homerapportenservicecolofonabonnment / adreswijzigingadverterenarchieflinks

nieuws

29 JUNI 2006

OUDE OLIE NIET SCHADELIJK

‘Als een olietanker op zee in tweeën breekt is dat nog steeds een ramp. Maar de oude olieresten op de bodem van zee, sloten en havens zijn niet gevaarlijk. Je kunt ze gewoon laten liggen’, aldus dr. Chiel Jonker, onderzoeker bij Wageningen UR.
Jonkers recente publicatie in Environmental Toxicology and Chemistry maakt duidelijk waarom de olie kan blijven liggen. De toxiciteit van olie in de bodem van rivieren, sloten en plassen blijkt te verminderen naarmate de tijd verstrijkt. Bacteriën in sedimenten zetten de olie om.
In dat proces, blijkt uit Jonkers onderzoek, maken bacteriën bovendien kankerverwekkende PAK’s onschadelijk. Deze polycyclische koolwaterstoffen komen vrij bij de verbranding van bijvoorbeeld hout en olie. ‘Het omzettingsproces gaat zelfs sneller als er meer olieresten in sedimenten zitten. De bacteriën zetten de alkanen in de olie om, en gebruiken ze als voedingsstof.’
Jonker deed zijn experimenten in het laboratorium van de leerstoelgroep Environmental Toxicology and Chemistry. Hij mengde zand uit de bodem van de Oosterschelde met olie. Af en toe ververste hij het zeewater, maar verder greep hij niet in. Bij te hoge concentraties olie neutraliseerden de bacteriën de PAK’s overigens niet meer, omdat de bacteriën dan het loodje legden.
Olie is dus een minder groot milieuprobleem dan milieuexperts jarenlang dachten, aldus Jonker. ‘Ik zeg niet dat het in orde is om olie te dumpen in het milieu. Verse olie is toxisch. Maar oude, verweerde olie is niet zo’n verschrikkelijk probleem als we vroeger dachten’.

Informatie: entc.allenpress.com/entconline/?request=index-html
Bron: Wb 20, 22 juni 2006

lees meer
23 JUNI 2006

PLASTIC REDT GRUTTOKUIKENS

Landschap Overijssel coördineert een project waarbij gruttokuikens met wapperend plastic de wei uit worden gejaagd, voordat de boer gaat maaien. Een oude, maar effectieve methode om de grutto te beschermen, die te weinig wordt gebruikt, stelt Wolf Theunissen van Vogelonderzoek Nederland (SOVON).
In het maaiseizoen kan je ze overal in Overijssel tegenkomen, de stokken met wapperende stroken plastic in de weilanden. Gruttokuikens in de weilanden schrikken van het geluid en verlaten het weiland, waardoor de boer zonder gevolgen voor de vogels kan maaien.
Het wapperende plastic lijkt nieuw, maar dat is niet zo. Er is in de jaren ‘90 al onderzoek naar gedaan, zegt Theunissen, en daaruit bleek dat het effectief was. '24 uur nadat het plastic was neergezet, bleek 70 procent van de gruttokuikens verdwenen. De methode is een goede aanvulling op andere maatregelen om kuikensterfte tegen te gaan.'
Landschap Overijssel coördineert de ongeveer tweeduizend boeren en de honderden vrijwilligers die met dit project helpen de gruttokuikens te beschermen. Zo'n vijf stokken per hectare voldoen.
De methode is vooral onbekend, stelt Theunissen. 'Je ziet het heel weinig. Het vergt nogal wat coördinatie tussen boeren en vrijwilligers. Een boer moet een dag van tevoren aangeven dat hij gaat maaien, zodat vrijwilligers de stokken kunnen plaatsen. Het is goed dat Landschap Overijssel het oppakt. Ik hoop dat het een uitstralend effect heeft naar de andere Landschappen.'

Informatie: www.landschapoverijssel.nl
Bron: Boomblad 3, juni 2006

lees meer
23 JUNI 2006

FOSFAATGROND NIET AFGRAVEN

Het afgraven van fosfaatrijke landbouwgrond voor natuurontwikkeling is niet nodig, mits je de tijd hebt, blijkt uit onderzoek van Alterra. Rolf Kemmers analyseerde met zijn collega’s de concentraties meststoffen in oude landbouwgronden door de jaren heen en de gevolgen daarvan voor de natuurontwikkeling.
Bij niet-afgraven namen binnen een paar jaar de hoeveelheid stikstof en kalium genoeg af om een beperkende factor te zijn voor de productie van vegetatie.
Ze vonden er in vergelijking met afgegraven landbouwgronden overigens relatief weinig zeldzame soorten. Maar schijn bedriegt, aldus Kemmers: ‘In afgegraven gebieden verdwijnen de zeldzame pioniersoorten na een paar jaar vaak weer. Hoe dat zich op lange termijn ontwikkelt weten we nog niet.’

