nieuws
30 JANUARI 2007
HERINTRODUCTIE? NEE, TENZIJ
Nee, tenzij. Dat is het advies van onderzoeksinstituten Alterra en Plant Research International bij herintroductie van verdwenen diersoorten. Want veel herintroductieprojecten mislukken, door een gebrek aan kennis van de ecologie van de soort, concluderen de onderzoekers in een recent uitgegeven rapport.
Het ministerie van LNV beslist over het al dan niet uitzetten van dieren op basis van richtlijnen die de internationale natuurbeschermingsorganisatie IUCN heeft opgesteld. Maar dat de meningen verschillen over de interpretatie van deze richtlijnen, blijkt onder andere uit de discussie rondom het uitzetten van het korhoen op de Veluwe. De overheid heeft het herintroductieproject van het korhoen goedgekeurd, maar natuurbeschermingsorganisaties tekenen bezwaar aan. Volgens hen is onvoldoende duidelijk waarom de enige populatie die Nederland nog rijk is het slecht blijft doen, ondanks de genomen maatregelen. Het is daarom nog maar de vraag of een nieuwe, genetisch totaal afwijkende korhoen het wel goed zal doen.
De onderzoeksinstituten komen daarom met nieuwe richtlijnen, die meer ecologisch onderzoek voorschrijven voordat de soort daadwerkelijk wordt uitgezet. Nog liever zien ze een verschuiving van focus. In plaats van voor het terughalen van ter plaatse uitgestorven dieren, pleiten ze voor hert treffen van meer maatregelen om bestaande populaties in stand te houden, zoals verplaatsingen binnen Nederland.
Voor kleine en versnipperde populaties van bedreigde dieren met een beperkt dispersievermogen, zoals reptielen en amfibieën, is verlies aan genetische diversiteit een reëel gevaar, stellen de onderzoekers. Door het vangen en uitzetten van individuen in een andere geïsoleerde populatie, neemt de genetische diversiteit toe en wordt de populatie sterker.
In het rapport gaan de onderzoekers ook in op het introduceren van plantensoorten. Binnen natuurontwikkelingsprojecten zaaien beheerders vaak lokaal soorten uit die niet meer in de zaadbank aanwezig zijn. Maar sommige zaadmengsels bevatten ongewenste exoten. De onderzoekers wijzen op de verantwoordelijkheid van de beheerders en raden hen aan meer aandacht te schenken aan de herkomst van het zaaigoed.
Informatie: www.alterra.wur.nlZie ook: Resource OnlineBron: Alterra-rapport Herintroduceren van soorten, bijplaatsen of verplaatsen: een afwegingskaderZie ook: rapport
29 JANUARI 2007
KOKKELDICHTHEDEN ZIJN NIET TE VOORSPELLEN
Geen enkel habitatmodel volstaat voor het doen van voorspellingen over de dichtheid van kokkels in een gebied. Dat blijkt uit onderzoek van marien instituut WAGENINGEN Imares, in opdracht van LNV. Wel kan de aan- en afwezigheid van kokkels betrouwbaar voorspeld worden, of het voorkomen van kokkels in zogenaamde dichtheidsklassen.
Habitatmodellen worden over het algemeen gebruikt om de verspreiding van een organisme te verklaren aan de hand van een aantal omgevingsfactoren. Een goed habitatmodel is ook bruikbaar bij veranderende situaties. Imares ontwikkelde habitatmodellen voor kokkels, op basis van verschillende statistische technieken. Zij gebruikten daarbij kokkeldichtheden uit het zuiden van de Westerschelde en relateerden die aan verschillenden abiotische factoren, zoals de hoogteligging, het zoutgehalte en de maximale stroomsnelheid bij springtij. De onderzoekers hoopten deze modellen nu ook te kunnen gebruiken om de verspreiding van de kokkel te voorspellen onder veranderende omstandigheden. Dat onderzochten ze door een voorspelling te geven van de kokkeldichtheden, dichtheidsklassen en aan- en afwezigheid van de kokkel in het noorden van de Westerschelde.
Niet één methode blijkt duidelijk de beste te zijn. Hoe nauwkeuriger de gewenste voorspelling, hoe groter de onzekerheid die met de voorspelling gepaard gaat. Maar er zijn verschillen. Een nauwkeurige voorspelling van de aantallen geeft namelijk een grotere mate van onzekerheid dan voorspellingen van aan- en afwezigheid. Overigens geven de modellen wel een betrouwbare beschrijving van de kokkeldichtheden in het zuiden van de Westerschelde, het gebied waaruit de gegevens stammen.
Op basis van de bevindingen beveelt Imares aan met de modellen enkel voorspellingen te doen van de aan- en afwezigheid van kokkels, en van het voorkomen in dichtheidsklassen.
Bron: Wageningen IMARESZie ook: rapport

26 JANUARI 2007
MODEL VOORSPELT INVLOED VAN LANDBOUW OP VOGELS
Onderzoekers hebben een eenvoudig model ontwikkeld om het effect van agrarische maatregelen op het voorkomen van vogels te voorspellen. Daarvoor koppelden ze de beschermingsstatus en populatiegroei van Britse vogels aan agrarische ingrepen uit het verleden. De studie werd gepubliceerd in Science.
Om te kunnen bepalen wat de gevolgen van menselijke activiteiten zijn voor de biodiversiteit, is veel kostbare informatie nodig. Beleidsmakers kunnen vaak niet wachten op dergelijke onderzoeksresultaten. Een simpel model om de risico’s in te schatten biedt mogelijk een oplossing.
Voor de ontwikkeling van dit model verzamelden onderzoekers gegevens over de negatieve invloed van agrarische maatregelen op een aantal basisbehoeften van vogels. Het ging daarbij om de beschikbaarheid van voedsel, van gebieden om voedsel te vinden, en van geschikte plekken om een nest te bouwen. Vervolgens is bekeken hoezeer een vogelsoort is aangepast aan een specifiek leefgebied. Dat bepaalt de kwetsbaarheid van een soort.
Met deze gegevens is het risico ‘voorspeld’ van 6 historische veranderingen in de landbouw op 57 Britse vogelsoorten. De resultaten bleken statistisch opvallend sterk samen te hangen met de krimp en groei van de vogelpopulaties in de afgelopen 40 jaar.
De onderzoekers pasten het model daarna toe op twee potentiële agrarische veranderingen. Als eerste bekeken ze hoe vogels zouden reageren op de introductie van twee genetisch gemodificeerde gewassen. De effecten daarvan bleken erg klein te zijn. Ook onderzochten ze welke invloed de degradatie van bepaalde leefgebieden op akkers heeft. Het blijkt dat het beheer van hagen en veldranden, dat vaak gestimuleerd wordt door overheden, niet zal helpen om de afname te stoppen van de helft tot tweederde van de vogelsoorten.
Informatie: www.sciencemag.orgBron: Boomblad
24 JANUARI 2007
KALIBEMESTING HELPT VERSCHRALING
Traditioneel verschralingsbeheer- maaien en afvoeren - kan na verloop van tijd zijn effect verliezen. Door de bodem te bemesten met kali, blijft de afvoer van fosfaat op pijl, blijkt uit onderzoek op de zandgronden in Brabant. De onderzoekers publiceerden hun resultaten in De Levende Natuur.
Fosfaat wordt gezien als een remmende factor bij het ontwikkelen van soortenrijke vegetaties op voormalig landbouwgrond. Bijkomend probleem van fosfaat is dat het weglekt naar oppervlakte- en grondwater, waardoor het de aanleg van vennen en beekbegeleidende hooilanden bemoeilijkt.
Onderzoekers van het Louis Bolk Instituut hebben samen met Natuurmonumenten en agrariërs een experiment uitgevoerd in het Hengstven, een natuurgebied aan de zuidkant van Nationaal Park de Loonse en Drunense Duinen, waarbij het effect van uitmijnen is onderzocht. Bij uitmijnen wordt de bodem verschraald door de productie van een gewas op peil te houden, zodat de afvoer van fosfaat maximaal is. De onderzoekers toetsten de effectiviteit ervan, door vier hectare voormalig landbouwgrond in te zaaien met een mengsel van gras en witte klaver. Eén deel werd in een periode van drie jaar vier maal bemest met kali, en een ander deel kreeg niets.
Het perceel met kalibemesting leverde bijna twee keer zoveel klaver en gras op, bleek uit de resultaten. Het verschil in fosfaatafvoer tussen beide percelen was minder groot. Duidelijk werd echter wel dat de fosfaatafvoer in de loop der jaren alleen afnam op de onbemeste percelen. De onderzoekers verwachten dat dit verschil op langere termijn verder oploopt. Ze verwachten bovendien dat de gewenste soortenrijkdom op langere termijn bereikt kan worden. Een dergelijk effect werd in dit onderzoek nog niet waargenomen.
Informatie: www.delevendenatuur.nlBron: Boomblad
22 JANUARI 2007
OPTIMISME OVER PARTICULIER NATUURBEHEER
Er zijn in het Koningsdiep in Friesland goede mogelijkheden om door middel van particulier natuurbeheer de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) versneld in te voeren. Dat meldt de provincie Friesland naar aanleiding van een studie die het ministerie van LNV liet uitvoeren.
Sinds 2003 kunnen particuliere grondeigenaren subsidies ontvangen voor het uitvoeren van natuurbeheer op eigen grond. Zo kunnen zij naast de gevestigde terreinbeherende organisaties een bijdrage leveren aan de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur.
Uit de studie, die werd uitgevoerd door het bureau Thorbecke, blijkt volgens de provincie dat er goede kansen zijn om 182 hectare natuur voor de EHS te realiseren in het Koningsdiep. Belangrijke voorwaarden zijn intensieve communicatie en ondersteuning en een verdere vereenvoudiging van regelgeving. De provincie zegt goede afspraken te hebben gemaakt met terreinbeherende organisaties over de natuurdoelen en over het beperken van versnippering in grotere gebieden.
Tijdens de presentatie van het rapport op een symposium in Olterterp kwam ook naar voren dat het contract van natuurbeheerders die met zwaarder particulier natuurbeheer aan de gang willen op dit moment niet kan worden opgeschaald. Gedeputeerde Anita Andriesen heeft er bij het ministerie van LNV op aangedrongen om dit wel mogelijk te maken. ‘Wij vangen in Fryslân dan twee vliegen in één klap: we spelen hectares vrij in het agrarisch natuurbeheer, waar het quotum voor Fryslân nu helemaal vol zit. En tussentijds kunnen we met boeren en particulieren nieuwe afspraken maken over zwaarder natuurbeheer, zonder dat we hoeven te wachten tot het moment dat de contracten aflopen.’ Het ministerie heeft aangegeven dat ze hier wel aan mee wil werken.
Informatie: www.fryslan.nl/sjablonen/1/infotype/news/newsitem/view.asp?objectID=20087&page=1Bron: Persbericht Provincie Friesland
19 JANUARI 2007
EENJARIGEN EVOLUEREN ZEER SNEL BIJ KLIMAATVERANDERING
Charles Darwin dacht dat evolutie een langzaam proces was. Amerikaanse wetenschappers ontdekten echter dat planten met een korte levenscyclus zich in een paar jaar kunnen aanpassen aan klimaatverandering. Dit suggereert dat snelle groeiers zoals kruidachtigen beter het hoofd kunnen bieden aan het broeikaseffect dan langzame soorten, zoals bomen. Dit fenomeen kan leiden tot veranderingen in de plantenecologie op de aarde.
'Sommige soorten evolueren snel genoeg om de klimaatverandering bij te houden', zegt Arthur Weis, professor ecologie and evolutionaire biologie aan de Universiteit van Californië. 'Het broeikaseffect kan de snelheid van klimaatveranderingen vergroten, zodat bepaalde soorten moeite hebben om bij te blijven. Planten met een langere levenscyclus zullen minder generaties hebben om mee te evolueren.'
Weis en zijn collega's bestudeerden het plantje raapzaad(Brassica rapa), een kruidachtige die over het hele noordelijk halfrond wordt gevonden. In een kas kweekten ze mosterdplantjes van zaad dat ze in 1997 - twee jaar voor een vijfjarige droogte - hadden verzameld, en tegelijkertijd van zaad dat ze ná de droogte, in 2004 verzamelden. De planten werden over drie groepen verdeeld; ieder kreeg een andere hoeveelheid water, waarmee de neerslagpatronen nagebootst werden. In alle gevallen bloeiden de generaties zaad van voor de droogte eerder, ongeacht de bewatering.
Deze verschuiving in genetische timing werd bevestigd in een experiment waarin de voorouders en nakomelingen gekruisd werden. Zoals verwacht begonnen de hybriden te bloeien in een periode tussen die van de voorouders en nakomelingen.
'Tijdens de droogteperiode veranderde de regenval in het begin van de winters niet veel, maar de tweede helft van de winters en lentes waren uitzonderlijk droog. Dit neerslagpatroon veroorzaakte en selectieve druk op planten om eerder te bloeien, vooral op éénjarige planten als veldmosterd', zegt collega-onderzoeker Steven Franks. 'Tijdens droogte stoppen vroege bloeiers met hun zaadproductie vóórdat de bodem uitdroogt, terwijl late bloeiers verwelken voordat ze zaad kunnen maken.'
De techniek om voorouders en nakomelingen tegelijkertijd op te kweken, stelde de onderzoekers in staat om te bepalen dat de verandering in bloeitijd een evolutionaire verandering was, en niet een simpele reactie op veranderde weersomstandigheden.
Informatie: www.pnas.org/cgi/doi/10.1073/pnas.0608379104, www.eurekalert.org/pub_releases/2007-01/uoc--apm010507.phpBron: Boomblad
18 JANUARI 2007
DOORBRAAK MIDDELSTE BONTE SPECHT
De middelste bonte specht bereikte in 2006 een doorbraak met maar liefst 130 territoria, tegen 31 in 2005. Dat meldt SOVON Vogelonderzoek Nederland in een eerste, voorlopig overzicht van de broedvogelcijfers uit 2006.
Ook bereikte het aantal kleine zilverreigers in Nederland in 2006 een nieuw record, met zeker 116 nesten, waar dat er in 1999 nog slechts 9 waren. De grote zilverreiger doet het ook erg goed, met 143 nesten in de Oostvaardersplassen in 2006, tegenover 100 nesten in 2005. Hoewel het rapport over 2005 nog niet uit is, heeft SOVON Vogelonderzoek Nederland al de eerste cijfers uit 2006 op een rij gezet. Sommige soorten zijn onverwacht sterk gegroeid, andere lijken te profiteren van de zachte winters, en er zijn uiteraard ook een aantal teleurstellingen. Het definitieve rapport verschijnt begin 2008.
Verheugend was een broedgeval van zwarte wouwen in Midden-Limburg, en de 31 paartjes van de grote gele kwikstaart in Noord Brabant, meldt Sovon. Verder zijn op de Sallandse Heuvelrug 23 korhanen waargenomen; tegen 9 exemplaren in 2002. En de nachtzwaluw blijft het goed doen. Dit jaar is door SOVON uitgeroepen tot het ‘Jaar van de Nachtzwaluw’.
Er is ook slechts nieuws. Zo lijkt het er op dat de kuifleeuwerik nog steeds moeilijk standhoudt. Ook de kwartelkoning had een tegenvallend jaar, het derde op rij. Hoewel er in 1997-2003 gemiddeld 380 territoria waren, werden er in 2006 nog maar 80 gemeld.
Een paar soorten lijken te profiteren van de zachte winters. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bijeneter, die in Drenthe twee broedparen had met drie en vier jongen. Maar het geldt ook voor de graszanger en de cetti’s zanger. Voor de laatstgenoemde vogel komen de topaantallen van de jaren ‘70 zelfs weer in zicht. In 1978 broedden er ongeveer 60 paartjes in Nederland.
Informatie: www.sovon.nl/default.asp?id=132Bron: Boomblad

17 JANUARI 2007
WIE ONDERHOUDT HET LANDSCHAP VAN DE TOEKOMST?
Nederlanders associëren het platteland vooral met koeien, boeren en rust. Het is echter de vraag hoe lang het nog betaalbaar blijft om dit romantische ideaal in stand te houden. De landbouwsubsidies staan op de helling, en dat zet wetenschappers van Wageningen UR flink aan het denken over alternatieven voor het onderhoud van het landschap, berichtte het weekblad Resource onlangs.
Eén mogelijkheid voor het landschapsbeheer is natuurlijk boeren daarvoor subsidie geven. Maar volgens Pieter Vereijken van Plant Research International (onderdeel van Wageningen UR) is het tijd voor een totaal andere benadering. Hij denkt aan grootschalige alternatieven, zoals het laten groeien van uitgestrekte bossen in het oosten en noorden van het land. Daarin mogen stedelingen dan een huis bouwen. Ook denkt hij aan bewoning van het natte westen, op terpen en drijvende fundamenten temidden van rietvelden. Dit is onder andere gunstig voor de waterberging, en mensen kunnen zich weer een huis in het groen veroorloven. ‘Voedsel halen we wel elders vandaan,’ aldus Vereijken.
Zijn ideeën roepen bij andere Wageningse wetenschappers verzet op. De boer is de meest natuurlijke partner voor de onderhoudstaak, want die zit er nu eenmaal al, vinden bijvoorbeeld hoogleraar Economie van consumenten en huishoudens Wim Heijman en Alterra-onderzoeker Herbert Diemont. ‘Je kunt niet om de grondeigenaar heen. Die moet je op een fatsoenlijke manier behandelen’, zegt Heijman. Beide wetenschappers stellen dan ook een on-Nederlandse schaalvergroting in de landbouw voor, maar daar is wel een enorme ruimtelijke ordeningsslag voor nodig. Ze denken aan bedrijven met zo'n drie- tot vierduizend koeien en honderden hectaren grond. Beide wetenschappers menen echter dat ook de kleine boer zich kan redden, door zich te vestigen langs de Ecologische Hoofdstructuur en zich te richten op biologische landbouw en landschapsbeheer.
Ook Ruraal socioloog Han Wiskerke ziet ook toekomst in de landbouw die de menselijke maat bewaart. Er is volgens hem een trend naar specifieke kwaliteiten van regio's en de daaraan gerelateerde goederen en diensten. Voorbeelden zijn de opkomst van de Slow Foodbeweging, zorgboerderijen, en de herwaardering van het lokale verenigingsleven. Volgens Heijman wordt het beeld van de multifunctionele landbouw echter te veel bewierrookt. ‘Als je de boer genoeg geld biedt, verkoopt hij zijn land. Boeren zijn over het algemeen realistisch en economisch ingesteld. Ze hebben alleen te lijden onder een sukkelig en aaibaar imago. Dat is een verkeerd boerbeeld.’
Zie ook: Resource OnlineBron: Resource
16 JANUARI 2007
VELDLEEUWERIK NEEMT STERK IN AANTAL AF
Van de negen soorten weidevogels nemen er acht in aantal af. Dat blijkt uit cijfers van het CBS. Opvallend is de sterke achteruitgang van de veldleeuwerik, met meer dan vijf procent per jaar. In het agrarisch gebied is de soort in vijftien jaar met zestig procent afgenomen.
In de jaren '70 was de veldleeuwerik nog een uiterst talrijke broedvogel met meer dan 500 duizend broedparen, maar het huidige aantal wordt op vijftig- tot zeventigduizend paren geschat.
De meeste andere weidevogels nemen de laatste tien jaar matig in aantal af. Dat geldt voor de gele kwikstaart, de kievit, de scholekster, en ook voor de grutto, die vanwege zijn internationaal bedreigde status de meeste aandacht in de media krijgt. De tureluur en graspieper daarentegen zijn stabiel, volgens de criteria van het CBS, en alleen bij de kuifeend is er sprake van een matige toename.
Regionaal laten de populaties een paar uitschieters zien. De meest opvallende is de gele kwikstaart, die in Noord- en West-Nederland veel sterker afneemt dan landelijk. In het noordelijke laagveengebied is er bovendien een sterke afname van zowel de scholekster, de tureluur en de grutto.
De gegevens van de negen vogelsoorten worden sinds 1990 verzameld door het weidevogelmeetnet, een samenwerkingsverband tussen CBS, SOVON Vogelonderzoek Nederland en de provincies. Jaarlijks tellen de provincies en vrijwilligers in meer dan duizend proefvlakken het aantal broedparen van weidevogels.
Informatie: www.cbs.nl/nl-NL/menu/publicaties/webpublicaties/webmagazine/cijfers-in-het-kort/2006-49-2-sl.htmBron: Boomblad
15 JANUARI 2007
WILDE KAT HEEFT NEDERLAND BEREIKT
De wilde kat (Felis silvestris) behoort tot de Nederlandse fauna. Onderzoek in opdracht van de Provincie Limburg heeft dit onomstotelijk aangetoond. Half december werd een wilde kat ontdekt door een zogenaamde fotoval in het Limburgse Heuvelland bij Epen. Voor het onderzoek werd samengewerkt met wildbeheereenheden en de terreinbeheerders Staatsbosbeheer en de Vereniging Natuurmonumenten.
De wilde kat (Felis silvestris) lijkt veel op een cyperse huiskat, maar is enigszins anders getekend, vooral de staart. Ook is hij een beetje groter dan de huiskat. Onze huiskatten stammen af van de Noord-Afrikaanse ondersoort van de wilde kat. Soms komen bastaarden voor. Mensen en huisdieren hebben niets te vrezen van de wilde katten. Ze zijn erg schuw en gaan mensen zoveel mogelijk uit de weg. De wilde kat is bij wet beschermd.
Oorspronkelijk kwam de wilde kat in vrijwel heel Europa voor, maar als gevolg van menselijk ingrijpen is hij bijna overal uitgeroeid. Het verdwijnen van bossen heeft hierin een grote rol gespeeld. In Noord-oost Frankrijk, de Ardennen en de Eifel overleefde een kleine populatie, die zich de laatste vijftig jaar gelukkig weer aan het uitbreiden is. Dat deze ‘kleine Eifel-tijger’, zoals hij bij onze Duitse buren wordt genoemd, Nederland nu bereikt heeft, is dan ook niet onverwacht. Vier jaar geleden werd bij Vaals al een dode wilde kat gevonden, maar nu is voor het eerst vastgesteld dat er echt levende wilde katten rondlopen in het Heuvelland.
Zoals zijn wetenschappelijke naam al aangeeft is de wilde kat een soort van het bos. Voor het vangen van muizen, zijn voornaamste voedsel, gaat hij ook wel het bos uit en het grasland op. Het bos biedt de wilde kat behalve voedsel ook schuilplaatsen, zoals omgevallen en holle bomen, dassenburchten en, in het Heuvelland, wellicht ook de mergelgroeven. Rijk gestructureerd bos is voor deze kat van levensbelang. De kwaliteit van de Limburgse bossen wordt steeds beter, en de komst van de wilde kat onderstreept het succes van het moderne, op natuurlijkheid gerichte bosbeheer.
Voor de wilde kat is de Europese en Nederlandse ecologische hoofdstructuur van eminent belang als leefgebied. Maar voor verdere uitbreiding moeten de verbindingen tussen de Limburgse bossen onderling, en de verbindingen naar natuurgebieden in het buitenland verder verbeterd worden. Het Zuid-Limburgse Heuvelland vormt door de ligging en de bijzondere leefgebieden een kerngebied voor veel bijzondere en bedreigde diersoorten. Deze kwaliteit wordt door de komst van de wilde kat nog eens benadrukt. Natuurbeheerders kunnen vanaf nu rekening houden met de aanwezigheid en de behoeften van deze nieuwe soort voor Nederland.
Informatie: www.limburg.nl/Bron: Provincie Limburg

11 JANUARI 2007
REGENVAL BEïNVLOEDT HAZENPOPULATIE
Als er in de duinen van Schiermonnikoog veel regen valt en overstromingen voorkomen, slinkt de populatie hazen. Van temperatuurschommelingen hebben de dieren geen last. Dat blijkt uit onderzoek van Wageningen Universiteit.
Ecologen van Wageningen Universiteit telden tussen 1995 en 2003 het aantal hazen in het oostelijke deel van Schiermonnikoog. Ze publiceerden hun resultaten in het decembernummer van het wetenschappelijke tijdschrift Lutra van de zoogdiervereniging VZZ.
Hazen doen het goed op het dunbevolkte waddeneiland, dankzij het ontbreken van natuurlijke vijanden. Het aantal hazen in het zeshonderd hectare grote gebied schommelde gedurende de onderzoeksperiode tussen de 320 en 596.
De sterke fluctuatie van de hazenpopulatie wordt volgens de onderzoekers mede veroorzaakt door het weer. Vooral regenval heeft een negatieve invloed. Dat geldt zowel voor een hoge gemiddelde regenval per jaar als voor korte periodes met heftige regenval. Overstromingen bij een waterpeil van twee meter boven NAP zorgden eveneens voor een lagere hazenpopulatie. De weersinvloeden hebben meer invloed op het aantal hazen op het eiland dan bijvoorbeeld de beschikbaarheid van voedsel.
Informatie: www.vzz.nl/lutra/lutra.htmZie ook: Resource OnlineBron: Resource 11 januari 2007

10 JANUARI 2007
KADERRICHTLIJN WATER VERDIENT ZICHZELF TERUG
Overheden, bedrijven en bewoners zullen de investeringen die nodig zijn voor de Europese Kaderrichtlijn Water binnen afzienbare tijd kunnen terugverdienen door bijvoorbeeld stijgende werkgelegenheid, aantrekkelijke recreatiegebieden, stijgende omzetten en hoge huizenprijzen. Dat berekende onderzoeker Tom Bade van bureau Triple E in opdracht van Natuurmonumenten. Het onderzoeksrapport ‘Geld als water’ kwam half december uit.
In 2015 moet Nederland allerlei maatregelen hebben genomen om de kwaliteit van het oppervlaktewater te verbeteren, zodat we voldoen aan de eisen die de Europese Kaderrichtlijn Water stelt. Hoeveel dat Nederland gaat kosten, is nog onduidelijk, maar het gaat in ieder geval om miljarden. In 2006 schatte het ministerie van Verkeer en Waterstaat de kosten op een bedrag tussen vier en acht miljard euro, maar de Nederlandse Vereniging van Gemeenten berekende dat alleen het afkoppelen van het regenwater van verharde oppervlakten al twintig miljard gaat kosten. Ook binnen gebieden lopen de schattingen uiteen; bij de Vechtplassen kunnen de maatregelen tussen de 12 en 112 miljoen euro gaan kosten.
Volgens Natuurmonumenten krijgt Nederland met een kwalitatief goed oppervlaktewater ook een economische impuls. De vereniging gaf onderzoeker Tom Bade van het bureau Triple E opdracht om dat uit te zoeken voor het gebied rond de Vechtplassen en het Volkerak-Zoommeer. Bij de Vechtplassen zullen bedrijven en bewoners de investeringen binnen een jaar terugverdienen, bij het Volkerak-Zoommeer binnen drie tot vijf jaar. Overheden zullen de investeringen bij de Vechtplassen tussen een en negen jaar terugverdienen, bij het Volkerak-Zoommeer tussen de 20 en 35 jaar.
Het onderzoek laat zien dat de investeringen voor de kaderrichtlijn ook iets opbrengen. Bij de Vechtplassen bijvoorbeeld kunnen huizeneigenaren rekenen op een stijging van de huizenprijzen van wel vijftien procent, ondernemers kunnen rekenen op extra omzet à vijf miljoen, en de overheden incasseren zo'n elf miljoen euro extra aan belasting door bijvoorbeeld gestegen huizenprijzen en extra omzetten.
Informatie: www.natuurmonumenten.nl/nieuws/actualiteit/~rapport_geld_als_water_nu_gratis_te_downloaden.htm, www.natuurmonumenten.nl/nieuws/actualiteit/~overheden_moeten_naar_kosten__n_baten_natuur_kijken.htmBron: Natuurmonumenten
8 JANUARI 2007
LUCHT BEVAT GROTE DIVERSITEIT AAN BACTERIëN
Onderzoek in twee Amerikaanse steden laat zien dat de atmosfeer bijna evenveel bacteriesoorten kan bevatten als de bodem. Dit is een nieuw inzicht dat mogelijk van belang is voor onderzoek naar de stabiliteit van ecosystemen, voor de volksgezondheid, en landbouwproductiviteit.
De onderzoekers hielden zeventien weken lang in twee steden luchtdeeltjes in de gaten. Ze vonden minstens 1800 bacteriële soorten, waaronder ook families met pathologische leden. Tot nu toe werd aangenomen dat de extreme omstandigheden in de atmosfeer - zoals een laag vochtgehalte en hoge UV-straling - beperkende factoren zouden zijn voor het overleven van bacteriën. De onderzoekers toonden aan dat weersomstandigheden een grotere invloed hebben op de diversiteit, dan de locatie waar de data verzameld werden.
Er werd gebruikgemaakt van een methode die vrij nieuw is in aerobiologische studies. Normaal gesproken wordt een microbiële cultuur gekweekt in het laboratorium, maar in dit geval werden bacteriën direct geïdentificeerd aan de hand van verzameld DNA.
De onderzoekers publiceerden hun bevindingen in wetenschappelijk tijdschrift PNAS.
Informatie: www.pnas.orgBron: Boomblad
4 JANUARI 2007
STIKSTOF OORZAAK MOEIZAME ONTWIKKELING UITERWAARDENNATUUR
De hoge beschikbaarheid van stikstof ligt ten grondslag aan het beperkte succes van natuurontwikkeling in gerestaureerde uiterwaarden. Dat concludeert bioloog Martijn Antheunisse van de Universiteit Utrecht op basis van zijn promotieonderzoek.
Uit het onderzoek van Antheunisse blijkt dat de hoge beschikbaarheid van stikstof in de bodem van de uiterwaarden ervoor zorgt dat vegetaties gedomineerd worden door enkele algemene, en snelgroeiende soorten.
Het onderzoek van Antheunisse richtte zich met name op de invloed van stikstof op de ontwikkeling van soortenrijke, natte graslanden en zeggenmoerassen. Om doelsoorten meer kansen te geven beveelt Antheunisse aan de beschikbaarheid van stikstof in de bodem te verminderen. Vanwege de grote hoeveelheden is het echter niet altijd voldoende om te maaien en het maaisel af te voeren. Er zijn ingrijpende maatregelen nodig, zoals het verwijderen van de voedselrijke toplaag.
Informatie: 62.148.175.94/pona/bekijkpromotie.cfm?style=standaard&npromotieid=1540Bron: Universiteit Utrecht
2 JANUARI 2007
MINDER VERWILDERDE HALSBANDPARKIETEN
Het aantal verwilderde halsbandparkieten (Psittacula krameri) in Nederland is sinds 2004 afgenomen. Dat blijkt uit tellingen uit december 2006 van vrijwilligers van Araproject en Waarneming.nl.
De telling was een vervolg op de telling van SOVON Vogelonderzoek Nederland in 2004. Een vergelijking tussen de studies laat een landelijke daling zien van 5349 naar 4677 geschatte vogels. Locaal is alleen de populatie in Den Haag gedaald. Rotterdam, Amsterdam en Haarlem laten juist een stijging zien.
De onderzoekers Roelant Jonker en Wouter Teunissen hebben de indruk dat de explosieve groei van de jaren ’90 is afgeremd. De verspreiding naar andere gebieden binnen de Randstad lijkt wel door te zetten. Losse waarnemingen uit de rest van het land suggereren bovendien dat er nog steeds huisdieren ontsnappen of losgelaten worden.
Het onderzoek naar de halsbandparkieten verliep dit jaar niet zonder problemen. De traditionele slaapplaatsen van de parkieten, locaties waar ook de tellingen van 2004 plaatsvonden, bleken soms plotseling verlaten te zijn. Dit was bijvoorbeeld het geval in de Uithof in Den Haag, waar de slaapplaats vlak voor de telling verlaten werd. Dankzij een tip werd de groep parkieten teruggevonden in het centrum van de stad en in Rijswijk.
De voortellingen laten zien dat er meer vogels waren die elders sliepen dan waar ze verwacht werden. In Amsterdam werden bijvoorbeeld 725 méér exemplaren geteld dan bij de voortelling een week eerder. Wat de aanleiding is van deze plotselinge verplaatsingen is onzeker. Halsbandparkieten zijn over het algemeen sedentair, en maken in groten getale gebruik van gezamenlijke slaapplaatsen.
Behalve halsbandparkieten zijn ook andere verwilderde volièrevogels waargenomen. De vrijwilligers telden 68 monniksparkieten, 22 grote alexanderparkieten, 3 Senegalpapegaaien, en 2 geelvleugelara’s.
Informatie: www.waarneming.nl/result_parkiet.phpBron: Waarneming.nl
