homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

28 FEBRUARI 2007

‘VERHANDELBARE BIODIVERSITEITSRECHTEN INVOEREN’

De invoering van verhandelbare biodiversiteitsrechten zou helpen de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen. Dat zegt professor Steven de Bie bij zijn aanstelling als bijzonder hoogleraar Duurzaam gebruik van levende hulpbronnen op 1 maart aan Wageningen Universiteit.
De Bie pleit voor een meer commerciële benadering van biodiversiteit, waarbij directe en indirecte en expliciet gewenste opbrengsten van de biodiversiteit worden omschreven. Dat kan volgens hem een positieve, substantiële invloed hebben op het behoud van biodiversiteit, doordat de negatieve invloeden van bijvoorbeeld bedrijven kunnen worden gecompenseerd. Vergelijkbaar met emissierechten voor bijvoorbeeld broeikasgassen zouden er ook biodiversiteitsrechten moeten komen en als verhandelbare waarde op een markt voor dit soort rechten worden gebracht, vindt De Bie. Dat vereist naar zijn mening wel een heel andere manier van denken over het behoud van biodiversiteit.
Eén van de grootste uitdagingen voor regeringen, bedrijven en lokale gemeenschappen is daarom het gebruik van de levende hulpbronnen op aarde duurzaam te maken, aldus prof. De Bie. Doen we dat niet, dan zal de biodiversiteit naar zijn mening onherroepelijk verder afnemen. En treedt daarmee een verdere erosie op van de gebruiksmogelijkheden die de ecologische omgeving de mens biedt, zoals voedselvoorziening of andersoortige producten en diensten.
De Bie meent dat duurzaam gebruik van biodiversiteit nooit kan worden bereikt zonder een goed antwoord op het vraagstuk van de armoede in de wereld. Elke beperking van het gebruik van de omgeving beperkt de overlevingskansen van arme mensen. Daarom zal een overgang naar duurzaam gebruik van levende hulpbronnen door deze bevolking gepaard moeten gaan met een investering in het terugbrengen van hun armoede.
Prof.dr. Steven de Bie is senior- milieuadviseur bij de afdeling HSE (Health Safety Environment) van Shell International.

Informatie: www.wur.nl/NL/nieuwsagenda/nieuws/Behoud_soortenrijkdom_gebaat_bij_verhandelbare_biodiversiteitsrechten.htm
Bron: Persbericht Wageningen Universiteit

lees meer
27 FEBRUARI 2007

EVOLUTIONAIR PROCES NIET BESCHERMD MET BIODIVERSITEIT

Onderzoekers stellen in Nature dat het natuurbeheer niet alleen moet inzetten op behoud van de biodiversiteit. Het is net zo belangrijk gebieden met een grote evolutionaire potentie te beschermen - en die komen niet per se overeen met hotspots van biodiversiteit.
Het behoud van zo veel mogelijk soorten, en dus van biodiversiteit, is een van de belangrijkste doelen van de natuurbescherming. Maar niet alle soorten zijn evolutionair gezien even uniek. Een gebied heeft ook een bepaalde ‘fylogenetische diversiteit’, dat staat voor de mate van evolutionaire afstand tussen de aanwezige soorten, en daarmee voor de mate waarin ze in eigenschappen van elkaar verschillen.
Tot dusver gingen wetenschappers ervan uit dat fylogenetische diversiteit gemeten kon worden aan de hand van de soortendiversiteit. De studie, uitgevoerd in het Zuid-Afrikaanse kustgebied, verwerpt die gedachte; de soortenrijkdom van het gebied blijkt geen goede maat voor fylogenetische diversiteit ervan. In het westelijke kustgebied, dat een enorme biodiversiteit heeft, was de evolutionaire afstand tussen soorten laag, terwijl in het oosten van de Kaap een veel lagere biodiversiteit gepaard ging met een hoge fylogenetische diversiteit. De twee factoren moeten dus los van elkaar gemeten worden, stellen de onderzoekers.
De fylogenetische diversiteit is van belang omdat het iets zegt over de evolutionaire potentie van een gebied, oftewel de kans dat in een onzekere toekomst geschikte eigenschappen aanwezig zijn. De onderzoekers stellen dat het verstandig is om niet alleen hotspots van biodiversiteit te beschermen, maar ook gebieden die van belang zijn voor de continuïteit van het evolutionaire proces, bijvoorbeeld in geval van klimaatverandering.