Informatie: www.alterra.wur.nl
Bron: Boomblad 3, juni 2006

lees meer
23 JUNI 2006

BOSBRANDEN

De hoeveelheid broeikasgas die wereldwijd jaarlijks in de atmosfeer belandt is 1,3 tot 1,5 maal groter dan tot nu toe is berekend, blijkt uit onderzoek van Guido Van der Werf van de Vrije Universiteit Amsterdam.
In de standaard berekeningen draagt vooral het gebruik van fossiele brandstoffen bij aan het vrijkomen van broeikasgas CO2. Maar ook de verbranding van biomassa door bosbranden verhoogt de concentratie van kooldioxide in de atmosfeer. Tot nu toe was onbekend hoeveel bos- en savannebranden bijdragen aan de uitstoot van CO2. Van der Werf berekende de mondiale hoeveelheid kooldioxide die vrijkomt bij de verbranding van biomassa door satellietgegevens te combineren met een model dat de productie van biomassa simuleert.

Informatie: www.vu.nl
Bron: Boomblad 3, juni 2006

Zie ook: rapport

lees meer
23 JUNI 2006

BELEID MOET REKENING HOUDEN MET VERSTORING

De internationale en nationale richtlijnen voor natuurbeheer zijn te veel gericht op het bereiken en vasthouden van ecologische evenwichtssituaties, stellen onderzoekers van Alterra. Want beheerders hebben steeds meer te kampen met verstoringen van de natuur. Het beleid moet daarop inspelen, door het beheer de ruimte te geven rekening te houden met de veerkracht van een ecosysteem.
In onder meer de Habitatrichtlijn en het Programma Beheer is het natuurbeheer sterk gericht op behoud van zeldzame soorten en het behalen van natuurdoeltypen. Beheerders worden in feite betaald voor het duurzaam in stand houden van soorten en natuurdoeltypen, stelt onderzoeker dr. Koen Kramer van Alterra. Maar de natuur is dynamischer dan de papieren werkelijkheid, zegt hij. Want de natuur wordt in toenemende mate verstoord. Verstoringen kunnen enorm verschillen in schaal en frequentie. Een pootafdruk van een hoefdier is een kleinschalige en daarmee vaak optredende verstoring. Maar vooral grootschalige verstoringen, zoals klimaatverandering en het komen en gaan van planten- en dierensoorten, zorgen ervoor dat de op evenwicht gebaseerde natuurdoeltypen niet gehaald worden.
Het beleid moet dus zorgen dat het beheer zich meer op de veerkracht van de natuur kan richten, stelt Kramer, maar daarvan zijn nog weinig meetbare gegevens bekend. 'Hoe ga je veerkracht meten? Gaat het om de genetische veerkracht of die van de bedreigde soorten?'
Beheren op veerkracht betekent volgens Kramer vooral: niet strikt vasthouden aan evenwichtsituaties. 'Ga ook spelen met verstoringsregimes en dynamiek. Veel beheerders doen dat nu al, maar in het beleid ontbreekt dit.'

Informatie: www.alterra.wur.nl
Bron: Boomblad 3, juni 2006

lees meer
23 JUNI 2006

DRAINAGE IN VEENWEIDE

Bodemdaling in het veenweidegebied voorkomen door het slootwaterpeil te verhogen is straks misschien overbodig, blijkt uit onderzoek van Alterra.
Een goed vooruitzicht, want de maatregel helpt maar half omdat de slootkanten moeilijk water doorlaten. Bovendien is de hoge waterstand onaantrekkelijk voor de landbouw. De oplossing kan liggen in drainagebuizen die onder het slootwaterpeil liggen en het slootwater in het grasland infiltreren. De eerste resultaten van een proef op Praktijkveld Zegveld zijn positief, vertelt Alterra-onderzoeker Cees Kwakernaak: ‘De snelheid van de bodemdaling neemt er mogelijk met de helft door af. Het is geen oplossing voor het hele gebied, maar misschien wel voor plekken waarvan je als samenleving vindt dat er plaats is voor landbouw. Bovendien zijn de aanlegkosten van 1500 euro per hectare behapbaar.’

