen dat muskusratetende roofdieren onder een auto komen.
Wanneer de invloed van de exoot of de grootte van de invasie onbekend is, dan is het beter om uit te roeien. Dit is dan wel afhankelijk van hoe duur de maatregelen zijn, maar zolang het effect van bestrijden positief is, is dit de beste aanpak.
Uit het model blijkt ook dat wanneer een nieuwe soort veel invloed heeft op de inheemse natuur, de kosten van bescherming onbetaalbaar worden. Het beschermen van zeldzame, inheemse soorten heeft bovendien weinig zin als de indringer ze opeet. Die heeft het jaar daarop dan meer voedsel, en zal in aantal toenemen.
Het computermodel kan voorlopig nog niet door natuurbeschermers gebruikt worden. Eerst zal de looptijd verlengd worden voor soorten die langer leven dan een jaar.

Informatie: www.leidenuniv.nl/mare/2007/22/0701.html
Bron: Mare

lees meer
20 MAART 2007

SMIENT EET NABIJ SLAAPPLAATS

Smienten leggen nauwelijks meer dan duizend meter af tussen foerageergebied en slaapplaats, meldt Alterra in Kennis Online. Het is een van de resultaten van een verkennende studie van het instituut, waarbij in Nederland overwinterende smienten gezenderd worden.
Kennis van het - nachtelijke - foerageergedrag van smienten is belangrijk omdat Nederland foerageergebieden moet aanwijzen. Binnen Europa is Nederland het belangrijkste land voor overwinterende smienten. Zij zijn aanwezig van november tot en met maart.
Alterra voorzag zes smienten uit de polder de Zeevang in Noord-Holland overdag - wanneer smienten slapen - van een zender, en volgde de vogels vervolgens een halve tot anderhalve week. Hun actieradius bleef grotendeels onder de 1000 meter, en hun slaapplaatsen bleken in vrijwel alle gevallen erg dicht bij de foerageerplaatsen te liggen.
Zendering blijkt uit deze studie een bruikbare methode om de actieradius van smienten te bepalen, zolang er aan een paar technische voorwaarden voldaan wordt. Voor de nacht ontbreken echter nog geschikte vangtechnieken. De smienten zijn dan niet met kanon-of elastieknetten te vangen.
Er zijn ook tellingen gedaan in Noord-Holland. Grote concentraties smienten werden vooral aangetroffen in gebieden met veel open water. Dit zijn de dagverblijven waar de vogels slapen. 's Nachts vliegen ze daarvandaan naar de omringende graslanden om te foerageren. In de graslanden bevonden zich overdag ook veel smienten, zij het in lagere concentraties.

Informatie: www.kennisonline.wur.nl/e-news.htm?display=actueel&id=616
Bron: Kennis Online

lees meer
19 MAART 2007

ECOSYSTEEM WADDENZEE VERANDERT STERK

Het ecosysteem in de Waddenzee verandert sterk, door een combinatie van uitsterven van hogere soorten uit het voedselweb, en invasie van lagere soorten. Dat blijkt uit een studie in PLoS One.
Uitsterven en nieuwe vestigingen van soorten hebben in de Waddenzee gezorgd voor verschuiving in de verhoudingen in het voedselweb. De schematische piramidevorm van het voedselweb is lager en breder geworden. Hoewel de biodiversiteit constant is gebleven, is 14 procent van de predatorsoorten verdwenen en nam het aantal soorten primaire consumenten met bijna 9 procent toe. Dat blijkt uit inventarisatie door Amerikaanse onderzoekers van gegevens over soorten die uitstierven en zich nieuw vestigden in vier mariene gebieden: de baai van San Francisco, de Golf van Farallones, rondom Australië, en in de Waddenzee.
De onderzoekers analyseerden hoe de soorten verdeeld zijn over de verschillende trofische niveaus van de voedselpiramide. Die beginnen onderaan bij de allerlaagste consumenten, zoals soorten die plankton eten of organisch afval afbreken, en eindigen bij de toppredatoren.
Het blijkt dat in alle vier de regio’s de meeste gevallen van uitsterven ( tot zeventig procent) te vinden zijn in de hoogste twee trofische niveaus, terwijl de meeste invasies (tot zeventig procent) plaatsvonden bij soorten uit de laagste niveaus.
Bepaalde groepen vogels en planten vertonen op sommige eilanden vergelijkbare, en zelfs grotere veranderingen. Wat de gevolgen zijn van een gelijktijdig verlies aan de top, en een aanwinst aan de basis is nog niet duidelijk. Om hierachter te komen, is meer onderzoek nodig.