Informatie: www.nature.com
Bron: Boomblad

lees meer
26 FEBRUARI 2007

JACHT OP VOS EN KRAAI HELPT KIEVIT NIET

Afschot van vossen en vangen van kraaien heeft geen effect op het broedsucces of de populatiegroei van de kievit. Dat concluderen onderzoekers na acht jaar onderzoek in Engeland en Wales. De resultaten zijn gepubliceerd in het Journal of Applied Ecology.
De onderzoekers maten het effect van regulatie van de predatoren op kievitpopulaties in elf natte graslanden in Engeland en Wales. Het aantal rode vossen nam in acht jaar tijd in totaal met 40 procent af, en het aantal zwarte kraaien met 56 procent. Dat had geen effect op het succes van de 3139 kievitsnesten, blijkt uit het onderzoek. Het aantal eieren, en het aantal uitgekomen eieren bleef gelijk. Wel bestonden er grote verschillen in de resultaten tussen de elf gebieden. Die hingen voornamelijk samen met de variatie in de predatordichtheid. Waar deze hoog waren, gaf regulatie meer kans op succes dan in gebieden met lagere predatordichtheden.
De jacht op de vos en de kraai bleek ook geen algemeen effect te hebben op de overlevingskans van de kuikens, hoewel er ook hier lokale verschillen waren. Dat onderzochten de wetenschappers door op 7 van de 11 lokaties in totaal 459 kuikens van een zendertje te voorzien, waarmee ze nauwgezet in de gaten konden worden gehouden.
Ten slotte werden ook geen effecten van de regulatie waargenomen op de groei van de kievitpopulaties. Opvallend was wel, dat het aantal ouders dat laat in het seizoen met jongen gezien werd, op zes plekken twee keer zo hoog was in jaren waarin de predatoren bejaagd werden, als in jaren waarin dat niet gebeurde.
De onderzoekers stellen voor om meer onderzoek uit te voeren alvorens predatoren te bejagen.

Informatie: www.blackwell-synergy.com/loi/JPE
Bron: Boomblad

lees meer
23 FEBRUARI 2007

GRAS UIT NATUURGEBIED GESCHIKT VOOR DE KOE

Gras uit natuurgebieden is goed te gebruiken door melkveehouders, meldt het Louis Bolk Instituut, naar aanleiding van het project ‘Meer dan beheer’.
Uit het project blijkt dat de natuurdoelen van redelijk voedselrijk grasland goed samengaan met ruwvoerwinning, en dat melkveebedrijven twintig procent beheersgras kunnen voeren, zonder dat de melkproductie daalt, aldus het Louis Bolk Instituut.
De aanleiding voor het project is het toenemende aantal hectares grasland in Nederland waarbij rekening moet worden gehouden met natuurwaarden, over tien jaar zo’n 300.000 hectare. Natuurbeheer wordt onbetaalbaar als veehouders niet voldoende gras afnemen uit natuurgebieden, zegt het Louis Bolk Instituut in een persbericht.
Het instituut heeft het project uitgevoerd in opdracht van de provincie Friesland, het Projectbureau Nationaal Landschap Laag Holland en de provincie Noord-Holland, en in samenwerking met veehouders in Friesland en Noord-Holland.
Als boeren meer dan twintig procent beheersgras voeren, kan het rendement volgens het instituut onder andere op peil blijven door het bemesten van beheersland – ‘gericht en zuinig’ – en het voorkomen van structuurbederf, verruiging, en de opkomst van onkruiden en giftige planten.
Het optimale aandeel beheersland ten opzichte van de totale oppervlakte beschikbaar grasland verschilt per bedrijfssituatie. Beheersgras aankopen of beheersland pachten is aantrekkelijk in het geval van dure landbouwgrond, voldoende stalruimte voor extra dieren of een redelijke kwaliteit beheersgras, meldt het Louis Bolk Instituut.
Als aanzet voor een effectieve samenwerking tussen natuurbeheerders en veehouders geeft het Louis Bolk Instituut de uitgebreide brochure ‘Meer dan beheer – melken van beheersgras’ uit, waarin de inzet van beheersgras wordt uiteengezet aan de hand van het management van beheerspercelen, de winning en conservering van gras en de kosten en baten ervan.