Informatie: www.alterra.wur.nl
Bron: Boomblad 3, juni 2006

lees meer
23 JUNI 2006

MEDICIJNEN IN WATER VERSUFFEN VLOKREEFTJES

Kleine organismen in Nederlandse vaarten zijn waarschijnlijk versuft door medicijnen in het water, blijkt uit onderzoek dat in het tijdschrift Aquatic Toxicology is gepubliceerd.
‘We maken ons zorgen’, zegt medeauteur dr. Marieke de Lange van de leerstoelgroep Aquatische ecologie en Alterra. In een liter water van een rivier als de Dommel zitten enkele tientallen tot enkele honderden nanogrammen medicijnen.
De onderzoekers beschrijven de effecten hiervan op het gedrag van het vlokreeftje Gammarus pulex. Bij enkele tientallen nanogrammen van de pijnstiller Ibuprofen of het antidepressivum Prozac per liter water bewoog het vlokreeftje minder. ‘We denken dat dit consequenties kan hebben voor het voedselweb’, zegt De Lange. ‘Minder actieve vlokreeftjes laten zich makkelijker vangen.’

Informatie: www.sciencedirect.com
Zie ook: Resource Online
Bron: Boomblad 3, juni 2006

lees meer
23 JUNI 2006

NACHTELIJK LAWAAI

De moderne windmolens ’s draaien nachts harder dan overdag, blijkt uit metingen. 'En dan krijg je een stamp- ender geluid, wat erg storend is', stelt natuurkundige Frits van den Berg van de Natuurkundewinkel van de Rijksuni- versiteit Groningen. Ook als het op de grond windstil is, kan het op tachtig meter hoogte vooral 's nachts nog flink waaien.
Volgens Van den Berg is het niet meer dan logisch dat de beheerders van de windturbineparken investeren in het tegengaan van die geluidsoverlast. Ook zullen producenten van windenergie hier bij de aanleg rekening mee moeten houden, bijvoorbeeld door de parken aan te leggen bij bedrijventerreinen die 's nachts onbewoond zijn. Ook kan het stampende geluid weggehaald worden door voortdurend de stand van de wieken te veranderen.

Informatie: dissertations.ub.rug.nl/
Bron: Boomblad 3 juni 2006

Zie ook: rapport

lees meer
19 JUNI 2006

BUNDELING STAD GOED VOOR NATUUR EN MILIEU

Zonder het zogenoemde bundelingsbeleid in de ruimtelijke ordening zouden natuurgebieden sterker versnipperd zijn, door toegenomen verstedelijking en verkeer. Dit is een van de conclusies van MNP-medewerker Karst Geurs, in zijn promotieonderzoek aan de Universiteit Utrecht over bereikbaarheidseffecten van ruimtelijk en transportbeleid.
Zonder het bundelingsbeleid, dat sinds de jaren zeventig werd uitgevoerd, was het autogebruik vijf tot tien procent hoger geweest, met als gevolg hogere emissies en meer geluid in stad en natuur.
Nabijheid en bereikbaarheid zijn kernwoorden in het verstedelijkingsbeleid. Vanaf de jaren zeventig werd nieuwbouw daarom zoveel mogelijk gepland op locaties binnen bestaand stedelijk gebied of op locaties in de nabijheid van bestaande steden, in de vinex-wijken. Dit beleid was onder meer bedoeld om zuinig om te gaan met ruimte, open en waardevolle gebieden te beschermen en het autogebruik te reduceren.
Geurs onderzocht de daadwerkelijke resultaten van dit compacte-stadbeleid door de gerealiseerde ruimtelijke ontwikkelingen en verkeersontwikkelingen vanaf 1970 tot 2000 te simuleren. Daarnaast ontwierp hij twee ruimtelijke scenario’s van Nederland in het jaar 2000, waarbij het compacte en restrictieve verstedelijkingsbeleid respectievelijk wel en niet zou zijn gerealiseerd.
De belangrijkste conclusie uit de studie is dat het compacte verstedelijkingsbeleid vanaf de jaren zeventig positief uitgepakt heeft. Het autogebruik zou niet alleen voor versnippering van natuur en hogere emissies hebben gezorgd, er zouden ook meer opstoppingen zijn geweest, en de potentiële bereikbaarheid van werk en bevolking was vijf tot enkele tientallen procenten lager geweest.