Informatie: www.plosone.org/article/fetchArticle.action?articleURI=info%3Adoi%2F10.1371%2Fjournal.pone.0000295
Bron: Boomblad

lees meer
16 MAART 2007

ZELFS IN NATURA 2000 NEMEN LEEFGEBIEDEN AF

Ondanks projecten als Natura 2000 worden de leefgebieden van planten en dieren kleiner door de klimaatverandering, blijk uit de eerste resultaten van het omvangrijke Europese onderzoek Branch. In Noordwest-Europa zal daarom bijvoorbeeld bos aangeplant moeten worden, is een van de praktische adviezen van de onderzoekers.
Claire Vos van Alterra en Pam Berry van Oxford University berekenden wat de gevolgen van klimaatverandering zijn voor de leefgebieden van 390 soorten in Noordwest-Europa. Van negen soorten presenteerde Vos de cijfers tijdens het symposium over het onderzoeksproject Branch, op dinsdag 13 maart in Den Haag.
Zelfs in de Natura 2000-gebieden nemen de leefgebieden in oppervlak af. Het leefgebied van de bonte specht bijvoorbeeld neemt in Noordwest-Europa tot 2050 af van meer dan 23 duizend tot 16 duizend vierkante kilometer. De haas die op graslanden leeft ziet zijn leefgebied teruglopen van 20 duizend tot ongeveer 16 duizend vierkante kilometer.
Iedere soort reageert anders op de klimaatverandering. De zwarte specht trekt oostwaarts omdat daar meer bos is. De springkikker krijgt juist veel nieuw leefgebied, maar kan dit door het versnipperde landschap en een overmaat aan barrières alleen niet bereiken. Over het algemeen zullen de soorten door de temperatuursstijging van zuid naar noord trekken, vertelde Vos, enkele soorten zullen juist van west naar oost gaan omdat het klimaat in het westen vochtiger wordt.
De cijfers van Vos en Berry zijn een eerste vingerwijzing voor de effecten van de klimaatverandering op de natuur. Doel van het onderzoeksproject Branch is de beleidsmakers instrumenten in handen geven om het landschap zo in te richten dat de natuur klimaatbestendig is. Toch konden de onderzoekers ondanks herhaalde vragen uit de zaal slechts algemene aanbevelingen geven. Zo moet er bos aangelegd worden in Noordwest-Europa om ruimte te creëren voor zuidelijke bossoorten. Verder stellen ze voor dat de nu te kleine en te geïsoleerde moerasgebieden meeliften met de herinrichting van de grote rivieren als de Maas en de Elbe. Als laatste optie zien de onderzoekers een actieve introductie van soorten.
Het grootste probleem is een gebrek aan ruimtelijke samenhang. 'Versnippering en klimaatverandering is een slechte combinatie', stelde Vos. Daarom is de EHS volgens de onderzoekers juist een goed concept om met verschuivende klimaatzones om te gaan.
Prof. Paul Opdam van Alterra pleitte tijdens de discussie voor een internationaal stelsel van natuurnetwerken om de natuur klimaatbestendig te houden. 'We praten dan niet over de aankoop van meer natuur, maar over natuur in een multifunctioneel landschap.' Ook over de EHS zal flexibeler gedacht moeten worden. Opdam: 'Die is in 2018 helemaal niet klaar.’ Er moeten juist buiten dit natuurnetwerk mogelijkheden gezocht worden om in combinatie met landbouw, recreatie of wonen nieuwe ecologische verbindingen te realiseren.
De EHS kan zelfs kleiner uitvallen dan gepland, zo blijkt uit een studie waarin de Natura 2000-gebieden, die ongeveer een derde van de EHS beslaan, centraal staan in een steeds veranderend natuurnetwerk. 'De 630 duizend hectare EHS heeft dan meer effect dan de nu begrootte 730 duizend hectare', aldus drs. Rijk van Oostenbrugge van het Milieu- en Natuurplanbureau.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
15 MAART 2007