Informatie: www.louisbolk.org
Bron: Louis Bolk Instituut

lees meer
20 FEBRUARI 2007

VLEERMUIS EET ZANGVOGELS

De huiszwaluw, het roodborstje en de tjiftjaf staan op het menu van de grote rosse vleermuis (Nyctalus lasiopterus). Vooral in het najaar lopen deze en andere ‘s nachts over Zuid-Spanje en Portugal trekkende zangvogels daardoor de kans de overtocht niet te halen, blijkt uit onderzoek dat onlangs in PLoS One is gepubliceerd.
De zeldzame grote rosse vleermuis, de grootste vleermuis van Europa, komt bijna alleen voor in het Mediterrane gebied waar de belangrijkste vliegroutes van vogels samenkomen. Toch werd de hypothese dat hij in het zuiden van Spanje en Portugal op vogels jaagt, en dus niet alleen op insecten, in 2001 nog heftig bekritiseerd. Volgens een studie uit dat jaar waren er in de uitwerpselen van vleermuizen veertjes gevonden. Dat zou volgens sommigen echter nog niet betekenen dat de vleermuizen ook vogels eten; ze zouden de veertjes ook ongewild binnen kunnen krijgen omdat de lucht er tijdens het trekseizoen vol mee zit. De nieuwe studie in PLoS One heeft die kritiek nu weerlegd.
Het menu van de vleermuis verschilt wel per seizoen. In de lente wordt een enkele vogel opgegeten, in de zomer eet hij alleen insecten, en in de herfst pakt hij juist heel veel vogels. De verklaring daarvoor zou gezocht kunnen worden in het aanbod. In het najaar vliegen de oudervogels met hun jongen naar het zuiden. Omdat die jongen onervaren zijn, vallen ze makkelijker ten prooi. In de lente vliegen alleen de vogels terug die de herfst en winter hebben overleefd. Deze resultaten zijn in lijn met de zogenaamde optimal foraging theory, die voorspelt dat predatoren de opname van energie maximaliseren door zich te richten op prooidieren die in overvloed aanwezig zijn.
Er werd voor het onderzoek gebruikgemaakt van een recent ontwikkelde onderzoeksmethode, waarbij het bloed van de vleermuizen werd afgenomen en onderzocht op de aanwezigheid van bepaalde varianten van koolstof en stikstof. Deze isotopen komen voor in het spierweefsel van de prooidieren, en zijn per soort uniek. Ze zijn bovendien stabiel, wat betekent dat ze onveranderd in de bloedbaan van de vleermuis terecht komen. De onderzoekers zochten naar de isotopen van tien vogelsoorten, en ter controle ook van de insecten die op het menu van de grote rosse vleermuis staan.

Informatie: www.plosone.org
Bron: Boomblad

lees meer
19 FEBRUARI 2007

BOSJES VANGEN VEEL FIJN STOF

Bomen en struiken zijn effectieve fijn-stofvangers, blijkt uit onderzoek van de instituten Alterra en Plant Research International. In een onderzoeksgebied bij Woudenberg blijken de bomen en struiken tien procent van het fijn stof en acht procent van de ammoniak in de lucht op te vangen, terwijl de landschapselementen maar drie procent van de oppervlakte uitmaken.
Voor het proefgebied van een vierkante kilometer is de berekende invang van fijn stof meer dan wat er in dat gebied wordt uitgestoten. 'Maar dat verandert sterk als je de A12 meeneemt, die vlak naast het gebied ligt. Dan heb je wel wat meer groen nodig', aldus onderzoeker Anne Oosterbaan.
Voor het invangen van ammoniak was de hoeveelheid groen in het proefgebied ontoereikend.
De invangcapaciteit wordt behalve door de boom- en struiksoorten bepaald door de afmeting en de structuur. De onderzoekers bepaalden daarom in het proefgebied bij Woudenberg de hoeveelheid bosjes, singels en groepen en rijen bomen. Daarnaast keken ze naar het aantal ammoniakuitstotende boerenbedrijven en naar de hoeveelheid verkeer in het gebied dat fijn stof veroorzaakt. Daarmee berekenden zij de invang en de uitstoot van beide stoffen.
Uit eerder onderzoek was al duidelijk geworden dat planten bijdragen aan de invang, maar met de methode die Alterra en PRI ontwikkelden kan daar nu een cijfer aan gehangen worden. De uitkomst is volgens Oosterbaan een eerste stap in het kwantificeren van de bijdrage van groen aan de invang van fijn stof en ammoniak.
Fijn stof wordt het best ingevangen door naaldbomen; die vangen tot wel drie maal zoveel fijn stof als loofbomen. Ammoniak kan het best worden ingevangen door loofbomen, omdat naaldbomen gevoeliger zijn voor ammoniak dan loofbomen.

