nieuws
30 NOVEMBER 2006
KABINET WIL JACHTVERBOD NATUURGEBIEDEN OPHEFFEN
Het kabinet wil het jachtverbod in natuurgebieden opheffen. Of en onder welke voorwaarde de jacht in natuurgebieden kan worden uitgeoefend, wordt per afzonderlijk gebied bepaald. Deze wijziging van de Flora- en Faunawet vloeit voort uit een motie van Tweede-Kamerlid Schreijer-Pierik uit 2002.
Het kabinet vindt een categorisch jachtverbod in natuurgebieden niet nodig. Of jacht is toegestaan hangt voortaan af van de specifieke kenmerken van het betrokken gebied en de redenen waarom het gebied beschermd wordt. Deze afweging zal plaatsvinden binnen de Natuurbeschermingwet 1998.Uitgangspunt is nu dat voor deze gebieden de jacht gereguleerd wordt in de beheerplannen.
De wetswijziging is nog een ontwerpbesluit en wordt voor advies aan de Raad van State gezonden. De tekst van het ontwerpbesluit en het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.
Informatie: www.minlnv.nlBron: RVD
29 NOVEMBER 2006
foto: J. Verde
MINDER KANOETEN DOOR SCHELPDIERVISSERIJ
De schelpdiervisserij is de oorzaak van het afgenomen aantal kanoeten in de Waddenzee. Dit concluderen onderzoekers van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) en de Rijksuniversiteit Groningen na een vergelijking van beviste en niet-beviste wadplaten, die dienen als foerageergebied voor kanoeten.
Volgens de onderzoekers heeft een verminderde kwaliteit van de kokkels en de afname van het aantal kokkels tot een daling van het aantal kanoeten in de Waddenzee geleid. Deze lokale afname kan op zijn beurt de achteruitgang van de gehele Europese populatie verklaren.
Kanoeten zijn voor hun voedsel afhankelijk van kokkels, maar door de schelpdiervisserij wordt hun foerageergebied steeds kleiner. Zo is het wadoppervlak dat geschikt is als foerageergebied voor deze trekvogels tussen 1988 en 2002 afgenomen van 34 procent naar 13 procent.
De onderzoekers schrijven deze afname toe aan de schelpdiervisserij, die in die periode nog driekwart van de Wadplaten exploiteerde. Alleen in onbeviste gebieden behield het wadoppervlak dat als foerageergebied voldoet dezelfde omvang.
Ook nam in beviste gebieden de voedselkwaliteit van kleine kokkels per jaar met 11,3 procent af, terwijl de dichtheid stabiel bleef. De voedselkwaliteit gaat achteruit omdat de schelpdiervisserij de bodem omwoelt en organismen wegneemt, waardoor de kokkels zich moeilijker kunnen voeden. In ongestoorde gebieden bleef de kwaliteit van kokkels stabiel en nam de dichtheid van kleine kokkels met 2,6 procent toe.
Minder voedzame kokkels kunnen uiteindelijk funest zijn voor kanoeten. De vogels kunnen zich via een vergrote spiermaag weliswaar aanpassen aan een verminderde voedselkwaliteit, maar als tegelijkertijd de dichtheid afneemt lukt dat niet. Uit het onderzoek blijkt dat vooral vogels met een kleine maag het loodje leggen.
Mechanische kokkelvisserij met schepen is vanwege milieuschade voor het Waddengebied sinds 2005 verboden, maar handkokkelvisserij wordt aangemoedigd door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Volgens de onderzoekers zouden de diverse vormen van bodemvisserij opnieuw tegen het licht gehouden moeten worden.
Informatie: www.nioz.orgBron: NIOZZie ook: rapport

28 NOVEMBER 2006
NATIONALE LANDSCHAPPEN KOMEN JAARLIJKS 247 MILJOEN TE KORT
Het budget voor landschapsbehoud is ontoereikend, schrijven het Nationaal Groenfonds en het Nationaal Restauratiefonds in het rapport ‘Investeren in landschap’. Zo wordt het tekort voor behoud en ontwikkeling van Nationale Landschappen geraamd op 247 miljoen euro per jaar. Ook voldoen de Nota Ruimte, de Agenda Vitaal Platteland en de Nationale Landschappen niet voor het behoud van het Nederlandse landschap. Er is juridische tegenstrijd en er wordt teveel gebouwd.
Verschillende juridische sturingsconcepten belemmeren een eenduidige bescherming van landschappen. Zo wijst het Rijk in het kader van de Monumentenwet beschermde stads- en dorpsgezichten aan. Maar ook de Natuurbeschermingswet geeft provincies de bevoegdheid beschermde landschappen aan te wijzen. Vervolgens zijn gemeenten volgens beide wetten verplicht het beschermde gezicht in een bestemmingsplan op te nemen.