UITGESTORVEN GEWAAND KORSTMOS GEVONDEN

In het Nationale Park De Hoge Veluwe is rijstkorrelmos ontdekt. Deze zeldzame korstmossoort staat op de Nederlandse Rode Lijst en werd recent in Nederland als uitgestorven beschouwd.
Het rijstkorrelmosje van nog geen vierkante decimeter groot werd ontdekt door onderzoeker Laurens Sparrius van de Universiteit van Amsterdam tijdens een stuifzandonderzoek dat door de Universiteit van Amsterdam wordt uitgevoerd in allerlei stuifzandgebieden in Nederland, waaronder De Hoge Veluwe.
'De laatste vondst van dit bedreigde korstmos dateerde van 2002 van het Mantingerzand, maar van die plek is vorig jaar vastgesteld dat de soort daar verdwenen is', alsdus de bryologische en lichenologische werkgroep van de KNNV in een nieuwsbericht. 'Ook op een andere recente vindplaats, het Aekingerzand bij Appelscha, komt de soort niet meer voor', stelt de werkgroep.
'Rijstkorrelmos groeide vroeger regelmatig in heidevelden en zandverstuivingen, maar is door verzuring, vermesting en klimaatverandering langzaam uit ons land verdwenen. Nu gedraagt de soort zich als een dwaalgast.'
Rijstkorrelmos (Pycnothelia papillaria ) zal geen lang leven beschoren zijn op De Hoge Veluwe, meldt de stichting het Nationale Park De Hoge Veluwe in een persbericht, maar dat maakt de vondst volgens de organisatie niet minder spectaculair.
De Hoge Veluwe is heel rijk aan korstmossen. Een groot deel van de open vlaktes bestaat uit zogenoemde korstmossensteppes, die in West-Europa nog maar weinig voorkomen.

Informatie: www.hogeveluwe.nl/nieuws, www.blwg.nl
Bron: Nationale Park Hoge Veluwe/

lees meer
13 MAART 2007

ZEEëN VERANDEREN ALLEMAAL ANDERS

Ingesloten zeeën als de Zwarte Zee, de Middellandse Zee en de Baltische Zee hebben meer van de klimaatverandering te vrezen dan open zeeën als de Noordzee of de Oostzee. Dat blijkt uit onderzoek van dr. Katja Philippart van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ).
Philippart onderzocht wat de gevolgen zijn van de klimaatverandering voor de Europese zeeën. Het is volgens Philippart te verwachten dat in de meer noordelijke zeeën, zoals de Poolzee en de Barentszzee, de Arctische soorten vervangen zullen worden door Atlantische soorten. Die plaats van de Atlantische soorten zal juist weer ingenomen worden door subtropische soorten.
Maar niet alles is zo rechtlijnig. Zo is het bekend dat sommige zeezoogdieren juist van noord naar zuid trekken, omdat de populaties van de prooien waarop ze jagen in hun leefgebieden ineenstortte. Een voorbeeld daarvan zijn de bruinvissen en dolfijnen die tegenwoordig vaak voor de kust van Nederland gezien kunnen worden, omdat de kabeljauwpopulatie in de noordelijke Noordzee is ingestort en het ook met de zandspiering slecht gaat.
In ingesloten zeeën als de Zwarte Zee, de Middellandse Zee en de Baltische Zee is de trek naar het noorden veel kleiner, ook al omdat die zeeën vooral smalle, oost-west georiënteerde corridors hebben. De plaats van de soorten die verdwijnen uit de Zwarte Zee en de Middellandse zee zal waarschijnlijk opgevuld worden met soorten uit nabij gelegen wateren of van exoten die voortkomen uit het ballastwater van schepen.
De Baltische Zee zou bovendien wel eens een brakke zee kunnen worden, omdat de invloed van het rivierwater op het systeem groter zal worden. Daardoor zullen er soorten komen die gewoonlijk in brak of zoet water leven.