Informatie: www.alterra.wur.nl
Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

Zie ook: rapport

lees meer
16 FEBRUARI 2007

WILDE VOGELS LIJDEN ONDER VOGELGRIEP

Over het algemeen wordt aangenomen dat alleen tamme vogels ziek worden van de lichte vogelgriep affluenza A. Onderzoek van NIOO-KNAW en het Erasmus medisch centrum toont echter aan dat in het wild levende kleine zwanen die besmet zijn met dit virus minder eten en later beginnen aan hun migratie. De studie is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift PLoS One.
De geïnfecteerde kleine zwanen in het onderzoek verlieten hun overwinteringsplek meer dan een maand later dan onbesmette vogels. Dat kan tot gevolg hebben dat ze aankomen op een volle plek waar weinig voedsel meer is, waardoor hun toestand verder kan verslechteren. Het late vertrek bleek samen te hangen met een paar andere observaties. Zo vlogen geïnfecteerde zwanen kortere afstanden, hadden ze lagere hoeveelheden energie, en namen ze lagere hoeveelheden voedsel tot zich.
Voor het onderzoek vingen de onderzoekers 25 kleine zwanen (Cygnus columbianus bewickii Yarrell) op een bietenveld bij Wieringerwerf, waar de vogels overwinterden, en namen bloedmonsters af. Twaalf zwanen kregen een halsband met een GPS-systeem waarmee hun positie bepaald kon worden. Uit de bloedmonsters bleek dat drie vogels besmet waren met het vogelgriepvirus affluenza A, en de subtypen H6N2 en H6N8. Deze behoren tot de meest algemeen voorkomende virussen onder wilde vogels. Twee van de besmette zwanen konden gevolgd worden omdat ze een halsband om hadden.
De data suggereren dat wilde, migrerende vogels zwaarder te lijden hebben onder bepaalde typen van de vogelgriep dan doorgaans aangenomen wordt. Het is echter nog onduidelijk waardoor deze resultaten veroorzaakt worden. Het lijkt waarschijnlijk dat de besmetting een lagere mobiliteit en verminderde eetlust veroorzaakt, maar het kan ook zijn dat zwakkere of verzwakte dieren gevoeliger zijn voor besmetting.

Informatie: www.plosone.org
Bron: Boomblad

lees meer
15 FEBRUARI 2007

HELFT GESTRANDE BRUINVISSEN VERWOND DOOR NETTEN

Zeker de helft van de beschermde bruinvissen die in Nederland aanspoelen is gestorven als gevolg van verwondingen door netten, blijkt uit sectie door een internationaal team onderzoekers. Een schrikbarend hoog percentage, vindt Mardik Leopold van Wageningen IMARES.
Een internationaal team van onderzoekers vond tijdens sectie op 64 aangespoelde bruinvissen diverse aanwijzingen dat veel van de dieren niet op een natuurlijke manier zijn gestorven. Leopold: 'Dat kun je zien als het dier bijvoorbeeld een grote snee heeft. Maar een volle maag wijst ook op een plotselinge dood. Dan was de bruinvis aan het foerageren. En een bepaald schuim in de longen wijst er op dat de bruinvis is verdronken.'
Op deze manier werd bepaald dat 53 tot 70 procent van de onderzochte bruinvissen als bijvangst in visnetten had gezeten. De overige aangespoelde dieren stierven door ziekte of voedselgebrek.
Leopold vindt het percentage schrikbarend hoog, temeer daar hij verwacht dat deze cijfers slechts een deel van het probleem laten zien. 'De helft van de Nederlandse populatie zit in het noorden, boven de Wadden. Die zien we niet aanspoelen omdat de stroming vanuit het zuiden komt. Daar staat tegenover dat wij ook bruinvissen uit België en Frankrijk op onze stranden krijgen.'
Het is nog onduidelijk of Nederland maatregelen moet nemen om de beschermde walvissoort te behoeden voor de gevolgen van de visserij. Wetenschappers gaan ervan uit dat een bijvangstpercentage van één procent van de totale populatie al bedreigend is voor het voortbestaan van de soort. Probleem is echter dat de onderzoekers niet goed weten hoeveel bruinvissen er in de Nederlandse wateren zwemmen. Leopold pleit dan ook voor betere tellingen.
Het aantal bruinvissen dat sterft als bijvangst zal de komende tijd waarschijnlijk toenemen, want het aantal bruinvissen voor de Nederlandse kust stijgt al jaren. In 2005 spoelden er volgens de site www.walvisvisstrandingen.nl van het natuurmuseum Naturalis 304 bruinvissen aan, in 2006 522. Dit jaar begon rustig: op 12 februari 2007 stond de teller op 25. Maar uit het onderzoek van Leopold blijkt dat de meeste bruinvissen in het voorjaar en augustus aanspoelen.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
13 FEBRUARI 2007

KLACHTEN PARTICULIER NATUURBEHEER VERZAMELD

Klachten - maar ook complimenten - over particulier natuurbeheer kunnen sinds kort doorgegeven worden op een meldpunt, ingesteld is door de Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied (SBNL) en de Federatie Particulier Grondbezit (FPG). Directe aanleiding vormen klachten van hun leden over taxaties van grond.
Volgens SBNL en FPG lopen vooral boeren die met subsidie een natuurterrein willen aanleggen in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) tegen knelpunten aan. De organisaties hebben de indruk dat de knelpunten een aantal particulieren belemmeren om een begin te maken met het inrichten van een eigen natuurterrein.
Een veelgehoorde klacht is dat particulieren, in tegenstelling tot natuurorganisaties, voor het inrichten van een natuurterrein twintig procent van de waarde van de grond moeten inleveren. Grond die naar een natuurorganisatie gaat wordt soms hoger getaxeerd dan dezelfde grond die een particulier voor natuur wil inrichten. SBNL en FPG menen dat een onafhankelijke taxatie altijd hetzelfde bedrag moet opleveren. Ze hebben de kwestie inmiddels bij de overheid aanhangig gemaakt.
Het blijkt in de praktijk ook dat boeren die willen overstappen van agrarisch natuurbeheer naar particulier natuurbeheer soms opeens veel geld moeten terugbetalen. Leden van SBNL en FPG geven bovendien aan dat de regelgeving complex is en dat ambtelijke molens niet altijd meewerken.
Via het meldpunt hopen SBNL en FPG een beter beeld te krijgen van de praktijkervaringen met het omzetten van landbouwgrond in natuur.
Het Meldpunt is telefonisch bereikbaar onder 0318 578340 of via meldpunt@grondbezit.nl. Op de websites van de beide organisaties kunnen particulieren een formulier downloaden waarin ze hun ervaringen kwijt kunnen.

Informatie: www.grondbezit.nl, www.sbnl.nl
Bron: Persbericht FPG en SBNL

lees meer
12 FEBRUARI 2007

WEIDEVOGELS WILLEN NAT GRAS

Weidevogels hebben een voorkeur voor vochtig grasland, blijkt uit onderzoek van Wageningen Universiteit. Daarmee moet bij het weidevogelbeheer rekening worden gehouden, vinden de onderzoekers.
De onderzoekers vergeleken twee methodes van agrarisch natuurbeheer - de standaardvergoeding voor laat maaien en de prestatiebeloning voor het aantal nesten op een perceel. Het resultaat komt overeen met de uitkomsten van eerdere studies naar weidevogelbeheer. Op de percelen met weidevogelbeheer vonden ze meer territoria die geschikt zijn voor de weidevogels, en er werden meer tureluurs gesignaleerd. Opvallend resultaat van de nieuwe studie was volgens de onderzoekers dat de positieve effecten van de maatregelen eerder het gevolg zijn van waterbeheer dan van weidevogelbeheer.
Volgens onderzoeker Jort Verhulst geven de verschillen in grondwaterstand en bodemvochtigheid een betere verklaring voor de aantallen weidevogels dan het weidevogelbeheer. Bij de inrichting van het weidevogelbeheer moet dus met het waterbeheer rekening gehouden worden, vindt hij. Dat kan door op weidevogelbeheer in te zetten op die plekken waar de grondwaterstand hoog is, maar ook door de waterstand op percelen te verhogen. Verhulst: 'Het heeft ook een indirecte invloed, want het aantal regenwormen en emelten - voedsel voor weidevogels - neemt bij een hogere grondwaterstand ook toe.'
Het aangepaste beheer leverde overigens geen overvloed aan weidevogels op. De kievit, zo bleek ook weer uit deze studie, geeft de voorkeur aan het kort gehouden gras van de percelen zonder weidevogelbeheer.