Het rapport geeft als aanbeveling dat Provincies de te beschermen landschappen gaan aanwijzen op basis van een aangepaste Natuurbeschermingswet, zodat er voor gemeenten geen tegenstrijdigheden meer kunnen ontstaan met de Monumentenwet.
Ook wordt er volgens de rapportsamenstellers teveel woningbouw en bedrijvigheid toegestaan in waardevolle landschappen. Het uitgangspunt is nu dat rode investeringen alleen bestemd zijn om de eigen bevolkingsgroei te handhaven (‘migratiesaldo nul’), maar het zou beter zijn als provincies regionaal, en met het landschap als uitgangspunt, afwegen waar bebouwing is toegestaan en waar niet.
Ten slotte is er geen vastomlijnd investeringsprogramma met een heldere uitvoeringsstrategie, met concrete en meetbare doelstellingen en een helder tijdspad. Niet alleen het beschikbare budget, maar juist de inhoudelijke kwaliteit van de programma’s zou voor de besluitvorming leidend moeten zijn. Dit streven ten spijt is nu al duidelijk dat er te weinig geld is. Volgens het rapport bedraagt het tekort voor behoud en ontwikkeling van de Nationale Landschappen 247 miljoen euro per jaar.
Informatie: www.groenfonds.nlBron: GroenfondsZie ook: rapport
24 NOVEMBER 2006
PLATTELAND IS VOOR DE BOEREN
Boeren moeten ruim baan krijgen om het platteland in Nederland te bewerken. Dat vindt een grote meerderheid van de Nederlanders, zo blijkt uit een onderzoek dat vorige week werd gepresenteerd tijdens het reconstructiefestival in het Gelderse Voorthuizen.
Volgens de respondenten is er nog genoeg ruimte voor bijvoorbeeld intensieve veehouderij. Ze vinden dat er al genoeg ruimte voor recreatie is. Meer recreatieve routes en kleine horecavoorzieningen zijn wel gewenst, maar campings zijn er volgens 84 procent van de respondenten wel genoeg.
Eveneens driekwart van de Nederlanders vindt het platteland mooi zoals het is. Rust en natuur zijn het belangrijkste en de overheid zou boeren die meehelpen de natuur in stand te houden beter moeten belonen. Maar negen op de tien mensen willen niet dat het platteland verandert in aangelegde natuur, zoals in een landschapspark.
Het onderzoek laat verder zien dat Brabanders en Limburgers het meest betrokken zijn bij het platteland. In stedelijke gebieden is de betrokkenheid minder. In alle reconstructieprovincies is het vertrouwen in de rijksoverheid zeer matig, al speelt het provinciaal bestuur wel een belangrijke rol.
Het onderzoek is door Interview NSS uitgevoerd in opdracht van de Unie van Waterschappen en de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht, Brabant en Limburg. Deze provincies zijn allen betrokken bij de zogenoemde reconstructie, de herinrichting van landbouwgebieden op zandgronden. Doel van deze reconstructie is het inrichten van vitaal en duurzaam platteland waar iedereen kan wonen en werken.
Informatie: www.ruimtelijkeontwikkeling.nuBron: ruimtelijke ontwikkeling.nu
23 NOVEMBER 2006
RIJK STIMULEERT KWALITEIT LANDSCHAP
Het kabinet roept de Tweede Kamer op om gezamenlijk met provincies, gemeenten, beheerders en ondernemers voor kwalitatief goede ontwikkelingen op het platteland te zorgen. Dat staat in een brief van het kabinet aan de Tweede Kamer over de recente ontwikkelingen in het landschap.
In de brief deelt het kabinet de zorgen over de ontwikkelingen op het platteland. De aanleiding hiervoor vormen de rapporten van onder andere het Ruimtelijk Planbureau over bebouwing langs de snelwegen en de Natuurbalans van het Milieu- en Natuurplanbureau.
Een eerste stap in de kwaliteitverbetering van het landschap is de benoeming van Dirk Sijmons, tevens directeur van H+N+S Landschapsarchitecten, als 'Rijksadviseur voor het landschap'. Daarnaast is het rijksgeld voor de inrichting van het platteland (3,2 miljard euro) gebundeld, en wordt het vanaf volgend jaar overgedragen aan de provincies. Deze overdracht is vastgelegd in de Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland.
Ter ondersteuning van deze nieuwe taak heeft het Rijk de Handreiking Kwaliteit Landschap gemaakt. Hierin staat hoe de provincie landschapskwaliteit kan stimuleren bij gemeenteontwerpen, en wie er allemaal kan bijdragen aan de financiering van projecten. De provincies staan er echter niet helemaal alleen voor. De twintig Nederlandse gebieden die als Nationaal Landschap zijn aangewezen, krijgen extra rijksaandacht en financiering.