Informatie: www.mnp.nl
Bron: Milieu en Natuur Planbureau

lees meer
15 JUNI 2006

COMPACTE STAD GEEN SLECHT IDEE

Planologen in Nederland hebben massaal afscheid genomen van het zogeheten compacte-stadbe-leid en hebben de netwerkstad omarmd. Er zouden nieuwe centra met stedelijke allure ontwikkeld moeten worden. Maar voor veel steden is het compacte-stadbeleid helemaal geen slecht idee, stelt promovendus Merijn Martens. Volgens hem ligt het omslagpunt van de keuze compacte stad naar netwerkstad op een stadsgrootte van één tot anderhalf miljoen inwoners.
Martens onderzocht de ervaringen met beide ruimtelijke beleidsstrategieën, door stedelijke structuren, mobiliteit en ruimtelijk beleid in een groot aantal West-Europese steden te vergelijken. De beste beleidsstrategie hangt af van het stedelijk groeiproces, is zijn conclusie. Stedelijke overheden zouden zich bij stedelijke groei moeten afvragen op welk moment ze, naast verdichting van de binnenstad, nieuwe stedelijke centra willen ontwikkelen.
Het omslagpunt van een tot anderhalf miljoen inwoners zou naar voren verschuiven als een stad een kwetsbare historische binnenstad heeft. Dan zou men eerder een netwerkstadbeleid kunnen introduceren. De aanwezigheid van veel in onbruik geraakte binnenstedelijke haven- en industrieterreinen, evenals de aanwezigheid van veel studenten en andere kleine huishoudens, kan juist een reden zijn om langer vast te houden aan het compacte-stadbeleid.

Informatie: www.uva.nl
Bron: UvA

lees meer
12 JUNI 2006

VERHOGEN GRONDWATERSTAND LAAGVEEN WERKT AVERECHTS

Om de waardevolle natuur van laagveengebieden weer leven in te blazen, wordt op veel plaatsen in West-Nederland landbouwgrond uit productie gehaald en de grondwaterstand verhoogd om de oorspronkelijke natte omstandigheden terug te krijgen. Deze maatregel werkt echter de terugkeer van laagveenvegetatie tegen, concludeert Jerry van Dijk van de Vrije Universiteit Amsterdam in zijn proefschrift.
Laagveen heeft van oorsprong een moerasachtige bodem met daarop een hoge biodiversiteit en bijzondere plantensoorten. De meeste laagveengebieden zijn nu als landbouwgrond in gebruik en de intensieve bemesting en verlaagde grondwaterstanden die dit met zich meebrengt doen de biodiversiteit sterk afnemen.
In een serie veldstudies en experimenten op voormalige landbouwgronden bestudeerde Van Dijk het effect van grondwaterstandverhoging op chemische processen in de bodem en op flora en fauna.
Duidelijk is dat verhoging van de grondwaterstand zorgt voor een hogere zuurgraad. Opgehoopte meststoffen lossen dan op in het water en beïnvloeden zo de plantengroei. Omdat plantensoorten die typerend zijn voor het laagveen juist goed groeien bij een laag gehalte aan meststoffen, werkt het natter maken van de bodem averechts.
Ook een andere belangrijke bron van voedingsstoffen voor planten, de afbraak van dood plantenmateriaal, versnelt door grondwaterstijging. Van Dijk heeft voor het eerst aangetoond dat bodemdieren bij deze versnelde afbraak een belangrijke rol spelen.

Informatie: www.vu.nl
Bron: VU

Zie ook: rapport

lees meer
8 JUNI 2006

BOLLENVOGEL ZOEKT RUST IN TULPENVELD

Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (PPO) gaat samen met Landschapbeheer Zuid-Holland de bollenvogels beter in kaart brengen. Veel vogels die in tulpenvelden broeden staan op de lijst van bedreigde soorten, zoals de veldleeuwerik. Hun aanwezigheid kan het slechte imago van de bollensector op milieugebied helpen opkrikken.
Bedreigde akkervogels als de veldleeuwerik en de patrijs doen het, volgens ir. Nathalie Reijers, projectleider bij PPO in Lisse, zo goed in de tulpen- en hyacintenvelden van de Bollenstreek vanwege de rust tijdens het broedseizoen. ‘De gewassen bieden beschutting en in de periode maart tot half juni zijn er weinig activiteiten op het land. Ook het stro dat tussen de rijen ligt om de bollen tegen de nachtvorst te beschermen, wordt door de vogels gewaardeerd.’
In opdracht van de Agrarische Natuur- en Landschapsvereniging Geestgrond gaan PPO en Landschapsbeheer Zuid-Holland nu vogeltellingen doen rond bollenvelden. Ook gaan ze met de bloembollenkwekers beschermende maatregelen voor de vogels nemen, zoals het aanleggen en beheren van kruidenrijke perceelranden en slootkanten.
Een belangrijk oogmerk van het project is het doorbreken van het negatieve milieu-imago van de bollensector. Dat imago is volgens Reijers hardnekkig, terwijl er op milieugebied de laatste jaren het nodig is verbeterd. ‘Die boodschap komt nog niet echt door en zo’n project kan dan een beetje het ijs breken.’

Informatie:
Bron: Wb 18, 8 juni 2006

lees meer


Boomblad is een tweemaandelijkse
uitgave van
Uitgeverij Landwerk