Zie ook: Resource Online
Bron: Resource

lees meer
8 FEBRUARI 2007

NATURA 2000 NIET ZALIGMAKEND

Na uitvoering van het Europese beleidsprogramma Natura 2000 zal de natuur nog steeds onder druk staan. Dat blijkt uit voorlopige onderzoeksresultaten van Alterra. Hoewel de druk vanuit het milieu en de bebouwing in de komende dertig jaar zal verminderen, zullen niet alle soorten en habitats hiervan profiteren. Ook het draagvlak voor dit beleid onder gemeentes en boeren is problematisch.
De Nederlandse natuur wordt sinds de jaren negentig beschermd volgens Europese richtlijnen.
Sinds kort zijn daar Natura 2000-gebieden bijgekomen, die zijn vastgesteld om soorten en habitats in Europa te beschermen. Deze gebieden overlappen grotendeels met de ecologische hoofdstructuur (EHS). Alterra onderzocht met het Milieu- en Natuurplanbureau de effecten op de flora en faunen van de instelling van de Natura 2000-gebieden, voor zowel de korte als lange termijn.
De voorlopige resultaten laten zien dat het voor sommige soorten en habitats moeilijk zal blijven. Het is zelfs de vraag of bepaalde soorten wel zullen blijven voortbestaan. ‘De EHS moet in 2018 gerealiseerd zijn. We hebben bekeken of dit in combinatie met de Natura 2000-gebieden voldoende zal zijn om de huidige natuur voldoende te beschermen’, vertelt Alterra-onderzoeker Irene Bouwma. De condities zullen voor een aantal soorten zeker verbeteren, maar tegelijkertijd zullen er nog steeds soorten buiten de boot vallen. Bouwma: ‘Nederland is voor een aantal soorten simpelweg te klein. Ook zijn sommige soorten te versnipperd over Nederland verspreid. Er moet heel veel gebeuren willen deze in staat zijn een stabiele populatie op te bouwen. De vraag is of dit realistisch is.’
In het onderzoek zijn vier aspecten onder de loep genomen: de milieudruk, de ruimtedruk, de kosten van beheer en het draagvlak voor het beleid. De milieudruk, gemeten als de stikstof- en zuurdepositie, zal dalen als de maatregelen goed worden uitgevoerd. De druk van bebouwing in en om de aangewezen gebieden zal op de korte termijn meevallen. De bebouwing zal er met gemiddeld een procent toenemen, als de huidige bouwplannen voor wonen, werken en infrastructuur doorgaan. Over het beheer en het draagvlak kunnen daarentegen nog geen harde conclusies getrokken worden. De evaluatie daarvan is nog niet afgerond. Wel kan er over het draagvlak gezegd worden dat die onder gemeenten en belangengroepen zoals boeren het minst zeker is, omdat zij nog niet weten wat een Natura-2000 gebied in hun nabijheid zal betekenen.

Informatie: www.kennisonline.wur.nl
Bron: Kennis Online, jaargang 4, februari 2007

lees meer
6 FEBRUARI 2007

GOEDE HOOP VOOR DE HERFSTSCHROEFORCHIS

De bedreigde herfstschroeforchis (Spiranthes spiralis) heeft een relatief goede kans om de komende 20 jaar in Nederland te overleven. Onderzoekers concluderen dat na 24 jaar onderzoek, gepubliceerd in Biological Conservation. Dit optimisme wordt enigszins getemperd door de krimp van de laatste 10 jaar, die mogelijk veroorzaakt wordt door inteelt en een verminderd aanpassingsvermogen van de planten.
In Nederland komt de herfstschroeforchis op twee plekken voor, waaronder het twee hectare grote natuurgebied Berghofweide in Zuid-Liburg, één van de noordelijkste vindplaatsen in Europa. Tussen 1981 en 2004 verzamelden onderzoekers van de Universiteit Utrecht en de universiteit van Leuven, België hier gegevens over sterfte en groei. Ze keken vooral naar klonale groei – via wortelstokken – en seksuele voortplanting. Voortplanten via de wortelstokken doen orchideeën vermoedelijk vooral onder moeilijke omstandigheden. Seksuele voortplanting kan in tegenstelling tot de wortelstokken bijdragen aan een verversing van het genetisch materiaal in een populatie. De studie was bedoeld om inzicht te krijgen in het belang van beide groeiwijzen voor de levensvatbaarheid van een populatie.
De resultaten laten een aanzienlijke variatie in de tijd zien voor zowel de klonale als de seksuele voortplanting. Het aandeel bloeiende planten varieerde bijvoorbeeld tussen de nul en honderd procent - planten met bloemen hebben tachtig procent kans om in het daaropvolgende jaar géén bloemen te hebben, een veelvoorkomende variatie bij orchideeën.
Duidelijk werd ook dat de klonale groei toenam wanneer het aantal individuele orchideeën afnam. In het begin van de onderzoeksperiode, ruim twintig jaar gelden, was het aandeel van de klonale groei veel groter dan in latere fasen. Tien jaar na een verandering in het beheer van het gebied, begon de populatie massief te groeien, vooral via seksuele voortplanting. Omdat de uitgangssituatie voor die groei echter een kleine populatie was, met een groot aandeel klonale groei, vermoeden de onderzoekers dat dit geleid heeft tot inteelt en een lager aanpassingsvermogen van de planten. Dit zou vervolgens de daling gedurende de laatste tien jaar kunnen verklaren.
De toekomstvoorspellingen voor de orchis zijn gemaakt met een zogenaamd diffusion approximation model. Dit model toont een overlevingskans voor de populatie van 79 procent in de komende 20 jaar. Tegelijkertijd laat het model echter zien dat verdere afname ook niet onwaarschijnlijk is. Het optimisme wordt ook getemperd door het feit dat de populatie in de laatste tien jaar gekrompen is, ondanks stabiel natuurbeheer.

Informatie: www.sciencedirect.com/science/journal/00063207
Bron: Boomblad

lees meer
5 FEBRUARI 2007

ROL WILDE VOGELS BIJ VOGELGRIEP ‘ZEER ONWAARSCHIJNLIJK’

‘De oorzaak van de uitbraak van vogelgriep in Groot-Brittanië moet in eerste instantie in de veehouderij gezocht worden. Een rol voor wilde vogels in deze tijd van het jaar, op een dergelijke boerderij, is zeer onwaarschijnlijk’, stellen Wetlands International en de Vogelbescherming. Het instellen van de ophokplicht verlaagt de kans op besmetting zeker niet meer dan op andere momenten, menen zij.
‘Ondanks intensieve monitoring zijn er in Europa al maanden geen met vogelgriep (H5NI hp) geïnfecteerde wilde vogels gevonden. Op dit moment vindt er bovendien nauwelijks vogeltrek plaats. Dit maakt de kans dat wilde vogels in Engeland of Nederland opeens vogelgriep hebben, bijzonder klein. Maar ook bij die kleine kans is besmetting van de boerderij in Suffolk bijna uitgesloten. De boerderij voert een zeer gesloten bedrijfsvoering’ aldus de organisaties in een persbericht.
‘De snelheid waarmee nu door diverse autoriteiten naar wilde vogels wordt gewezen is daarmee onterecht. Een ophokplicht verlaagt altijd de kans dat wilde vogels vogelgriep naar pluimvee brengen. Deze kans is nu echter zeker niet groter dan bijvoorbeeld de afgelopen weken’, schrijven Vogelbescherming en Wetlands International.
De uitbraken op boerderijen in Hongarije, waar de eigenaar van de boerderij in Suffolk eveneens pluimveebedrijven heeft, ligt als mogelijke bron veel meer voor de hand, vinden de organisaties. ‘In ieder geval is er veel meer onderzoek nodig voor autoriteiten en deskundigen uitspraken kunnen doen over de meest logische bron van de besmetting’, stellen zij.

Informatie: www.wetlands.org/news
Bron: Persbericht Wetlands International en de Vogelbescherming