Informatie: www.vliz.be
Bron: Boomblad

Zie ook: rapport

lees meer
12 MAART 2007

UITSTERVEN GAAT SNELLER DAN GEDACHT

De modellen waarmee biologen bepalen hoeveel schade de mens toebrengt aan kwetsbare dieren en planten geven een te rooskleurig beeld van de werkelijkheid. Dat ontdekte een Wageningse wiskundige. Ze maakte een nieuw, nauwkeuriger model dat al alarm slaat als de oude modellen nog zeggen dat er geen reden tot zorg is.
‘Ons model beschrijft situaties waarin de ene soort de andere wegvaagt’, zegt dr. Lia Hemerik van Biometris. ‘Het is een ruimtelijk model waarmee je bijvoorbeeld kunt beschrijven hoe de mens met zijn beschaving soorten verdringt die alleen in ongerepte natuur voorkomen.’
Als er gegevens over een langere periode in dergelijke modellen zitten, voorspelt het model wanneer een soort definitief zal zijn uitgestorven. Dat doen de bestaande modellen ook. Hemeriks model wijkt daar echter op een cruciaal punt van af.
‘De oude modellen gaan uit van de veronderstelling dat in het totale gebied dat de mens nog niet heeft geannexeerd de bedreigde soort evenredig is verspreid’, zegt Hemerik. ‘Dat is in werkelijkheid natuurlijk niet zo. Je vindt op de ene locatie meer individuen van een soort dan op de andere. De ene locatie biedt een soort nu eenmaal meer kansen dan de andere. Ons model houdt met dat patroon wél rekening. En dan blijkt ineens dat het punt waarop een bedreigde soort definitief het veld ruimt sneller wordt bereikt dan de oude modellen aangeven.’
Hemerik publiceert haar model binnenkort in Acta Biotheoretica. Ze ontwikkelde het in samenwerking met biologen van Alterra en de Vrije Universiteit.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
9 MAART 2007

OOK ALGEMENE SOORTEN BEDREIGD DOOR VERSNIPPERING

Algemeen voorkomende plantensoorten zijn net zo gevoelig of zelfs gevoeliger voor de fragmentatie van hun habitat, als zeldzame soorten, blijkt uit Belgisch onderzoek. Dit betekent dat meer soorten te lijden hebben onder de genetische gevolgen van versnippering, dan tot nu toe aangenomen werd. De studie is gepubliceerd in Conservation biology.
De onderzoekers uit Leuven hebben een statistische analyse uitgevoerd met gegevens uit bestaande onderzoeken. Ze bekeken onder andere of algemeen voorkomende soorten meer of minder gevoelig zijn voor versnippering dan zeldzame soorten. Fragmentatie van leefgebieden is een van de belangrijkste oorzaken van het verlies van biodiversiteit.
Volgens de onderzoekers is er nauwelijks verschil in gevoeligheid, zelfs wanneer soorten worden uitgesloten die van nature zeldzaam zijn, of die zeldzaam zijn geworden. De onderzoekers concluderen hieruit dat meer planten gevoelig zijn voor versnippering, en dus het verlies van genetische diversiteit, dan aangenomen werd. Dit kan leiden tot inteelt, en tot een verminderd aanpassingsvermogen. De onderzoekers vinden dit, in het licht van snelle klimaatveranderingen, een alarmerend resultaat.

Informatie: www.blackwell-synergy.com/loi/cbi
Bron: Boomblad

lees meer
8 MAART 2007

TONDERZWAM HERBERGT ONBEKENDE SLUIPWESP

Onderzoekers van het Wageningse instituut Alterra hebben in tonderzwammen een nog onbekende sluipwesp gevonden. Eerder bracht het onderzoek al een voor Nederland nieuwe keversoort aan het licht.
Sinds de jaren tachtig wordt dood hout in het Nederlandse bos niet meer weggehaald. De tonderzwam profiteert daarvan, en met deze schimmel ook diverse insectensoorten die leven van de zwam. ‘Een tonderzwam is een klein ecosyteem’, zegt Leen Moraal van Alterra. ‘Veel insecten leggen er hun eitjes. De larven vreten zich door de zwam.’
Moraal en zijn collega’s hebben tonderzwammen uit verschillende Nederlandse beukenbossen verzameld en de larven uit laten groeien tot volwassen dieren. Dat zorgde voor veel verassingen. De onderzoekers vonden onder andere de kever Bolitophagus reticulatus, een soort die in Nederland niet eerder werd waargenomen, en de sluipwesp die nog geen naam heeft. ‘Hij is van de familie Mymaridae, maar verder kwam ik niet’, zegt Moraal. ‘Ik heb een paar exemplaren opgestuurd naar Riverside University in Californië, waar de expert op dit gebied zit. Deze stelde vast dat het om een onbeschreven soort ging.’
Moraal kan niet zeggen of de soort ook zeldzaam is. ‘We hebben hem op meerdere plekken gevonden, dus mogelijk is hij zelfs vrij algemeen in Nederland en de rest van Europa’, aldus Moraal.
De sluipwesp wordt nu in Californië verder onderzocht. Naar verwachting wijden de Amerikanen in het najaar een publicatie aan het diertje, waarin ze ook zijn naam onthullen.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
7 MAART 2007