Informatie: www.minlnv.nlBron: RVD

22 NOVEMBER 2006
NATURA 2000 ONVOLDOENDE GECOMMUNICEERD EN GEORGANISEERD
De invoering van Natura 2000 is in Nederland op de goede weg, maar het ontbreekt nog ernstig aan een goede communicatie met maatschappelijke organisaties en publiek. Ook de financiering en de organisatie van de realisatie schieten tekort. Dat blijkt uit een evaluatie van de implementatie van het Natura 2000-netwerk in 25 EU-landen, uitgevoerd door het Wereld Natuur Fonds. Nederland en Duitsland lopen voorop bij de implementatie, Griekenland en Cyprus sluiten de rij.
Het onderzoeksrapport 'Natura 2000 in Europe. An NGO assessment', dat op 16 november 2006 is uitgebracht door het WWF, doet verslag van een evaluatie van de implementatie onder NGO’s op het gebied van natuur en milieu in heel Europa.
Over het algemeen blijkt dat er in heel Europa belangrijke stappen genomen worden, vooral bij het invoeren van de wetgeving die nodig is om het biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen. Een zesde van het EU-grondgebied is al vastgesteld als Nutara 2000-gebied, wat neerkomst op een areaal zo groot als Duitsland. Wel is er nog onvoldoende financiering en is het beleid en de uitvoering onvoldoende georganiseerd. Ook de communicatie laat ernstig te wensen over. Slecht in ruim dertig procent van de gevallen geven de NGO’s aan dat de financiering voldoende is. Datzelfde percentage geldt ook voor het aantal NGO’s dat positief oordeelt over de communicatie.
Informatie: www.panda.org/epoBron: WWFZie ook: rapport
21 NOVEMBER 2006
RUND KAN DUINKONIJN VERVANGEN
In de Nederlandse duinen grazen bijna geen konijnen meer. Gelukkig kunnen runderen net zo goed zorgen dat de soortenrijke vegetatie niet wordt overgroeid. Als er dan ook nog wordt gemaaid en geplagd ligt er zelfs een rooskleurige toekomst voor de biodiversiteit in duinvalleien.
Sinds het aantal konijnen in de duinen dramatisch is gedaald zetten natuurbeheerders runderen in om het duingebied te begrazen. Onderzoekers van Alterra, Adviesbureau voor Bryologie en Lichenologie en Rijksuniversiteit Groningen volgden 33 jaar op verschillende percelen op Vlieland de ontwikkeling van de vegetatie in duinvalleien. Natuurbeheerders willen voorkomen dat de soortenrijke natte duinvalleien uitgroeien tot soortenarm struweel. Door het gebied extensief door runderen te laten begrazen lukt dat goed, merkten de onderzoekers.
Naast het inzetten van runderen bevelen de onderzoekers aan om op gezette tijden te maaien op de vlakkere delen van duinvalleien. Verder zijn veel plantensoorten in duinvalleien pioniers, en daarvoor zijn meer drastische maatregelen nodig, zoals het plaggen van de duinbodem. Deze combinatie van beheer wordt al in Vlieland toegepast, en belooft volgens de onderzoekers een rooskleurige toekomst voor de soortenrijke duinvalleien.
Informatie: www.resource-online.nlBron: Resource 11, 16 november 2006
20 NOVEMBER 2006
foto: WNF
KLIMAATVERANDERING LAAT VOGELS UITSTERVEN
Als de temperatuur meer dan twee graden Celsius warmer wordt ten opzichte van de gemiddelde temperatuur voor de industriële revolutie, dreigt 38 procent van de Europese vogels uit te sterven. Dit schrijft het WNF in een rapportage over de invloed van de klimaatverandering op vogels.
Voor het noordoosten van Australië is het toekomstbeeld nog somberder: het uitstervingspercentage zou daar kunnen oplopen tot 72 procent. Bovendien is de temperatuur nu al 0,8 graden Celsius warmer dan voor de komst van de grote fabrieken.
De vogels sterven uit doordat het leefritme van de vogels niet langer overeenkomt met het ritme van hun leefgebied, als gevolg van de klimaatverandering. Een Europees voorbeeld hiervan is de bonte vliegenvanger. De trekvogel heeft zijn vliegschema niet aangepast op de steeds eerder verschijnende insecten. Dat betekent dat hij eigenlijk te laat terugkomt van de trek om genoeg voedsel te kunnen vinden. Daardoor is het aantal bonte vliegenvangers in sommige delen van Europa de laatste jaren met bijna negentig procent gedaald.
De klimaatverandering heeft vooral gevolgen voor vogels die zich minder makkelijk kunnen verplaatsen naar een nieuwe leefomgeving. Volgens het rapport is de kans groot dat naast sommige trekvogels ook zeevogels en vogels op eilanden, in bergen, in moerassen en in het Noord- en Zuidpoolgebied het moeilijk krijgen. Ze kunnen de concurrentie niet aan van uitheemse soorten die hun leefgebied binnendringen.
Informatie: www.panda.org/climate/birdsBron: WNF

17 NOVEMBER 2006
foto: Theo Tangelder
AKKERBLOEMEN GOED VOOR BIODIVERSITEIT
Bloemen zijn zeldzaam geworden op akkers. Maar voor het behoud van de biodiversiteit zou het goed zijn als er weer meer akkerbloemen tussen het graan verschijnen. Ook het landschap fleurt er van op, wat het imago van de landbouw kan verbeteren.
Eveline Stilma van Wageningen Universiteit doet promotieonderzoek naar de teelt van akkerbloemen en peulvruchten in akkers. Samen met het LEI berekende ze de kosten van het planten van akkerbloemen tussen gerst en rogge. Daaruit blijkt dat op zandgrond de combinatie van rogge, erwt en akkerbloemen evenveel inkomsten oplevert als teelt van gerst voor veevoer. De opbrengsten zijn weliswaar lager, maar de kosten ook.
Stilma rekende de kosten van het zaaizaad voor de bloemen niet mee, omdat ze ervan uitgaat dat de bloemen in de toekomst vanzelf weer op de akkers zullen verschijnen. Waar dat nog niet zo is zou een eenmalige subsidie uitkomst kunnen bieden.
Informatie: www.wageningenuniversiteit.nlBron: Resource 10, 9 november 2006

16 NOVEMBER 2006
WEIDEVOGELBEHEER HEEFT ZWAARDERE MAATREGELEN NODIG
Er zijn nieuwe, zwaardere pakketten van maatregelen nodig voor de bescherming van weidevogels, omdat de ecologische resultaten van de huidige maatregelen tegenvallen. Dit stelt het LEI op basis van onderzoek.
Agrariërs kunnen kiezen uit verschillende maatregelen uit de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN) voor de bescherming van weidevogels . Er zijn hierbij lichte en zware ‘weidevogelpakketten’. Elk pakket heeft z’n eigen voorschriftensamenstelling zoals het uitstellen van de eerste maaidatum, het niet maaien van bepaalde perceeldelen, of het onder water zetten van een deel van het grasland en het uitrijden van ruige mest om betere voedselomstandigheden te creëren.
Lichte weidevogelpakketten waarbij boeren voor 1 juni maaien zouden afgebouwd moeten worden omdat ze onvoldoende natuurresultaat opleveren. Bovendien worden deze maaimaatregelen ook al wettelijk voorgeschreven door de Europese Commissie waardoor de tegemoetkoming in feite overbodig is.
Als eerste stap heeft minister Veerman van LNV daarom recentelijk besloten geen nieuwe lichte weidevogelpakketten meer te verstrekken. Bestaande overeenkomsten mogen voortgezet worden tot de vastgestelde einddatum, maar er kan ook tussentijds overgestapt worden op zwaardere pakketten waarbij pas na 1 juni gemaaid mag worden. Daarnaast wordt er gewerkt aan nieuwe pakketten waarbij de nadruk ligt op samenwerking tussen beheerders van verschillende gebieden.
Informatie: www.lei.wur.nlBron: LEI, Agri-monitor, oktober 2006
15 NOVEMBER 2006
INVLOED GROEN OP GEZONDHEID INTERESSEERT ENKEL DE GROENE SECTOR
De vermeende relatie tussen natuur en gezondheid houdt tot nu toe voornamelijk wetenschappers en mensen uit de groene wereld bezig. Dit kwam naar voren tijdens het openingsseminar van het nieuwe expertisecentrum Gezondheid, landbouw en groen van Wageningen UR. Vanuit de gezondheidszorg is er nog weinig aandacht voor het onderwerp.
‘Het ministerie van VWS is de laatste die dit thema zal omarmen’, zei hoofd Medische milieukunde Fred Woudenberg van de GGD Amsterdam. Hij reageerde op de constatering van een medewerker van Staatsbosbeheer dat vooral de groensector zelf vol is van de relatie tussen groen en gezondheid. ‘De gezondheidszorg is heel traditioneel. Je moet echt met harde feiten komen om daar verandering in te brengen’, aldus Woudenberg.
Op het seminar presenteerden onderzoekers van Wageningen UR lopende onderzoeken naar de relatie tussen natuur en gezondheid en naar de effecten van werken op zorgboerderijen. Beide onderzoeksgebieden zijn vrij nieuw waardor harde gegevens nog nagenoeg ontbreken.
Sjerp de Vries van Alterra, een van de sprekers, doet onderzoek naar gezond groen onder de noemer Vitamine G. Hij concludeerde onlangs op basis van statistische gegevens dat kinderen uit groene wijken minder dik zijn. Eerder onderzoek wees uit dat uitzicht op groen stress kan verminderen. Maar veel bewijs voor een directe relatie is er nog niet, gaf De Vries toe. ‘Maar naast harde gegevens hebben we voorvechters nodig. Je ziet nu hoe Al Gore aandacht genereert voor klimaatverandering. Zo iemand hebben we ook nodig om het belang van groen voor de volksgezondheid op de kaart te zetten.’
Informatie: www.wur.nlBron: Resource 10, 9 november 2006
14 NOVEMBER 2006
foto: Wieland van Dijk
VERSPREIDING KWELDERPLANT HANGT AF VAN STORM
De zaden van kwelderplanten verspreiden zich honderd keer beter via storm dan via dieren. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Esther Chang aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Chang onderzocht hoe de zaadver-spreiding de samenstelling van de plantensoorten op kwelders be-ïnvloedt. Ze vergeleek daarvoor de zaden die op Schiermonnikoog door hazen en ganzen verspreid worden, met de zaden die door getijden verspreid worden. Daartoe analyseerde ze uitwerpselen en ving ze zaden op uit het water met matten.
Hieruit blijkt dat door kleine herbivoren honderd keer zo weinig zaden succesvol verspreid worden als de hoeveelheid zaden die verspreid wordt door getijden. Het merendeel van de zaden overleeft de gang door het spijsverteringskanaal niet.
Verder blijken in de uitwerpselen van hazen meer zaden van meerjarige kwelderplanten in hogere successiestadia te zitten dan in de uitwerpselen van ganzen. In de fecaliën van ganzen zitten voornamelijk zaden van eenjarige kwelderplanten uit vroege successiestadia.
Vooral tijdens stormen trof de onderzoekster de meeste en hoogste diversiteit aan zaden aan. Het ging dan voornamelijk om zaden van jonge plantengemeenschappen die lokaal verspreid werden. Verspreiding over langere afstand kwam alleen voor bij plantengemeenschappen die regelmatig onder water staan.
De promovenda onderzocht daarnaast welke factoren ervoor zorgen dat zaden blijven liggen op plaatsen die voor hun groei geschikt zijn. Ze keek daarbij onder andere naar het drijfvermogen, de vochttoestand en de hydrodynamiek. De vochttoestand blijkt erg belangrijk te zijn voor het vasthouden van zaden. Voor droge zaden was het drijfvermogen de belangrijkste factor. Wanneer de zaden nat waren bepaalde de intensiteit van de golfslag of ze al dan niet op een plek beven liggen.
Informatie: www.rug.nlBron: Rijksuniversiteit GroningenZie ook: rapport

13 NOVEMBER 2006
NEDERLAND SLECHT VOORBEREID OP OVERSTROMINGEN
Nederland is op de lange termijn onvoldoende voorbereid op overstromingen, stelt de Adviescommissie Water in een alarmerend advies dat de commissie onlangs aanbood aan minister Karla Peijs van Verkeer en Waterstaat. Klimaatdeskundige Pavel Kabat is verontrust over de reactie van de minister.
Klimaatdeskundige Pavel Kabat van Wageningen Universiteit verbaasde zich over de reactie van minister Peijs. Kabat: ‘Ze zei: we zijn bezig en we doen meer dan genoeg. Zoals zo vaak reageren beleidsmakers defensief. Maar ten eerste lopen we achter, zelfs op de doelen van Waterbeheer 21e eeuw. We lopen achter met investeringen, en we kijken niet verder dan 2015. En ten tweede is het beleid niet visionair genoeg. We houden vast aan de normen van gemiddelde klimaatscenario's.’
Dit betekent niet dat er helemaal niets gebeurt. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat is bezig met het versterken van dijken en zwakke plekken in de kustverdediging. Ook worden overstromingsrisico's gecheckt en doorgerekend. Bij Lent bijvoorbeeld bleek de kans op een overstroming niet één op de twee- tot drieduizend jaar maar één op de tachtig tot honderd. Kabat vindt echter dat naast het nemen van defensieve maatregelen ook nagedacht moet worden over andere mogelijkheden. Hij pleit voor een integrale aanpak van de veiligheid, waarbij water met andere functies gecombineerd wordt en waarbij niet alleen dijken verhoogd worden.
Ook zouden burgers meer bij de veiligheid betrokken moeten worden. ‘De burger heeft het idee dat er voor hem gezorgd wordt’, aldus Kabat. ‘De overheid doet het wel, is de gedachte’. Burgers zouden meer verantwoordelijkheid moeten nemen. ‘De overheid moet daarom open kaart spelen over de mogelijke risico's, en dat beter communiceren. Waterschappen informeren burgers bijvoorbeeld heel slecht. Geen enkel waterschap geeft informatie over evacuatieplannen, terwijl in Japan en Frankrijk regelmatig folders met evacuatieplannen in de bus vallen’.
Informatie: www.adviescommissiewater.nlBron: Resource 10, 9 november 2006
10 NOVEMBER 2006
ECOLOGISCHE COMPETITIEMODELLEN ONVOLDOENDE ONDERBOUWD
Ecologen begrijpen nog erg weinig van competitie bij voedselzoekende dieren. Dit concludeert Wouter Vahl op basis van zijn promotieonderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn bevindingen kunnen grote gevolgen hebben voor veelgebruikte verspreidingsmodellen.
Vahl onderzocht de competitie bij wadvogels. Op basis van zijn onderzoeksresultaten concludeert hij dat de verspreidingsmodellen van vogels op wadplaten en de voorspellingen die daarop gebaseerd zijn onvoldoende onderbouwd zijn. Vahl: ‘Kwantitatieve uitspraken in milieueffectrapportages worden te serieus genomen. Bijvoorbeeld het aantal vogels dat zou verdwijnen als er ergens een haven wordt aangelegd. Die getallen moet je met een flinke korrel zout nemen omdat de modellen op uiterst gebrekkige kennis gebaseerd zijn.’
Vahl bestudeerde vooral de mechanismen van competitie bij voedselzoekende kanoeten en steenlopers, en richtte zich daarbij op de interferentiecompetitie. ‘Dat wil zeggen: competitie waarbij nadelige effecten het gevolg zijn van interacties tussen individuen. Sommige dieren vechten bijvoorbeeld veel om voedsel. Dit kan nadelig zijn, omdat dit een boel tijd en energie kost’, aldus Vahl.
Voor het onderzoek gebruikte hij een zogenoemd ‘kunstwad’ met kunstmatige getijden van onderzoeksinstituut NIOZ op Texel. Dit had als voordeel dat de omstandigheden regelbaar en controleerbaar waren. De promovendus bood op verschillende manieren voedsel aan en keek vervolgens nauwkeurig hoe de vogels reageerden. De resultaten waren verrassend: de vogels bleken geen voedsel van elkaar te stelen - waar ecologen traditiegetrouw van uitgaan - maar vochten wél om voedselplekjes.
Informatie: www.rug.nlBron: Rijksuniversiteit GroningenZie ook: rapport
8 NOVEMBER 2006
EERSTE HUISSPITSMUIS OP TEXEL
Zoogdiervereniging VZZ heeft eind oktober een huisspitsmuis (Crocidura russula) gevangen op Texel. Tot op heden was het voorkomen van deze soort niet bekend op het eiland.
De huisspitsmuis werd aangetroffen in een van de vangkooien die eigenlijk bedoeld waren voor een onderzoek naar het voorkomen van de noordse woelmuis.
Met de huisspitsmuis is de vierde kleine zoogdiersoort op Texel geïntroduceerd sinds 1950. In 1956 bereikte de dwergmuis het eiland in een lading stro uit Frankrijk, in 1985 werd voor het eerst een aardmuis waargenomen, in 1998 dook de rosse woelmuis op en dit jaar werd de huisspitsmuis aangetroffen.
De vondst van een algemene soort als de huisspitsmuis op Texel is bijzonder; algemene soorten van het vasteland ontbreken vaak in de afwijkende zoogdierfauna van de Waddeneilanden. Daardoor is er voor bijzondere soorten als de noordse woelmuis meer plek. Deze soort komt op Texel ook voor in relatief droge biotopen terwijl hij daar op het vaste land verjaagd zou worden door de aardmuis en de veldmuis.
Dit betekent echter wel dat introductie van eilandvreemde soorten niet zonder risico is. De nieuwe soorten kunnen immers een concurrent worden van de bijzondere soorten. Zo verwacht de VZZ dat de huisspitsmuis op Texel in drogere biotopen een concurrent gaat vormen voor de waterspitsmuis. Volgens de zoogdierverenging zouden er daarom richtlijnen opgesteld moeten worden om de kansen op onbedoelde introductie van de veldmuis op Texel zoveel mogelijk te minimaliseren.
Informatie: www.vzz.nlBron: Zoogdiervereniging VZZ

6 NOVEMBER 2006
NATUURLIJKE KLIMAATBUFFERS HOUDEN NEDERLAND DROOG
Geef water de ruimte en Nederland houdt droge voeten. Dit is een van de aanbevelingen die zes grote natuurorganisaties doen in het rapport Natuurlijke klimaatbuffers en waarmee ze aandacht vragen voor de gevaren van de zeespiegelstijging.