lees meer
2 FEBRUARI 2007

KWALITEIT NATUURBEHEER NIET AF TE METEN AAN ééN SOORT

Vaak wordt de kwaliteit van het natuurbeheer afgemeten aan het succes van de soort waarvoor de beheersmaatregelen bedoeld zijn. Volgens Belgische onderzoekers moeten we echter kijken naar de gevolgen voor meerdere doelsoorten, zoals zij onlangs deden in hun eigen studie. Want wat goed is voor de één, kan nadelig uitpakken voor de ander.
In het onderzoek, dat gepubliceerd is in het tijdschrift Biological Conservation, kijken de onderzoekers naar de verspreiding van vijf bedreigde diersoorten in het ernstig versnipperd duingebeid tussen het Franse Bray-Dunes en het Belgische Nieuwpoort: de grote panterspin (Alopecosa fabrilis), de zandkrabspin (Xysticus sabulosus), de heivlinder (Hipparchia semele), de kleine parelmoervlinder (Issoria lathonia) en de blauwvleugelsprinkhaan (Oedipoda caerulescens). Deze geven alle vijf de voorkeur aan grote gebieden, die goed met elkaar verbonden zijn en waarin vrij veel zanddynamiek aanwezig is. Twee jaar lang werd hun verspreiding in 133 duinrestanten in de gaten gehouden. Daarbij werd ook gekeken naar de mate waarin populaties met elkaar verbonden waren, naar de dynamiek van zand en wind, en naar de intensiteit waarmee toeristen en grazers de grond vertrapten.
Alle soorten kwamen duidelijk meer voor in grote, goed verbonden gebieden. De soortendiversiteit bleek het hoogst te zijn in gebieden die goed verbonden waren, met een hoge zanddynamiek en een gemiddelde vertrapping.
Maar er werden ook een aantal verschillen waargenomen. Slechts drie van de vijf soorten werden bijvoorbeeld positief beïnvloed door een hoge zanddynamiek - de zandkrabspin, blauwvleugelsprinkhaan en heivlinder. Een hoge mate van betreding door grazers en toeristen had weer vooral een negatief effect op de twee spinnensoorten, die laag bij de grond leven. En voor de kleine parelmoervlinder en de blauwvleugelsprinkhaan bleken verbindingen tussen de leefgebieden minder belangrijk te zijn dan voor de andere soorten.
Op basis van onder andere deze verschillen komen de onderzoekers tot de conclusie dat goed natuurbeheer rekening moet houden met de gevolgen van beheersmaatregelen voor meerdere doelsoorten.

Informatie: www.sciencedirect.com/science/journal/00063207
Bron: Boomblad

lees meer
1 FEBRUARI 2007

TOP-PREDATOR MINDER INVLOEDRIJK DAN GEDACHT

Het verdwijnen van top-predatoren is voor lagere predatoren weliswaar voordelig, maar de mate waarin hangt sterk af van factoren als het klimaat en het menselijk landgenbruik. In een omgeving zonder agrarisch landgebruik is het effect van het wegvallen van een predator beduidend lager. Dit blijkt uit een publicatie in Ecology Letters. Het toont aan dat de top-predator minder invloed heeft op een ecosysteem dan werd aangenomen.
Top-predatoren worden gezien als de belangrijkste factor voor de structuur en de diversiteit van ecosystemen op het land. Het verdwijnen ervan krijgt veel aandacht in het natuurbeheer. Enerzijds omdat het abnormale toenames van lagere predatoren zou verklaren, of afnames van kleinere prooidieren. Anderzijds omdat de herintroductie van top-predatoren oorspronkelijke verhoudingen in de natuur zou herstellen.
Twee onderzoekers wilden weten of naast deze top-down invloed van hogere predatoren, ook bottom-up effecten, zoals van menselijk landgebruik en klimaat, een rol spelen in het succes van een lagere predator als de rode vos (Vulpes vulpes). Om dat te bepalen gebruikten ze onder andere data van de Zweedse overheid over de jacht, de landbouw en de bevolking tussen de jaren 1828 en 1917. In die tijd stierven de wolf (Canis lupus) en Lynx (Lynx lynx) bijna uit, en vonden er grote veranderingen in het landschap plaats. Het studiegebied bestond uit vier bio-klimaatzones zoals loofbos en toendra, met elk een andere biologische productiviteit. Deze gegevens werden geanalyseerd met een statistisch model.
De resultaten suggereren dat het verdwijnen van de wolf en lynx vooral voordelig was voor vossen in de zuidelijke delen van Zweden, die biologisch het productiefst zijn. In boreale en alpiene gebieden daarentegen, ging de snelle achteruitgang van de wolf nauwelijks gepaard met een toename van het aantal vossen. Voor effectief natuurbeheer is het dus van belang om zowel top-down- als bottom-uprelaties in beschouwing te nemen.

Informatie: www.blackwell-synergy.com/doi/abs/10.1111/j.1461-0248.2006.01010.x
Bron: Boomblad

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk