De normen voor bodemvervuiling met metalen moeten snel worden aangepast. Dat toont Marlies van der Welle aan met haar promotieonderzoek aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Want hoe giftig de metalen zijn, heeft niet simpelweg te maken met de concentratie waarin de metalen in de bodem aanwezig zijn. Ook de waterstand, de zuurgraad en het verzuringsrisico bij verdroging spelen een rol, en moeten in saneringsbeslissingen worden meegenomen.
In het natuurgebied Beeselsbroek in Limburg zit niet veel metaal in de grond. Maar net over de grens, bij het Belgische Kelmis, stikt het ervan. Op grond van de huidige normen geldt: fijn voor de Limburgers, pech voor de Belgen, want die moeten nodig saneren. Nee, zegt Van der Welle. Het is andersom. De bodem in Beeselsbroek kan makkelijk verzuren waardoor dat beetje metaal in de bodem vrij kan komen en giftig worden, terwijl in Kelmis, met een nauwelijks verzuurde bodem, de grote metaalvervuiling helemaal niet gevaarlijk is.
Metalen in de bodem zijn pas gevaarlijk als ze opgenomen kunnen worden door planten en bodemorganismen. Daarvoor moeten ze opgelost zijn. Het lijkt dan ook voor de hand te liggen dat de beschikbaarheid van metalen in droge bodems lager is dan in natte. Toch kun je dat niet zo grof stellen, zegt Marlies van der Welle. Want verdroging zorgt in sommige bodems voor sterke verzuring, doordat er zwavelzuur en ijzerhydroxide (roest) gevormd wordt .En hoe zuurder de bodem, hoe meer metalen in oplossing gaan. Voor beheerders is het de kunst om een optimum te vinden tussen droog en nat. Ook kan de beschikbaarheid van metalen in wetlands ingeschat worden door het verzuringsrisico te meten. Planten geven via hun wortels zuurstof af en zorgen zo voor een zeer lokale ‘verdroging’.
‘Waar we in elk geval van afmoeten is het nemen van kostbare saneringsbeslissingen op basis van totaalconcentraties metaal. In experimenten hebben we geprobeerd een bodemmonster uit de Ronde Venen bij Utrecht in het lab te vergiftigen met cadmium. 99 procent werd direct aan de bodem gebonden. Het is er wel, maar het is nauwelijks of niet beschikbaar.’
Van der Welle onderzocht ook naar de rol van ijzer in de bodem. IJzer in de bodem voorkomt dat fosfaat en sulfide mobiliseren. Er wordt geëxperimenteerd met het toedienen van extra ijzer, om fosfaat te binden, omdat door de verdroging op steeds minder plaatsen ijzerrijk kwelwater naar boven komt. IJzer toedienen werkt vaak goed, maar Van der Welle wijst in haar proefschrift ook op de risico’s. ‘IJzer blijkt in veel lagere concentraties giftig voor planten dan we altijd dachten. Er zijn ook grote verschillen tussen planten in de hoeveelheid ijzer die ze kunnen verdragen. Daardoor kunnen onder invloed van ijzertoediening de verhoudingen tussen planten veranderen. Sommige tolerante soorten kunnen andere gaan overwoekeren. De twee natuurlijke gifstoffen sulfide en ijzer blijken elkaar in het middengebied juist te ontgiften, doordat ze elkaar binden.’
Het beheersadvies is simpel “Als je ijzer wilt toevoegen, doe dat dan stapsgewijs. Er is een duidelijk optimum, waarbij er voldoende ijzer aanwezig is om het fosfaat en het giftige sulfide te binden en er voldoende ijzer over is voor de processen in de plant. Meer ijzer kan nadelig zijn.’
Informatie: www.ru.nl/wetenschapsagenda/editie_09_-_20_12_06/nieuws/vm/overheid_moet_regels/Bron: Radboud Universiteit Nijmegen