Ark, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Vogelbescherming, Landschappen en de Waddenvereniging introduceren daartoe het begrip Natuurlijke klimaatbuffers. Dit zijn robuuste internationale gebieden waar de natuur zijn gang kan gaan en die in tijden van overvloed het water opzuigen. In droge perioden kan dit water weer benut worden.
Volgens de natuurorganisaties zijn klimaatbuffers een duurzamer oplossing dan het verhogen en versterken van dijken. ‘Nederland moet gaan denken in kustzones in plaats van een kustlijn. Bovendien zijn klimaatbuffers goed voor behoud en verbetering van de biodiversiteit’, aldus de samenstellers van het rapport.
De organisaties hopen met het rapport klimaatbuffers hoger op de politieke agenda te krijgen. Daartoe zijn ze ook begonnen met een aantal voorbeeldprojecten, onder andere in het Waddengebied, bij de Hondsbosche Zeewering; in de Wieden en de Ooypolder; bij de Zuiderklip in de Biesbosch, in het Weerterbos; in het stroomgebied van de Dviete in Letland; in de Oursi wetlands in Burkina Faso en in de Byagos Archipel in Guinnee Bissau.
Informatie: www.vogelbescherming.nlBron: Vogelbescherming NederlandZie ook: rapport
3 NOVEMBER 2006
foto: Vereniging Stamboek het Kempische Heideschaap
HEIDESCHAAP MAAKT HEIDE DIVERS
Er is een trend in het natuurbeheer om meer gebruik te maken van oude landbouwmethoden. En dat past bij de visie Boeren voor Natuur van Alterra en het LEI, bleek tijdens een congres over het Kempische heideschaap op vrijdag 20 oktober. De inzet van het schaap zorgt er bovendien voor dat de heide meer divers wordt.
De heidevelden in de Kempen zijn ontstaan als gevolg van ‘landbouwkundig beheer’. 'Het Kempische heideschaap hoort bij de biodiversiteit van de heide, net als het gentiaanblauwtje en het korhoen', zei voorzitter Loek Hilgers van de vereniging Stamboek Het Kempische Heideschaap dan ook, tijdens het symposium over het oude schapenras. 'De podzolbodem die zo kenmerkend is voor de heide, is ontstaan na duizenden jaren beheer.'
Nu zet Staatsbosbeheer in de Brabantse Kempen de herder met zijn schapenkuddes in om de natuur te beheren. Het gebruik van oude landbouwmethoden, die meer gericht zijn op een integraal en gemengd bedrijf en daarmee op een combinatie van natuurbeheer en landbouw, past volgens Raymond Schrijver van het LEI bij de visie Boeren voor Natuur, waarmee het LEI en Alterra boeren willen stimuleren landbouw met natuurbeheer te combineren.
En er blijken meer overeenkomsten. Ecoloog Jan Jansen liet zien dat heideboeren in het Portugese Serra da Estrella net als bij Boeren voor Natuur een gesloten mineralenbalans hadden. Het areaal aan akkers (tien procent van het totaal) werd bemest met materiaal uit het overige areaal met heidevelden, waarop ook de schapen graasden.
De omslag in het natuurbeheer van perceelsbeheer naar slimme bedrijfssystemen zorgt ervoor dat de heide diverser wordt. In Portugal groeien op droge graslanden allerlei soorten die in Nederland bedreigd zijn, maar ook op de Kempische heidevelden blijken kleine roggeakkertjes en begrazing met Kempische heideschapen te zorgen voor een grotere biodiversiteit.
Het is nog wel zoeken naar een economische basis voor zulk beheer. Schrijver zoekt het in een combinatie van inkomsten uit natuurbeheer, de verkoop van vlees en recreatie.
Informatie: www.alterra.wur.nlBron: Resource 9, 2 november 2006

2 NOVEMBER 2006
STUIFZAND GOED VOOR KORSTMOSSEN
Instuif van zand is een cruciale factor voor het herstel van korstmosrijke kustduin- en stuifzandvegetaties. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Rita Ketner-Oostra aan Wageningen Universiteit.
Voedselarme duinbodems worden sinds 1970 sterk beïnvloed door stikstofdepositie van vooral ammoniak. Grote delen van de duinen en stuifzanden zijn daardoor vergrast en vermost. Uit het onderzoek van Ketner blijkt dat branden en plaggen niet genoeg zijn om de successie in duinen en stuifzanden tegen te gaan. Zolang de stikstofdepositie de kritische waarde voor duinvegetatie overstijgt blijft grootschalig verstuivingsbeheer nodig, in combinatie met begrazing, concludeert Ketner.
Ketner evalueert in haar proefschrift het klein- en grootschalig beheer dat tot doel had de dynamiek in de vergraste duinen en stuifzanden te vergroten, waaronder effectgerichte maatregelen tegen verzuring en vermesting. Op Terschelling en het Kootwijkerzand vergeleek ze daartoe de vegetatie van vóór 1970 met die van na 1990.
Naast stikstofdepositie wordt de achteruitgang van korstmossen mede veroorzaakt door de invasie van een mos uit het zuidelijk halfrond, het grijs kronkelsteeltje (
Campylopus introflexus). Dit mos overwoekert verzuurde duinzanden en produceert veel humus waardoor de successie versneld wordt. Wanneer dit mos echter overstuifd wordt, keren de natuurlijke pioniersoorten weer terug.
Informatie: library.wur.nl/way//Bron: Wageningen URZie ook: rapport
1 NOVEMBER 2006
EERSTE WEGEN UITGERUST MET ELECTRONISCHE WILDWAARSCHUWING
Onlangs zijn de eerste elektronische wildwaarschuwings-systemen van Nederland in gebruik genomen, langs twee wegen in het Weerterbos. De apparaten signaleren dieren langs de weg en laten waarschuwingsborden knipperen. Dat moet de veiligheid van weggebruikers en reeën vergroten.
De waarschuwingssystemen bevinden zich aan beide zijden van de Koenraadtweg in Maarheeze en de Booldersdijk in Nederweert over een afstand van één tot anderhalve kilometer. Het systeem werkt via zenders die parallel aan de weg infrarood licht uitzenden. Als een ree de stralen passeert, beginnen waarschuwingsborden te knipperen. Deze adviseren weggebruikers een snelheid van vijftig kilometer per uur aan te houden. Bestuurders merken een passerend dier zo eerder op en kunnen tijdig afremmen.
Een proef bij ’t Harde op de Veluwe toonde aan dat dit systeem het aantal wildaanrijdingen aanzienlijk verlaagt. Sinds de plaatsing, zo’n drie jaar geleden, heeft hier geen aanrijding met groot wild meer plaatsgevonden.
Het waarschuwingssysteem is nu toegespitst op reeën, maar in de toekomst kunnen ook edelherten profiteren van het systeem. De herten lopen nu nog in een omrasterd gebied, maar het is de bedoeling dat ze in de toekomst vrijgelaten worden.
ARK Natuurontwikkeling coördineerde de aanleg van de systemen. Voor de technische ondersteuning is de hulp ingeroepen van TRAFFIC 2000 en Aitec, een bedrijf gespecialiseerd in verkeersgeleidingen. De plaatsing is gefinancierd vanuit het Interreg III-project en het VSBfonds.
Informatie: www.ark.euBron: Ark Natuurontwikkeling
1 NOVEMBER 2006
BLOEDINGSZIEKTE TAST STEEDS MEER KASTANJES AAN
Het aantal zieke paardenkastanjebomen in Nederland neemt toe. Uit een inventarisatie van de werkgroep Aesculaap blijkt dat het aantal kastanjes met bloedingsziekte ten opzichte van vorig jaar met bijna een derde gestegen is.
Vorig jaar had 31 procent van de kastanjebomen last van bloe-dingsziekte; dit jaar blijkt 40 procent van de bomen ziekte-verschijnselen te hebben. Daarnaast blijkt dat de ziekte evenals vorig jaar het meest voorkomt in het westen en midden van het land. Dat neemt echter niet weg dat het percentage aangetaste bomen in alle provincies hoger ligt dan vorig jaar. Aesculaap verwacht dan ook dat het aantal zieke bomen nog verder zal toenemen.
Aesculaap maakte eerder dit jaar al bekend dat een bacterie uit de groep
Pseudomonas syringae de veroorzaker van de bloedingsziekte is. In vergelijking met vorig jaar worden nu meer zwaar aangetaste bomen aangetroffen. De aantastingen zitten vooral in half volwassen bomen, en wat minder in jonge of oude bomen. Of omgevingsfactoren zoals de verharding op de bodem en het grondwaterniveau de ontwikkeling van bloedingsziekte beïnvloeden is nog onduidelijk.
Op dit moment loopt een groot vervolgonderzoek naar mogelijkheden om de ziekte te beheersen. Daarbij wordt onder andere nagegaan hoe de bacterie in de boom komt en hoe deze zich verspreidt. Aesculaap verwacht medio januari 2007 de eerste resultaten te kunnen presenteren.
De werkgroep Aesculaap is een samenwerkingsverband van Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (PPO) en Alterra, Groenadvies Amsterdam BV, de Plantenziektenkundige Dienst en de gemeenten Den Haag, Utrecht, Haarlemmermeer en Houten.
Informatie: www.kastanjeziekte.nlBron: Wageningen UR