NATUURDOELEN VRAGEN MEER MONITORING DAN WATERRICHTLIJN

In de praktijk wordt aangenomen dat de gegevens uit de monitoring voor de Kaderrichtlijn Water ook gebruikt kunnen worden om te bepalen of de natuurdoelen voor het oppervlaktewater zijn gerealiseerd. Dit is echter niet het geval, blijkt uit onderzoek van Alterra.
Alterra deed onderzoek in Natura 2000-gebied De Wieden. Momenteel vindt in De Wieden, net als in andere gebieden in Nederland, geen monitoring van oppervlaktewater voor natuurdoeleinden plaats. De uitvoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Natura 2000 maakt dit wel noodzakelijk. ‘We hebben in De Wieden gekeken of monitoring voor de KRW genoeg informatie oplevert om uitspraken te doen over de realisatie van de natuurdoeltypen in dat gebied’, aldus onderzoekster Hanneke Keizer-Vlek.
In hoeverre een natuurdoel wordt gehaald bleek niet te bepalen met gegevens uit de controles voor de waterrichtlijn. ‘De informatie is wel bruikbaar, maar onvoldoende’, aldus Keizer-Vlek. ‘Bij de KRW zoek je een locatie uit die representatief is voor andere wateren in het gebied. Eén opname blijkt niet genoeg om te bevestigen of het natuurdoel is gerealiseerd. Als je meerdere opnames combineert, blijkt er wel aan de eisen te worden voldaan. Je hebt dus hoe dan ook meer opnames nodig bij het monitoren voor natuurdoeltypen, dan voor de KRW.’ Het is volgens Keizer-Vlek wel mogelijk een monitoringssysteem op te zetten voor beide richtlijnen, als daarin tenminste sprake is van meerdere opnames. ‘Maar dat is inderdaad kostbaar. Een alternatief is het systeem op de kop te gooien en de aquatische natuurwaarden op een andere manier te waarderen’, aldus Keizer-Vlek.
Overigens zijn nog alleen de resultaten voor de waterplanten uitgewerkt. De resultaten voor de macrofauna komen in de loop van 2007.

Informatie: www.kennisonline.wur.nl
Bron: Kennis Online februari 2007

lees meer
6 MAART 2007

STEILE OEVERS VERMINDEREN GENETISCHE DIVERSITEIT

Oevers beïnvloeden de genetische diversiteit van waterplanten. Steile oevers, gecombineerd met grote stroomsnelheden, maken seksuele voortplanting van bijvoorbeeld de egelskop onmogelijk. Hierdoor kan de genetische diversiteit binnen een soort verrassend verschillen in twee nabij gelegen rivieren.
Kleine rivieren blijken sterk te verschillen vanuit het oogpunt van een waterplant, met grote gevolgen voor plant en natuurbeheer. Bioloog Bart Pollux onderzocht de kleine egelskop (Sparganium emersum) in de drie rivieren de Niers, de Swalm en de Roer. Deze kleine rivieren liggen hemelsbreed dicht bij elkaar maar verschillen sterk in lokale omstandigheden zoals de stroomsnelheid en het profiel van de bedding. In de ondiepe Swalm plant de egelskop zich alleen maar aseksueel of ‘ongeslachtelijk’ voort, omdat het water te snel langs de steile oevers stroomt. Hierdoor kan de plant niet zijn boven het water uitstekende, stekelige bloeistengels ontwikkelen. ‘En dat heeft weer gevolgen voor de genetische diversiteit van de egelskoppen die in deze rivier groeien: die is veel geringer dan in de Roer bijvoorbeeld’, weet Pollux nu. ‘Ook de samenhang tussen de verschillende populaties langs de rivier is anders: bij de Swalm is er bijna geen uitwisseling.’ Een mogelijk gevolg is dat plekken waar populaties uitsterven niet meer opnieuw gekoloniseerd kunnen worden.
Voor het natuurbeheer van rivieren levert dit onderzoek een praktisch advies op. Veel beken en rivieren zijn rechtgetrokken en gekanaliseerd, waardoor een gebrek is ontstaan aan ondiepe plekken met langzaam stromend water. Pollux stelt: ‘Voor een gezonde waterplantengroei moeten rivieren weer een natuurlijker rivierbedding krijgen. Als ze meanderen, komen er zowel plekken met snelle als met langzame stroming. Dat komt de voortplanting en dus de genetische diversiteit van de planten ten goede.’
Bart Pollux van de Radboud Universiteit Nijmegen en het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) promoveert op dinsdag 6 maart op zijn onderzoek. Hij onderzocht de zaadverspreiding van waterplanten om inzicht te krijgen in de overleving en de uitbreiding van het leefgebied van waterplanten. Tot nu toe legden onderzoekers van waterplanten in rivieren vooral de nadruk op verspreiding door waterstroming. Maar Pollux denkt dat ‘in theorie waterplantenpopulaties niet in rivieren kunnen overleven zonder zaadverspreiding door dieren’. Het water verspreidt de zaden en stengels van waterplanten namelijk maar in één richting. Hoe voorkomen de planten dan dat ze stroomopwaarts uitsterven? Pollux onderzocht daarom ook de invloed van vissen en vogels, die de verspreiding een handje kunnen helpen door de zaden op te eten en elders weer uit te poepen. De harde zaden van de kleine egelskop, en in iets mindere mate de zachtere van pijlkruid (Sagittaria sagittifolia), kunnen de rit door maag en darmen goed overleven. Pollux testte dit met karpers, wilde eenden en wintertalingen. Deze zogenaamde ‘driftparadox’ van het eenrichtingsverkeer in rivieren en de oplossing die je daar als organisme voor moet hebben, was tot nu toe alleen bij ongewervelde dieren (zoals waterinsecten, vlokreeftjes en waterpissebedden) onderzocht, maar nog nooit bij planten.

Informatie: www.nioo.knaw.nl/NEWS/indexNL.htm
Bron: Persbericht NIOO-KNAW

lees meer
5 MAART 2007

BOER VERDIENT TE WEINIG AAN VERHOGEN WATERSTAND

Het is voor boeren financieel nog onaantrekkelijk om de grondwaterstand te verhogen ten bate van de natuur, concludeert het landbouweconomisch instituut LEI. Dat komt doordat de Europese Unie tegen staatssteun is.
De grondwaterstand rondom veel natuurgebieden moet omhoog. Natuurbeheerorganisaties kunnen daarvoor een ‘bufferzone’ aankopen rondom het gebied en daar de grondwaterstand verhogen. Maar het is goedkoper om een regeling te treffen met omringende boeren. De verhoging van het peil kan de landbouwproductie verlagen, maar de ondernemers krijgen voor die ‘groenblauwe dienst’ dan een financiële vergoeding.
Het LEI onderzocht op welke manier dat zou kunnen. Projectleider Karel van Bommel zette in 2002 de mogelijkheden al op een rij, waarna er proefprojecten zijn uitgevoerd.
Een hindernis bij het belonen van boeren voor een groenblauwe dienst is dat de EU de beloning al snel als staatssteun aan de landbouwsector ziet. Europa is kritisch op dat punt, omdat boeren al veel ondersteuning ontvangen vanuit het landbouwbeleid. Hoewel er wel manieren binnen de wet zijn om boeren te belonen, concludeert Van Bommel dat het tot nu toe niet mogelijk is om een marktconforme beloning te geven. Boeren kunnen er niet echt aan verdienen. Dat was wel het oorspronkelijke idee van de blauwe diensten.

Informatie: www.lei.dlo.nl
Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

Zie ook: rapport

lees meer
2 MAART 2007

EUROPESE HABITATRICHTLIJN VERLAMT BOUW NIET

De Europese Habitatrichtlijn levert nauwelijks belemmeringen op voor bouwprojecten in Nederland. Recente casestudies van het landbouweconomisch onderzoeksinstituut LEI bevestigen eerder onderzoek van onderzoeksinstituut Alterra dat dit al uitwees. Opvallend is wel dat niemand weet hoeveel projecten met de Habitatrichtlijn van doen hebben.
Het is een hardnekkig idee dat de Europese natuurwetgeving tot bouwstops leidt. Maar anders dan alle ophef rond korenwolven, zeggekorfslakken en andere diertjes die bouwprojecten zouden stilleggen doet vermoeden, is er in de praktijk nauwelijks sprake van een bouwstop. Het LEI onderzocht 49 vergunningaanvragen en 17 rechterlijke uitspraken, en concludeert dat de Habitatrichtlijn geen wezenlijke belemmering vormt voor bouwprojecten.
In 2006 trok mr. Fred Kistenkas van Alterra diezelfde conclusie in de Natuurbalans naar aanleiding van zijn jaarlijkse analyse van de jurisprudentie rondom de Europese richtlijnen.
Volgens Marc-Jeroen Bogaardt van het LEI kan de afhandeling van vergunningaanvragen sneller als de aanvrager meer samenwerkt en overlegt met andere betrokken partijen, zoals natuur- en milieuorganisaties en lokale clubs. Dat blijkt volgens Bogaardt uit ervaringen in Noord-Brabant waar actieve natuur- en milieuorganisaties al langer samenwerken met overheden en bedrijven voor de reconstructie van de intensieve veehouderij.
Opvallend is dat zowel het LEI als Alterra concluderen dat niemand een duidelijk overzicht heeft van alle bouwprojecten die met de Habitatrichtlijn te maken hebben. 'Het is een gigantisch dark number', stelt Kistenkas. 'Dat komt onder meer doordat er veel overheden bij betrokken zijn. En er is een wijziging van de Natuurbeschermingswet geweest.' Bogaardt: 'De provincies zijn voor het verzamelen van de informatie ook afhankelijk van anderen.'

Informatie: www.lei.wur.nl/NL/publicaties+en+producten/LEIpublicaties/
Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
1 MAART 2007

KORHOENDERS GAAN ‘BIJ BOSJES SNEUVELEN’

Na ruim zes jaar discussie zet Nationaal Park de Hoge Veluwe dit najaar gefokte korhoenders uit. De Raad van State heeft hiervoor eind februari toestemming verleend. Onderzoekers van het instituut Alterra zijn teleurgesteld.
Het korhoen is een bedreigde soort in Nederland en komt alleen nog in het natuurgebied de Sallandse Heuvelrug voor. Om het dier terug te halen naar de Hoge Veluwe startte het natuurpark een fokprogramma. Maar de in gevangenschap levende korhoenders planten zich zelden natuurlijk voort, krijgen antibiotica door hun voedsel en zijn gewend aan de veilige omgeving zonder roofdieren. ‘In het wild hebben ze heel weinig kans om te overleven’, zegt Hugh Jansman die vanuit Alterra betrokken is bij onderzoek naar de wilde populatie korhoenders op de Sallandse Heuvelrug.
Onlangs nog bracht Alterra samen met Plant Research International een rapport uit met de boodschap dat herintroducties beter moeten worden overwogen. ‘Als ik nu de ontheffing lees voor de korhoenders zie ik vele mitsen en maren. Toch geeft de rechter toestemming. Nu is het onze taak om wetenschappelijke argumenten te leveren en niet om ons met de rechtszaak te bemoeien. Maar ik denk dat deze herintroductie heel voorbarig is’, zegt Jansman. ‘Binnen enkele weken zal de helft van de uitgezette dieren zijn gestorven en een jaar later lopen er misschien nog een paar rond. Alle andere pogingen in Europa zijn stopgezet omdat de dieren bij bosjes sneuvelen.’
Alterra ziet liever dat het Nederlandse natuurbeleid zich richt op het behoud van de resterende maar bedreigde populatie op de Sallandse Heuvelrug. Want zelfs die goed aangepaste populatie heeft moeite met overleven. ‘We zien in heel Europa dat de wilde korhoenders het steeds slechter doen en weten eigenlijk niet precies waarom. Zolang we niet weten hoe we het die korhoenders naar de zin moeten maken, is het niet kansrijk om elders een populatie uit te zetten met kwalitatief mindere dieren. Ook is er een reëel risico dat deze dieren ziektes verspreiden naar de wilde populatie of dat er genenvermenging optreedt. De kans is misschien niet groot, maar het is onverantwoord om het risico te nemen.’

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk